‘Miniapolis’ van Rob van Essen: de wereld blijft een puzzel
In zijn negende roman Miniapolis verheft Rob van Essen (1963) het fietsen tot een bevrijdende, nagenoeg religieuze ervaring. Een logisch opstapje, want fietsen komt geregeld voor in zijn oeuvre — zowel in de verhalen als de kronieken en de romans. In de verhalen ‘De therapeut’ en ‘In de kelder van de kruidenier’ bijvoorbeeld, uit zijn jongste verhalenbundel Een man met goede schoenen (2020), vertelt Van Essen vol vuur over de louterende, sportieve buitenactiviteit.
Die bescheiden fietsfetisj is geen verrassing, aangezien Van Essen jarenlang in Amsterdam woonde, de laaglandse fietsstad bij uitstek en vaak het decor van zijn verhalen. Voor Miniapolis —grotendeels geschreven tijdens de eerste lockdown, toen Van Essen net naar Brussel verhuisd was — zocht de schrijver echter andere oorden op. Omdat er niet veel anders mogelijk was, maakte hij net als iedereen talloze wandelingen in het uitgestorven, bevreemdende stadscentrum, aangevuld met lange fietstochten langs de groene gordel rond de chaotische Belgische hoofdstad. Onderweg kreeg Miniapolis meer en meer vorm én een Brussels tintje.
De vertelstructuur van Miniapolis is heerlijk klassiek, met twee verhaallijnen die op het einde mooi aan elkaar geknoopt worden. De algemene belevingssfeer is die van een prettig weglezend avonturenboek voor grote jongens en meisjes, maar dan aangedikt met de stilistische scherpte en verleidelijke intelligentie die Van Essens ander werk typeert. De eerste verhaallijn is de meest duistere en opent zoals wel vaker bij Van Essen met een onmogelijke, ronduit bizarre situatie: nadat hij door aan een brug te hangen en zich te laten vallen zelfmoord wilde plegen, ziet de dakloze jongeman Jonathan op tram 81 zijn vier jaar eerder overleden moeder. Hoewel ze ontslapen is, volgt Jonathan de vrouw, die eveneens dakloos blijkt te zijn en zich verschuilt bij haar lotgenoten in een tunnelgang van ‘het Noordstation’.
Wanneer hij haar terugvindt, spreekt ze onophoudelijk over een gigantisch landhuis, waar ze opgroeide en Jonathan geboren is, om hem kort erna te hebben moeten afstaan. Op het platte dak van het huis leefde een gemeenschap van glazenwassers en schoorsteenvegers, zoals Jonathans grootvader, die zich met gondels langs de gevels naar beneden lieten zakken. De dakfavela vormt een parallel universum, dat de onderwereld in ‘Ideeën van ontsnapping’ uit Een man met goede schoenen perfect spiegelt. Jonathan maakt er zijn missie van om zijn moeder naar het mythische landhuis te brengen.
Van Essen publiceert regelmatig verhalen of aanzetten tot verhalen op zijn blog annex digitaal kladblok, genoemd naar zijn debuut Reddend zwemmen (1996, heruitgegeven in 2021). Reeds in 2018 publiceerde hij een stukje waarin hij op tram 81 zijn overleden moeder ziet. Net als in Miniapolis droeg de moeder toen al een paarse muts (‘ze kneep haar handen eromheen alsof ze een wollig klein dier wurgde’), een legerjas, een spijkerbroek en lompe zwarte schoenen. Ook de aan een brug hangende zelfmoordenaar komt uit de oude doos, letterlijk zo blijkt uit een recente blogpost: een opgediept manuscript uit 1997, van een nooit gepubliceerde ‘tweede’ roman, heeft een aan de Miniapolis-Jonathan verwante Jonathan als personage (In Visser, Van Essens geweldige roman uit 2008, is er overigens nog een derde Jonathan, maar dit terzijde).
De tweede verhaallijn is een stuk lichter en zorgt voor welgekomen en uitgebalanceerd comic relief. Wildervanck en Scherpenzeel — genoemd naar twee onooglijke Nederlandse dorpen, respectievelijk in de provincies Gelderland en Groningen — zijn nog maar pas collega’s op het bijkantoor van een gemeentelijke dienst, een soort uitbetalingsinstantie. Jonathan komt er langs om geld, kort nadat Scherpenzeel de jongeman aan de brug heeft zien hangen. Wanneer Scherpenzeel hulp gaat zoeken is Jonathan al verdwenen, maar hij zet hem tot zijn grote verbazing terug op het kantoor: ‘Hij had geen idee hoe het allemaal in elkaar stak.’
Vreemde en wonderlijke werelden oproepen kan Van Essen als geen ander. Hij tast voortdurend de grenzen van het normale af, rekt het alledaagse op en slingert zijn lezers zonder pardon in volstrekt unieke universums. Banale gebeurtenissen en handelingen, zoals fietsen, maakt hij exuberant en absurd, maar zodanig dat ze volledig aannemelijk en geloofwaardig blijven. In een interview spreekt Van Essen over ‘de droomlogica’ van Miniapolis (‘Misschien is het altijd maar een droom geweest, dacht Wildervanck.’): de fictionele werkelijkheid trekt op onze wereld, maar is verre van hetzelfde. Wat dan weer klinkt als een wereld in lockdown. Hoewel er nergens een expliciete plaats vernoemd wordt noch een specifieke datum, zijn er enkele duidelijke referenties naar Brussel. Zo is er sprake van een grote bibliotheek aan het Muntplein, een tramlijn 81 en een kolonie daklozen in het Noordstation. Aan de andere kant verzint Van Essen eveneens een anderhalve eeuw oude brug, met torens en kantelen, en gunt hij Brussel opnieuw een grote rivier, zoals de zo onbezonnen overwelfde Zenne er ooit een was.
Het bijkantoor van Wildervanck en Scherpenzeel is nog maar net overgeplaatst naar de gelijkvloerse verdieping van het gebouw waar Wildervanck op het eerste woont. Aanvankelijk kwam hij met de inmiddels bekende tram 81 naar het werk, maar sinds de verhuis mist hij zijn dagelijkse ritjes. Hij besluit om alvorens aan het werk te gaan een ommetje met de fiets te maken. Hij maakt steeds langere tochten en komt almaar minder (en later) naar kantoor.
Scherpenzeel is de tegenpool van Wildervanck. Hij is een door de zelfgekozen dood van zijn ouders getormenteerde man. Zijn erfenis zit er bijna door en hij besluit werk te zoeken. Hij komt terecht in het bijkantoor en verhuist naar een appartement in de buurt. In zijn nieuwe woonst is er een bijzonder raam, eigenlijk een gietijzeren rooster achter een luik. Het rooster heeft de vorm van een ‘klassieke legpuzzelstukjes’ en de gaatjes ervan zijn opgevuld met propjes papier waar ‘vage kriebellijntjes’ op geschreven staan. Een van de boodschappen is een oproep om naar de brug te gaan.
Op een dag ziet hij Wildervanck tijdens de kantooruren voorbijfietsen. Hij besluit zijn collega te volgen. Eerst doet wildervanck alsof hij niet door heeft dat hij wordt gevolgd (‘misschien hield Scherpenzeel er dan wel mee op’), maar uiteindelijk wordt de stilte doorbroken en trekken ze er samen op uit — een thermostas warme koffie is het lokaas én bindmiddel. Wanneer Scherpenzeels fiets het begeeft, kopen ze onderweg een rode tandem. Ze overnachten noodgedwongen in hetzelfde hotelbed, om nadien hun nooit eindigende tocht te kunnen verderzetten. Én het kantoor kan de boom in.
Alle personages in Miniapolis worstelen met hun verleden. Jonathan heeft een zodanige hekel aan zijn pleegouders dat hij zijn afwezige moeder begint te idealiseren. Zijn jeugd was een hel, maar nu valt hij effectief uit de boot: Wildervanck vindt hem nergens terug in ‘het systeem’ en hij belandt op straat. Wildervanck van zijn kant werd als kleine jongen gepest en vond enkel troost bij zijn golden retriever (Scherpenzeels haarkleur doet hem aan de hond denken). Wildervanck is ongetwijfeld een vaderfiguur voor Scherpenzeel. Zo regelt hij onderweg zelfs een therapeute voor zijn immer piekerende collega. Ook Jonathan neemt hij onder zijn hoede: wanneer de administratie tegenpruttelt, betaalt hij uit eigen zak diens uitkering.
Miniapolis is in essentie een roman over mensen op de vlucht voor een verstikkende werkelijkheid. Wildervanck en Scherpenzeel proberen te ontsnappen aan hun lot met de fiets, terwijl Jonathan en zijn moeder in een tegengestelde beweging net op zoek gaan naar hun oorsprong en verleden. De reis is belangrijker dan de bestemming, maakt Van Essen duidelijk. ‘Een reis is een hallucinatie’ klinkt het in De derde politieman (1967) van Flann O’Brien, de bron voor het motto van Miniapolis. Dat motto is op meerdere niveaus treffend gekozen, zeker met een reisleider als Van Essen. Dat O’Briens delirische roman wezenlijk ook over fietsen gaat (‘Is it about a bicycle?’ is de meermaals herhaalde centrale vraag) en net als Miniapolis bulkt van de meta-fictionele spelletjes, is bovendien mooi meegenomen.
De humor in Miniapolis — een van Van Essens handelsmerken — is bij momenten even doldwaas als bij O’Brien en heeft zelfs een hoog slapstickgehalte. Jonathans moeder bijvoorbeeld heeft losse handjes en geeft haar zoon vootdurend oorvegen (‘pets, daar kreeg hij weer een tik’). Wildervanck en Scherpenzeel dragen elk hun eigen kleur (hun regenjassen en pyjama’s bijvoorbeeld): de eerste draagt blauw, de ander geel. Zet ze samen op een rode tandem en je hebt een olijk tweetal dat zo uit een prentenboek lijkt gevlucht. Het dynamisch duo Wildervanck en Scherpenzeel heeft natuurlijk ook trekken van gelijkaardige babbelzieke koppels uit de existentiële toneelstukken van onder anderen Samuel Beckett of Tom Stoppard. Twee personages zijn aan elkaar overgeleverd en afhankelijk van mysterieuze krachten waarover ze geen controle hebben. Veel plot komt er niet bij kijken, sfeer des te meer.
Maar Miniapolis is meer dan een plotloze thriller, het favoriete genre van de schrijver in De goede zoon (2018), waarvoor Van Essen in 2019 de Libris Literatuur Prijs ontving. Op een terras hebben Wildervanck en Scherpenzeel een discussie over politieseries, waar de eerste graag naar kijkt voor ‘de sfeer’, niet voor het verhaal: ‘Een goede politieserie is geen puzzel. Bij een goede serie komt het plot op de tweede plaats, bijna als een noodzakelijk kwaad, zou je kunnen zeggen.’
Net als De goede zoon is Miniapolis een roman die meerdere keren expliciet naar zichzelf verwijst. ‘Ik begrijp het, de wereld is een puzzel’, bedenkt Scherpenzeel wanneer hij met het raadselachtige raam in aanraking komt. Hij heeft het gevoel dat hij in ‘een parallelwereld’ zit en schrijft zijn gedachten op in een notitieboekje, in de vorm van aforismen: ‘Alles wat hij zag zou hij van betekenis proberen te voorzien, een zelf opgelegde taak, een door hemzelf georganiseerde verkenning van het alledaagse.’ Een van de notities gaat over ‘sliep uit-kunst’ waarbij de kunstenaar de toeschouwer in het ootje neemt, een bezigheid waar Van Essen als schrijver evenmin zijn hand voor omdraait.
In het tegen wil en dank gedeelde hotelbed praten Wildervanck en Scherpenzeel over detectiveromans. Wildervanck is een detective aan het lezen met de titel ‘De dood van een wandelaar’, een directe verwijzing naar het werk van Robert Walser, nog zo’n auteur bij wie het onirische en bevreemdende centraal staat. Wildervanck moedigt Scherpenzeel aan om ‘te bedenken wat de schrijver je wil laten geloven.’ Maar Scherpenzeel verlangt enkel naar ‘een open einde.’ Hij herinnert zich hoe hij als kleine jongen met zijn ouders de miniatuurwereld ‘Miniapolis’ bezocht: ‘Als een kleine koning, een kleine god had hij in die wereld rondgelopen.’ Op het einde van de roman is het duidelijk dat Scherpenzeel — wiens naam de werktitel was van Miniapolis, blijkens het hierboven genoemde interview — het centrale personage is. Uiteindelijk is hij de enige die tot enig inzicht komt en zo de stukjes van de puzzel netjes op hun plaats laat vallen: ‘Wie had zijn zinnen dan al die tijd begoocheld, met wat voor magiër was hij al die tijd op stap geweest, was hij de speelbal geweest van iemand die hij nooit had gekend?’
‘Een man met goede schoenen’ van Rob van Essen: tuinkabouters als stootkussen
Op de voorflap van Een man met goede schoenen, Rob van Essens (1963) derde verhalenbundel, prijkt de op het eerste gezicht onschuldige afbeelding van een olijke kabouter die een kruiwagen voortduwt. Het colofon vermeldt dat het beeld is geplukt van Shutterstock, een gigantische online databank met rechtenvrije stockafbeeldingen. De garden gnome van Tomacco is door de grafische vormgever echter licht bewerkt: de glanssporen op de muts van de kabouter zijn verdwenen, alsook de vergulde gespen op zijn laarzen en riem én de madeliefjes in het gras en de kruiwagen. Stockafbeeldingen geven een soort standaard weer: het zijn weergaves van een zekere maatstaf, inwisselbare beelden als toetsstenen van gangbaarheid. Soms zijn de ijkpunten waartussen het normale zich afspeelt rekbaar, zoals de behoorlijk hilarische Instagram-account Stutter.shock van kunstenaar Jasper Rigole aantoont. Dat principe van wat ik ‘flexibele normaliteit’ zou durven noemen, ligt aan de basis van de twintig verhalen in Een man met goede schoenen en bij uitbreiding van Van Essens gehele oeuvre.
Normaliteit en vervreemding
Uit het verhaal ‘De therapeut’ weet de lezer dat het kruiwagentje tijdens een wraakoefening zal worden gevuld met een welbepaald lichaamssap, een vuige daad die onze perceptie van de noeste alverman op de cover op zijn kop zet. Want als toonbeeld van normaliteit genereert een tuinkabouter een automatische reactie. Wanneer Van Essen met subtiele ingrepen en kleine deviaties ons waarnemingskompas op hol laat slaan, doorbreekt hij moedwillig onze automatismen en vervormt de werkelijkheid die we gewend zijn. Het is een prachtig voorbeeld van Viktor Sjklovski’s vervreemding: nooit meer zal de lezer nog op een normale manier naar een tuinkabouter kunnen kijken. Dat Van Essen onze leeservaring binnen het korte bestek van een verhaal op een natuurlijke manier kan doen kantelen, pleit niet alleen voor zijn vertelkunst, maar is meteen ook een handelsmerk van de auteur. Zijn romans en verhalen — vaak gestoeld op een al dan niet directe autobiografische basis — vertrekken doorgaans van alledaagse gebeurtenissen, om gaandeweg naadloos over te vloeien in verbeeldingrijke, exuberante en absurdistische situaties. Alles lijkt wel degelijk wat het is bij Van Essen, tot op het moment dat hij alles omkeert en niets meer is wat het lijkt.
De vervreemding bij Van Essen leunt ook aan bij het freudiaanse ‘Unheimliche’, de angst en fascinatie die ontstaan wanneer datgene wat van oudsher vertrouwd was, plots vreemd lijkt. Onverklaarbare zaken passeren plots als dagdagelijks, als faits divers die er nu eenmaal bijhoren: ‘De wereld bestond uit twee helften die even langs elkaar waren geschuurd, zonder dat dat de bedoeling was geweest; dimensies waren doorbroken en tijd en ruimte hadden zich door een kleine onoplettendheid in de kaart laten kijken.’ De verteller van ‘In de Rijnstraat (bij de Albert Heijn)’ hoopt dat de bevreemdende gebeurtenis hem betekenis zal brengen, ja zelfs enige vorm van inzicht in het onvatbare: ‘Overal voelde ik betekenis rondzingen’.
Fantastiek
De verhalen in Een man met goede schoenen zijn geschreven in de afgelopen zes jaar. Het gros verscheen eerder in tijdschriften en kranten of op Van Essens bijzonder lezenswaardige blog ‘Reddend zwemmen’, het creatieve lab van de auteur, zeg maar, genoemd naar zijn debuutroman uit 1996. Van Essens vorige verhalenbundels, Elektriciteit (2010) en Hier wonen ook mensen (2014), zijn inmiddels respectievelijk tien en zes jaar oud. Is het openingsverhaal van Een man met goede schoenen mogelijks een vingeroefening voor De goede zoon, dan zijn enkele andere verhalen met hun fijnzinnig uitgewerkte plots eerder uitlopers van vroegere romans als Visser (2008) en Alles komt goed (2012). Hoewel in de lijn van de verwachtingen sinds de exuberante verbeelding van De goede zoon, valt het aantal verhalen met onversneden fantastische elementen op, met het openingsverhaal als onheilspellende voorbode van al dat onverklaarbaars.
Zo waren in Een man met goede schoenen heel wat dubbelgangers rond. In het bizarre ‘In het restaurant (drie gangen)’ wijst een serveerster een restaurantbezoeker op het feit dat hij ook wat verder in een hoekje zit (‘Kijk dan u bent het zelf.’) en in het aangrijpende ‘J.O.S. Days’ herkent een oudere vrouw een toevallige passant als haar jaren geleden overleden broertje. Hoewel de verteller niet in reïncarnatie gelooft, herinnert hij zich van alles, bijvoorbeeld wanneer de vrouw hem meeneemt naar hun vermeende vroegere woning. Opnieuw genereert de vervreemding een zekere angst (‘Al deze dingen kan ik niet verklaren’), die pas eindigt bij een bezoek aan het graf van het overleden jongetje: ‘Nu we bij mijn dood waren beland, was het voorbij.’
De wandelaar in ‘J.O.S. Days’ — een ik-verteller die zoals wel vaker verdacht veel weg heeft van Van Essen — struint langs de Weespertrekvaart en mijmert over de ‘wederopbouwwijken’: ‘Mijn hele volwassen leven heb ik terugverlangd naar een tijd die ik niet zelf heb meegemaakt.’ Hij verlangt ernaar te weten hoe het was om als Amsterdams kind op te groeien in zo’n wijk in het tijdperk waarvoor die wijken waren bedoeld (zie ook in dat verband Van Essens schitterende autobiografische kroniek Kind van de verzorgingsstaat (2016). Tót zijn gemijmer wordt doorgeprikt, letterlijk van gene zijde. Van Essen slaagt er alweer moeiteloos in om een doodnormale situatie te laten verglijden tot een die we met rede niet kunnen vatten, maar tegelijkertijd gewillig voor waar aannemen.
Ook ‘De glazen kamer’ toont hoe een onschuldig gegeven (een auteur wordt voor een ereceremonie ten paleize uitgenodigd samen met andere figuren uit de culturele sector die zich verdienstelijk hebben gemaakt) al snel uitwaaiert tot een bijna uitzinnige explosie van verbeelding en fantasie. De basis is weer licht autobiografisch getint: een Van Essen-achtige verteller herkent enkele andere gasten, ‘die net als ik het afgelopen jaar een literaire prijs hadden gewonnen’. Tijdens een onwennig gesprek verwijst de koning naar ‘dat verhaal met die katten’ (uit Hier wonen ook mensen) en wanneer de verteller verdwaalt in het paleis, verzucht hij ‘ik liep niet rond in een hotel of een restaurant, hier woonden ook mensen’. Tot zover de realistische zijde van dit verhaal. Wanneer de verteller het toilet zoekt, komt hij plotsklaps terecht in een kamer die geheel van glas is, met een luik in de vloer dat leidt tot een eindeloze en duizelingwekkende Alice in Wonderland-konijnenpijp. Het is telkens weer een waar lezersgenoegen om te beleven hoe Van Essen je onverhoeds meeneemt op een trip en de wonderlijkste werelden binnenloodst (zie ook de Roald Dahl meets Tim Burton-onderwereld in ‘Ideeën van ontsnapping’).
Tijdreizen en absurdisme
De verbeelding viert evenzeer hoogtij in ‘In de kelder van de kruidenier’ waar een groepje scholieren een wormgat ontdekt in de kelder van de dorpskruidenier. Voor een stevige portie tijdreizen draait een meesterverteller als Van Essen uiteraard zijn hand niet om (in een recent interview liet hij zich overigens ontvallen dat tijdreizen mogelijks een belangrijk thema zal worden in zijn volgende roman). In ‘De lastigste logé sinds tijden’, oorspronkelijk verschenen in een Engelstalige versie op 2.3.74, krijgen Axel en Miranda hun (goede) zoon Erik op bezoek uit de toekomst. Hij wil zijn ouders verhinderen om hem te verwekken. De ouders vragen zich af of ze Eriks wens om niet te bestaan al dan niet moeten eerbiedigen. In het vervolgverhaal ‘De vissen eten geven’ is Eriks opzet blijkbaar mislukt want Axel en Miranda betrappen hun zoon terwijl hij in het zwembad ‘iets heel lichamelijks’ aan het doen is met het buurmeisje.
Het gruwelijk absurdisme van de scheerbeurt steekt een tweede keer de kop op in ‘Iedereen werd verpleegd’. Daar is een man er getuige van hoe iemand op een terras met zijn vuist zijn jeneverglas aan stukken slaat en de scherven tot bloedens toe over zijn gezicht wrijft. Tegen wil en dank gaat de man met de gewonde mee naar het ziekenhuis, waar hij verzucht dat ‘de basso continuo’ van zijn leven eenzaamheid is. Vrolijker ongerijmds schuilt dan weer in ‘De man die weer naar buiten wilde’, waarin buiten — alsof het niets is — letterlijk binnen wordt en omgekeerd, én in het titelverhaal ‘Een man met goede schoenen’, waar degelijk schoeisel niet meer of minder dan een statussymbool is en een onooglijk zakje verwelkte groenten geldt als valuta.
Oude bekenden
Een ander behoorlijk gesjeesd verhaal is ‘Nu is het diep genoeg’, oorspronkelijk verschenen onder de titel ‘Een uiterst belangrijke boodschap’ in De Groene Amsterdammer. Wanneer een man zijn ex-vriendin bij de ingang van een dierenkerkhof ziet, wordt hij terug geslingerd naar de tijd toen ze samenwoonden. De man vertelt over zijn uit de hand gelopen obsessie met de onderbuurman die op zijn schedel een enorm getatoeëerd oog heeft staan en een hondje heeft dat Kazan heet: ‘Soms zie je iets wat onmogelijk is’. De man, een (nieuw) hondje en de buurman eindigen uiteindelijk als een ongewoon menage à trois, zonder de vriendin dus. Het korte ‘Nog warm van de clown’ ademt de sfeer uit van de beste Robert Altman-films en het slotverhaal ‘Waar het werkelijk om ging’ verscheen als kerstverhaal in NRC Handelsblad. In die afsluiter wordt een slachtoffer van een huisbrand ei zo na pyromaan en beraamt een plan om grote delen van de stad in de fik te steken. Uiteindelijk voert zijn psychologe zijn plan uit: samen ontvluchten ze de brandende stad, terwijl het zacht begint te sneeuwen, wat niet alleen de kerstsfeer oproept, maar ook ‘The dead’, het laatste verhaal van James Joyce’s Dubliners (1914), een verhaal dat de hoofdpersonages in Van Essens tweede roman Troje (2000) meermaals bediscussiëren.
Bijzonder aardig voor de fans is dat er enkele oude bekenden uit de vorige verhalenbundels opduiken in Een man met goede schoenen, met name de mythische jeugdvriend Scipio en de slome, zachtaardige oom Evert. In ‘Eindhoven’ lift de verteller (waarin we wederom moeiteloos de jonge Van Essen herkennen) samen met zijn zelfverzekerde en baldadige makker met hoog punkgehalte Scipio naar Eindhoven. Ze worden opgepikt door een politiewagen. Wanneer Scipio drie maal ‘hoelah’ roept, ontstaat er een hilarische discussie tussen de twee literatuurminnende agenten, want een van hen herkent de uitroep uit Cees Nootebooms verhaal ‘Hoela’.
Van Essen krijgt geregeld de vraag of er geen roman over Scipio komt. Alle verhalen hebben weliswaar een zekere droefenis over zich, want ze zijn allemaal geschreven in het besef dat Scipio al lang dood is, zogezegd doodgeslagen aan het Sarphatipark. In het schitterende ‘Scipio’s zuster’ gaat Van Essen dieper in op dat gewelddadig overlijden en trekt het — hoe kan het anders — in twijfel. Het personage Van Essen wordt ontboden door de zuster van zijn jeugdvriend; ze wil weten waarom de auteur haar broer in zijn boeken heeft laten doodgaan. De schrijver probeert duidelijk te maken dat Scipio voor hem een personage is, ‘een amalgaam van jongens die ik vroeger heb gekend’ en dat hij Scipio heeft laten sterven voor ‘het dramatisch effect’, hoewel hij de aanval in het park dan toch zou overleefd hebben. Uiteindelijk sluit de zuster de schrijver op in de vroegere kamer van Scipio: hij mag er pas uit als hij nog verhalen over haar broer vertelt. De schrijver begint dan maar ‘Eindhoven’ te vertellen, maar dat kent ze al, dat stond immers in Tirade! In een bizar einde is de schrijver er meer en meer van overtuigd dat de zuster eigenlijk Scipio zelf is.
Van Essen wordt vaak geprezen voor zijn laconieke, heldere stijl, vol onderkoelde humor en rake beschrijvingen. Meer dan terecht, maar voor mij is hij ook de ultieme clever writer, een gewiekste fabulator die als geen ander een plot kan uitwerken en een steengoed verhaal vertellen. Voor elke narratieve patstelling heeft hij een gepaste oplossing, verhaaltechnisch lijkt er geen limiet op zijn kunnen te staan. Een hoogtepunt op dat vlak is ongetwijfeld het eerder aangehaalde ‘De therapeut’, met een lengte van veertig pagina’s meteen ook het langste verhaal uit Een man met goede schoenen. David is ’s morgens voor het eerst bij een therapeut geweest. Diezelfde avond komt de therapeut onaangekondigd aanbellen en neemt zijn nieuwe patiënt onder lichte dwang mee op een hallucinante tocht naar zijn verleden. Met sardonisch genoegen laat Van Essen in deze gebalde comedy of manners vol verrassende plotwendingen de lezer alle hoeken van de narratologische kamer zien, met tuinkabouters als stootkussen.
Verschenen op: De Reactor, 7 januari 2021
Een man met goede schoenen van Rob van Essen, Atlas Contact 2020, ISBN 9789025464127, 245 pp.
Laura Jacobi vom homunculus verlag präsentiert ein preisgekröntes Buch aus den Niederlanden.
Das Buch:
Ich möchte heute den Roman Der gute Sohndes niederländischen Autors Rob van Essen vorstellen – ein Buch voller bizarrer Begebenheiten und unerwarteter Wendungen. Es ist Dystopie, Thriller, autobiografisches Zeugnis und absurder Road-Novel in einem und behandelt dabei existenzielle Themen wie…
Genk Leest 'De goede zoon' van Rob van Essen op za 18/01/20!
Genk Leest ‘De goede zoon’ van Rob van Essen op za 18/01/20!
Wat een bijzonder boek. Autobiografische science-fiction, een road novel, een roman over verlies, een thriller, beschouwingen over kunst en een nieuwe wereld… kies maar, elke benaming past.
Zaterdag 18/01 om 10.15 u delen we onze leeservaring over deze rijke ideeënroman die de Libris Literatuurprijs 2019 won. Kom naar de bibliotheek Genk. Koffie en koekjes staan klaar. Discussies meer dan welkom.
Rob van Essen wint de Libris Literatuur met “De goede zoon”
Samenvatting
Rob van Essen won de prestigieuste prijs voor Nederlandstalige literatuur. Met zijn boek, “De goede zoon”, won hij verrast van favoriet Ilja Leonard Pfeiffer en enkele andere. Het boek is een ‘moederboek’ maar ook tegelijkertijd een science-fiction roman dat in futuristische era speelt. De hoofdpersonage zit in een zelfrijdende auto en brengt herinneringen op van zijn overleden vrouw. Er zitten schrijnende situaties in en ook een bizarre humor. Van Essen schreef dit boek als eerbetoon voor zijn moeder die hard aftakelde. Hij pakte dit thema eerder humoristisch aan dan sentimenteel. Er zat natuurlijk wel een dosis ontroering in.
Persoonlijke opinie
Ik vind het artikel goed gestructureerd. Lucas Vanclooster, de redacteur, vertelt goed de belangrijke zaken en geeft geen onnodige informatie. Hij gaat niet van een ene onderwerp plots naar het andere, in zijn inleiding schrijft hij over wat de Libris “Literatuur” is. Daarna legt hij uit waarover het boek gaat en vervolgens eindigt Vanclooster wie hij versloeg om de prijs te winnen en de voorgaande jaren heeft gewonnen. Dit artikel zou ik informerend en ook activerend om het boek zelf ook te lezen.
Lucas Vanclooster, Rob van Essen wint de Libris Literatuur met “De goede zoon”, internet, VRT nieuws, 2019-05-06
(https://vrtnws.be/p.mD40PVde7)
‘De goede zoon’ van Rob van Essen, de meester van de plotloze thriller
De goede zoon van schrijver, recensent en vertaler Rob van Essen (1963) is een veelzijdige ideeënroman. In zijn achtste roman verenigt Van Essen meerdere genres tot één organisch, grappig, ontroerend en spannend geheel: het is in eerste instantie een moederboek, maar evenzeer een road novel en een parodistisch scifi-avontuur als een utopische toekomstroman en een schijnbaar postmoderne reflectie over literatuur en kunst. De voorlopige apotheose van een oeuvre dat met iedere nieuwe toevoeging meer indruk maakt.
In De goede zoon slingert Van Essen ons naar een niet zo heel verre toekomst. Veel van de beschreven evoluties in zijn futuristisch universum zijn voor de lezer van vandaag meer dan plausibel of uiterst herkenbaar. In Amsterdam, waar het boek begint, is er bijvoorbeeld een Johan Cruijffplein, een plein dat recent nog omwille van gemeentelijk geknoei geweigerd werd en vandaag niet naar de gewezen voetbalster is genoemd, maar nog steeds gewoon Stadionplein heet. Er is zelfs een Derde Johan Cruijffstraat, een straat die momenteel niet bestaat. Een ‘benzineauto’ wordt bestempeld als een rariteit uit vervlogen tijden en er bestaat ook zoiets als een ‘nostalgiekrant’, een lekker ouderwets dagblad op, jawel, papier. Bovendien is er door de invoering van het basisinkomen een dringend in te vullen overschot aan vrije tijd: het aantal museumbezoeken is nooit zo hoog geweest en velen wagen zich aan het schrijven van een boek of gaan op pelgrimage. Wie tijd heeft, gaat op zoek naar zingeving en werpt zich op zelfexpressie.
Van Essens toekomst wemelt van gadgets: er zijn zelfrijdende auto’s en vrachtwagens, sprekende bedden die slaapadvies geven en stemgestuurde schooltassen die zich op commando vastklikken aan de drager. Iedereen heeft een soort supermobieltje, dat ‘palio’ wordt genoemd, een hoogtechnologisch, multifunctioneel en strikt persoonlijk toestel. In de dienstverlenende sector maken robots de dienst uit. Robots worden kortweg ‘robo’ genoemd en krijgen een functie-aanwijzend adjectief. Een ‘zorgrobo’ werkt bijvoorbeeld in een bejaardentehuis en de bediende in een hotel is een ‘receptierobo’ (inclusief een ‘toetsenborst’ om instructies op in te typen). De robo’s zijn antropomorf: zo hebben zorgrobo’s een aaibare vacht en receptierobo’s gevoel voor humor. Sommige roken om zich nog meer menselijk te doen lijken. Enkele technologische ontwikkelingen zijn op het absurde af nutteloos (toiletten die na gebruik meteen de ontlasting analyseren) of ronduit grotesk (auto’s die seksuele diensten verlenen, cfr. infra). Van Essen vraagt de lezer vanaf de vliegende start een willing suspension of disbelief. Wie hier niet voor open staat, zal deze bij momenten danig psychedelische trip niet weten te smaken.
Het hoofdpersonage is een naamloze ik-verteller, die meteen de lezers voor zich inneemt met zijn beminnelijke en ongedwongen vertelstijl. Hij is een zestiger — niet voor niets staat er op de cover een knappe tekening door Nanja Toebak van een tram, met nummer 6, die volgens het bestemmingsplaatje op weg is naar de ‘remise’ — en de gevierde auteur van een reeks detectiveromans rond een inspecteur genaamd Lennox. Hij staat bekend als ‘de meester van de plotloze thriller’, maar ligt in de clinch met zijn uitgeefster omdat ze vindt dat er in zijn net ingediende boek teveel plot is, wat uiteraard indruist tegen het concept ‘plotloze thriller’. Hoewel de reeks immens populair is, ziet de geestelijke vader ervan deze meer en meer als bandwerk: voor hem is de fut en de fun eruit, zeker nu hij iets nieuws wilde proberen en dit niet wordt gesmaakt.
De verteller start zijn verhaal met een schermutseling in de Albert Heijn in de Amsterdamse Rijnstraat, een ‘bijna ruzie, niet eens echt.’ Een vrouw achter hem in de rij zette het beurtbalkje en haar boodschappen al op de band terwijl hij nog bezig was met hetzelfde te doen. Even flitst het door zijn hoofd alles en iedereen in de supermarkt dood te schieten, maar hij hervindt zijn kalmte door een beroep te doen op de ‘slappe meegaandheid’ die hij overhield aan zijn interesse voor het boeddhisme en enkele afgeronde meditatiecursussen. Eenmaal terug thuis gaat hij om tot rust te komen in de sta-op stoel van zijn zopas overleden moeder zitten. Die elektronisch gestuurde comfortabele stoel maakt een vervelend geluid bij iedere nieuwe positie, ‘Bzzzzt. Bzzt. Bzt.’, een irritant gezoem dat verder in de roman geregeld opduikt en zich als een vervloekte oorwurm in het hoofd nestelt:
Nee, zeg ik, dit is alsof er een insect in m’n hoofd zit, het houdt steeds weer op. Als het tinnitus is, dan is het tinnitus die naar de juiste plek zoekt. Ik had ook kunnen zeggen dat mijn moeder in haar stoel in m’n hoofd zat, maar de vergelijking met een insect lijkt me beter, die vergt in ieder geval minder uitleg.
De stoel staat sinds een week bij de verteller thuis in Amsterdam, nadat hij die heeft laten overbrengen uit het woonzorgcentrum in Huizen, waar zijn moeder op haar honderdste is overleden. De verteller, suf en sentimenteel geworden door de wiegende werking van de luie stoel, mijmert over de lange reis die hij wekelijks op woensdag maakte om zijn moeder te bezoeken. Twintig jaar lang bezocht hij haar — in tegenstelling tot zijn oudere zuster — eerst in de aanleunwoning van het zorgcentrum en later in de gesloten afdeling voor dementerenden:
Ik had visitekaartjes moeten laten maken om aan iedereen uit te delen zodra ik de schuifdeuren van de hoofdingang door was, verplegers, activiteitenbegeleiders, schoonmakers, vrijwilligers, goedemiddag, heeft u mijn kaartje al, ik ben de goede zoon, kijkt u maar, daar staat het, De Goede Zoon, ziet u wel? Trompetters zouden me voor moeten gaan, op de achtergrond zouden violen moeten klinken, het is verdomme een musical, De Goede Zoon.
Hij verliest zich in gedachten over de moeizame communicatie met zijn moeder, maar wordt opgeschrikt door zijn palio die afgaat. Het is Lennox, een vriend en ex-collega naar wie hij zijn detectivepersonage vernoemde en van wie hij in veertig jaar niets meer heeft gehoord. Vanaf dan neemt de plot van De goede zoon een wending die zich het best laat omschrijven als een vrije vlucht.
Veertig jaar terug in de tijd was de verteller een vroegtijdige schoolverlater en kwam als jonge werkzoekende terecht in het Archief van Amsterdam, een plek die op veel vlakken het Meertens Instituut, waar J.J. Voskuils Het bureau (1996-2000) op is gebaseerd, voor de geest haalt. Daar leert hij Lennox en Guido kennen, met wie hij het zogenaamde ‘A-Team’ vormt en duizenden archiefstukken ophaalt in en rond Amsterdam. Ze beleven enorm veel lol en worden echte vrienden. Op het archief zelf loopt ook een mysterieuze leidersfiguur rond, die steeds met zijn familienaam De Meester wordt aangesproken, en naderhand de hoofdverdachte blijkt te zijn in de zogenaamde Batavier-ontvoeringszaak (de referenties naar de Heineken-zaak zijn evident, hoewel het losgeld hier geen 35 miljoen guldens maar wel diamanten betreft). De Meester kiest uiteindelijk als spijtoptant voor een nieuwe identiteit en gaat na zijn geënsceneerde dood — in een vat beton, plons, de Rijn in — door het leven als Bonzo.
Wanneer het jaarcontract van de verteller bij het Archief afloopt, schrijft hij zich in aan de Universiteit van Amsterdam voor een studie kunstgeschiedenis. Hij leert er de Britse Emmy kennen en volgt haar naar Engeland wanneer ze haar studies abrupt afbreekt. De buitengaatse relatie loopt al snel op de klippen en de verteller keert terug naar Amsterdam, waar hij in zijn levensonderhoud voorziet als barman. Inmiddels is hij op aanraden van zijn huisarts in therapie bij een zekere Colenbrander, een personage dat her en der in de roman tijdens imaginaire gesprekken opduikt. In die periode vindt de Batavier-ontvoering plaats en plotsklaps staat Lennox voor de deur: de verteller moet onmiddellijk mee naar ‘het klooster’, waar hij en Guido, die zich ondertussen ontpopt heeft tot een soort gekke geleerde, gekluisterd aan een rolstoel en met hoog Dr. Strangelove gehalte, voor ‘de Dienst’ aan een geheim project werken, gemakshalve Operatie Bonzo gedoopt. Dat project heeft ‘niets te maken met hondenvoer’, maar alles met de nieuwe identiteit voor De Meester. De verteller geeft Bonzo onverhoeds een versie van zijn eigen jeugd.
Na veertig jaar stilte klopt diezelfde Lennox dus opnieuw aan bij de verteller. De Dienst heeft hem nogmaals nodig: Bonzo is zijn geheugen kwijt en de verteller moet dat eindeloos archief aan herinneringen reconstrueren. Op een missie die zeven dagen zal duren gaat de verteller op weg naar het klooster. Het eerste stuk van de reis legt hij samen met Lennox af, ironisch genoeg in een ordinaire benzineauto. Aanvankelijk verloopt de reis zoals te verwachten tijdens een aangename reünie van twee oude makkers, maar onderweg vertrouwt Lennox de verteller toe dat de Dienst hem al jaren in de gaten houdt:
Afgezien van het volstrekt absurde idee is het logisch, ik had het zelf kunnen verzinnen. Als je meewerkt aan een geheim project moet je daar de consequenties van dragen. Maar het is even wennen dat de afgelopen veertig jaar anders zijn verlopen dan ik dacht, of in ieder geval, dat er voortdurend iemand meekeek, dat er blijkbaar voortdurend iemand in mijn omgeving verkeerde die daar was neergezet om alles bij te houden wat ik deed.
Het laatste stuk van zijn tocht dient de verteller alleen af te leggen, in ‘een zelfrijdend geval met veel glas, een soort golfkarretje voor de lange afstand.’ De heerlijk lang uitgesponnen scènes met de pratende auto zijn onvergetelijk, de perfecte premisse ook voor Van Essen om zijn talent voor dialogen te demonstreren. De wagen, die net als Colenbrander met zijn voornaam Jerôme blijkt te heten, doet er alles aan om de verteller gerust te stellen. Hoewel die zich meer en meer ontvoerd begint te voelen, vertelt hij honderduit over zijn moeder (het hoogtepunt is een door merg en been snijdende scène waarin de verteller uiteenzet hoe hij zijn ontslapen moeder aflegde). De dreigende ondertoon in de gesprekken tussen de verteller en Jerôme, doet meermaals denken aan de supercomputer HAL 9000 uit Stanley Kubrick’s 2001 A Space Odyssey (1968). Voor de lezer goed en wel doorheeft wat er precies aan de hand is, blijkt de wagen het vertrouwen van de verteller te hebben gewonnen. Zodanig zelfs dat Jerôme overgaat tot een sensuele massage, die pardoes uitmondt op een stomende sekspartij: ‘Ik huiver, het is op een vreemde opwindend — nee, het is op een vertrouwde manier opwindend, dat maakt het vreemd.’ Van Essens beschrijving van de seksscène is hilarisch, maar nooit wansmakelijk (‘Geen zorgen, ik ben zelfreinigend meneer’), de volgende ‘Bad Sex in Fiction Award’ zal hij ermee niet binnenrijven, integendeel misschien wint hij wel een prijs voor meest memorabele erotische scène?
Ook de wagen is een voorbeeld van hoe technologie onze gedachten overneemt en net als wij begint te denken, de antropomorfisering van de techniek die tot onze dienst staat. Zo zijn er meerdere referenties naar ‘suïcidale zelfrijders’, autonoom rijdende auto’s die net als mensen zelfmoordgedrag vertonen. Wanneer Jerôme enkele knappe vrouwen passeert schakelt hij over in bouwvakkersmodus en toont zich ook van zijn meest menselijke kant:
Lekkere wijven daar links voor die winkel meneer. Kijk dan.
Ik zie het. Rij nou maar door.
Maar hij gaat langzamer rijden, keert op een pleintje en rijdt terug, weer langs de winkel, stapvoets. Hij fluit, en draait een pirouette. Psst! Fukkie fukkie?
Jerôme brengt de verteller uiteindelijk naar het klooster, maar niet zonder hem te waarschuwen voor de ware plannen van Guido en Lennox, namelijk Bonzo’s geheugen (dat eigenlijk dat van de verteller is), voor eens en altijd wissen:
Als ik u verzoeken mag meneer, ga niet naar binnen.
Wat?
Ik moet u hier afleveren meneer, ik kan niet anders, ik heb de afgelopen dagen herhaaldelijk geprobeerd andere wegen in te slaan maar dat kon niet. Ik moet u hier afleveren, ik mag u niet mee terugnemen maar ik kan u wel vragen niet naar binnen te gaan. Maak er een plotloze thriller van.
Op het eerste gezicht lijkt De goede zoon, met de veelheid aan diverse complexe verhaallijnen, de overdaad aan verbeelding en de diffuse reizen doorheen de verteltijd, allesbehalve een ‘plotloze thriller’ (in die zin deed De goede zoon mij trouwens meer dan eens denken aan Infinite Jest (1996) van David Foster Wallace). Er is wel degelijk een opeenvolging van gebeurtenissen met een onderling causaal verband die het verhaal vooruit stuwen, er is, anders gezegd, zeker en vast een intrige met verwikkelingen of in één woord: een plot. Zoals het een goede thriller of detective betaamt, blijft de plot verborgen voor de lezer, die tot aan het revelerende einde in het ongewisse wordt gehouden: pas wanneer de verteller in het klooster zijn eigen geheugen annex verleden dreigt te verliezen (de verwijzing naar de dementerende moeder is evident) volgt er een heuse ontknoping, waarbij het imbroglio aan verwikkelingen eindelijk wordt ontward. Door een sluw gebruik van narratieve technieken maakt Van Essen van zijn roman expliciet het tegendeel van een plotloze thriller. Zo zou je de tocht van de verteller, zijn eigenlijke reis, kunnen zien als een soort ‘MacGuffin’, waarbij het onderweg zijn meer effect op hem heeft dan het eigenlijke doel. Dat doel — Bonzo’s geheugen reconstrueren voor de Dienst — is dan weer een zogenaamde ‘red herring’. Enzovoort enzoverder.
De goede zoon is met andere woorden niet de plotloze thriller waarover de intelligente wagen Jerôme het heeft. Of toch? Van Essens roman etaleert alleszins veel elementen van een thriller, en plotloos of niet, het is hoe dan ook een boek dat voortdurend over zichzelf reflecteert. Van begin tot eind worden we eraan herinnerd dat de verteller van De goede zoon in eerste instantie een schrijver is. Al in de derde zin klinkt het: ‘(…) ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist.’ En in een interview of vraaggesprek met een anonieme entiteit (is het de lezer?) verklaart de verteller:
Tot nu toe heb ik van alles veranderd in het verhaal, en zal dat ook blijven doen, hoe flauw dat soms ook uitwerkt, een ontvoerde biermagnaat die Batavier heet, come on, en Guido heette ook geen Guido, maar om De Meester een andere naam te geven, dat zou geen spel meer zijn, hij heeft al een naam die verzonnen lijkt, dat speelt ook mee, wie heet er nou De Meester en is ons allemaal de baas?
Hij licht zelfs een tipje van de sluier wat betreft zijn schrijftechniek: ‘Maar kijk, de truc is, ik schrijf dit vanuit de toekomst, zoals je ongetwijfeld hebt gemerkt. Vandaar dat ik er zo nu en dan wat postapocalyptische hints tussendoor gooi, en die rare robo’s.’ Hij koketteert met zijn eigen onbetrouwbaarheid (‘maar het kan ook dat ik dat nu pas verzin, terwijl ik dit opschrijf’), maar tegelijk is het volgens hem van belang je als schrijver ‘te richten op iets dat nauw omschreven is’, enkel op die manier sta je ‘in verbinding met de rest van de wereld.’ Op dat vlak beschouwt de verteller zichzelf als mislukt:
Ook nu schaats ik maar wat heen en weer, en blijf ik op onverwachte plekken hangen in plaats van me te concentreren op wat ik nu eigenlijk wil vertellen. Het is, kortom, hopeloos.
Deze uitval herinnert onherroepelijk aan Laurence Sterne’s The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman (1759), een boek dat Van Essen graag zelf had geschreven en dat hem heeft beïnvloed, zo blijkt uit een interview, waarin hij terloops de achttiende-eeuwse roman abusievelijk een eeuw te vroeg dateert. Er zijn bij nader inzien heel wat raakpunten tussen de twee romans. Een gezamenlijk kenmerk is bijvoorbeeld het onconventionele tijdschema, met de vele flashbacks en -forwards, in een verteltijd die zowel degressief als progressief is en waar de gebeurtenissen niet in een chronologische volgorde aan de lezer worden meegedeeld. De vertellers in beide boeken zijn de auteurs van hun eigen ‘autoficties’. De goede zoon bevat net als Van Essens vroeger proza veel autofictionele elementen. Hoewel we weten met fictie te maken te hebben, is het haast onmogelijk om de verteller en de reële schrijver Rob van Essen niet als een en dezelfde persoon te zien, zo veel hebben ze gemeen: ze zijn geboren in Amstelveen, oefenen hetzelfde beroep uit, wonen in Amsterdam in de Diamantwijk, komen uit een strenggelovig nest, vader is overleden, moeder na jarenlange dementie eveneens, ze hebben een Engelse vriendin gehad, zie ook Engeland is gesloten, etc. Terzijde: de verteller is een zestiger, Van Essen is er vandaag 55; Van Essens moeder werd 93, ze overleed begin dit jaar, in de roman werd ze precies honderd: het heden in De goede zoon moet dus ergens rond het midden van de jaren 2020 zijn.
Een andere opvallende gelijkenis met Tristram is het grote aantal uitweidingen, de verhalen-in-verhalen, de associaties, herinneringen en anekdotes, etc. Die narratieve elementen nemen bij momenten zodanig de overhand dat zelf de plot op de achtergrond komt te staan (bijvoorbeeld de lange, bijna therapeutische gesprekken met Jerôme zijn op het randje af postmodern redundant). Maar het belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk is wat mij betreft het feit dat De goede zoon, net als Sterne’s wonderlijke boek, een metafictioneel hoogstandje is. Typerend op dat vlak is de zelfkritiek op het eigen schrijfproces:
Eerlijk, ik dacht dat dit lange hoofdstukken zouden worden, met uitgebreide, in proustiaanse zinnen gevatte beschrijvingen van het gebouw, de gasten en de omgeving. Maar ik zie tot mijn verbazing dat ze niet lang willen worden.
De gelaagde vertelstem — zowel in Tristram als in De goede zoon — behoort toe aan het hoofdpersonage die tegelijk de auteur is van zijn eigen levensverhaal, wat dan weer de roman is die we aan het lezen zijn (als u begrijpt wat ik bedoel). De verteller filtert de werkelijkheid, hij is het geweten van de roman en heeft de touwtjes te allen tijde in de hand: ‘en alles wat nog gaat gebeuren verzin ik erbij.’ Sterne komt soms tussenbeide en spoort de lezer aan niet teveel te geloven van de ‘opinions’ van Tristram, waardoor de echte auteur afstand neemt van de feitelijke auteur. Niet alleen Sterne, maar ook Tristram vraagt de lezer kritisch te zijn en zijn woord niet steeds voor waarheid te nemen. De lezer krijgt hierdoor een actieve en participatieve rol, een call to action die we terugzien in De goede zoon wanneer de verteller uit de doeken doet hoe hij aan zijn bijnaam ‘de meester van de plotloze thriller’ is gekomen.
Sinds de invoering van het basisinkomen is iedereen aan het schrijven geslagen. Robo’s kunnen probleemloos niet onaardige verhalen produceren, maar de lezers die er nog zijn willen iets lezen dat door een mens gemaakt is en het liefst van al het nog zélf schrijven ook. ‘En als ze van mijn generatie zijn’, verzucht de verteller, ‘schrijven ze hun autobiografie, alsof ze de wereld willen beschrijven voordat die verdwijnt.’ Die wereld ís volgens hem al verdwenen, zéker de literaire wereld, waar het gebruik van disclaimers, die de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de plot van een verhaal niet langer bij de auteur leggen, gemeengoed is geworden. Dergelijke disclaimers zijn volgens de verteller niet alleen ‘het eindpunt van de emancipatie van de lezers’ — die geen afwijkingen meer wilden zien in de boeken die ze lazen en niet verontrust wilden worden maar net gerustgesteld —, maar ook het einde van de literatuur tout court. In de tijd dat de verteller tot dit inzicht kwam, schreef hij behalve ‘gewone’ romans ook nog recensies. Wanneer hij een van de te bespreken boeken terloops ‘een plotloze thriller’ noemde, kreeg hij een idee en zette zich meteen aan het werk om precies dat te schrijven, een detective zonder plot. Al snel ontstonden er hele gemeenschappen die massaal plots begonnen te verzinnen bij de steeds populairder wordende Lennox-reeks:
Ik kon de verhalen zo vaag en onsamenhangend maken als ik wilde, sterker nog, hoe vager en onsamenhangender hoe beter, want hoe meer mogelijkheden ik de lezers daarmee bood. […] Bij toeval en zonder het te weten had ik ingespeeld op de behoefte van lezers om niet meer beleerd te worden, geen ondergeschikte positie meer in te nemen. Ik had per ongeluk de toekomst of het einde van de literatuur ontdekt: je geeft de lezers wat ze willen, je laat ze zelf het verhaal verzinnen. Schrijver, lezer, eindelijk was iedereen gelijk – en daarvan kon ik leven!
Iedereen gelijk — schrijver en lezer — tot wanneer de verteller, na tientallen delen plotloze Lennoxen, een bericht krijgt van zijn uitgever, want die heeft in de laatste aflevering een plot ontwaard, ‘met sciencefiction-elementen’, wat natuurlijk in strijd is met het concept van de reeks. Wanneer de verteller stilstaat bij het laatste verhaal dat hij heeft ingediend, realiseert hij zich dat het eigenlijk Bonzo’s verhaal is (freudiaans terzijde: ergens droomt de verteller dat hij van Bonzo bevalt). Met andere woorden, zijn laatste, geweigerde Lennox-verhaal is niets meer of minder dan De goede zoon.
Net als zijn reflectie over het einde van de literatuur voert de verteller een diepgaand discours over het einde van de kunst. Ook die ondergang was voor de verteller verbonden aan een specifiek tijdsmoment en overviel hem als een epifanie:
Ik weet nog wanneer de kunst overleed. Het was op sinterklaasavond 2008, in het Rijksmuseum, toen ik naar For the Love of God ging kijken, die met diamanten bezette schedel die Damien Hirst had gemaakt, of beter: had laten maken.
Door de invoering van het basisinkomen is iedereen niet alleen schrijver geworden, maar zijn de musea nooit zo druk bezocht geweest. Op zijn tocht naar het klooster stopt de verteller onderweg even in een ‘huiskamermuseum’, waar hij onthaald wordt door ene Midas Hirten (een evident anagram van Damien Hirst) die zegt: ‘de hele wereld is museum geworden, de westerse wereld tenminste.’ Wanneer de verteller zich naar de afgeschermde zwarte kubus in het Rijksmuseum begeeft, de plek waar de diamanten schedel van Hirst onder strenge bewaking wordt getoond, komen de meesterwerken uit de Gouden Eeuw die hij moet passeren om tot aan de duistere kamer te geraken, hem grotesk en kitscherig voor. Hij heeft het gevoel dat ze er ter decoratie hangen, als op een koekjestrommel, en dat de zaal een soort wachtkamer is. Wanneer de verteller geconfronteerd wordt met het grijnzende kunstwerk van Hirst (wiens voornaam trouwens een keer verkeerd gespeld wordt; het is helaas maar een van de tientallen ergerlijke typo’s in deze krukkige editie, waarin een onbestaand woord als ‘kakafonie’ tot tweemaal toe wordt gebruikt), wordt het hem teveel en heeft hij het gevoel dat de destructie compleet is:
Het object was veel agressiever dan ik had verwacht, op de posters had hij er bijna aaibaar uitgezien, met dichte oogholtes, bezet met tientallen kleine diamantjes, gesloten holtes waar je graag je duimen over zou laten glijden; maar nu zag ik dat die oogholtes niet helemaal dicht waren, achter in elke holte zat een gat, alsof er dan toch iets van binnen naar buiten keek. In combinatie met die opgewekte lach gaf die veronderstelde blik de schedel iets tartends, waarmee we werden uitgedaagd en meteen overklast, alsof wij, de toeschouwers, eigenlijk helemaal geen rol speelden in zijn bestaan.
Dat de herkomst van de diamanten die gebruikt werden om de schedel te bezetten met geheimzinnigheid is omgeven (zijn de stenen misschien geïnd losgeld?), prikkelt de verbeelding van de verteller. Sterker nog, hij heeft er een deel van zijn Lennox-serie aan gewijd: Lennox en de wachtkamer van de dood. Na het zien van Hirsts schedel heeft de verteller naar eigen zeggen nooit meer een schilderij serieus kunnen nemen: ‘het was afwezigheid van het vermogen om geraakt te worden, dat vermogen was me afgenomen.’
Wat ons brengt naar een boeiende passage over ironie, het niet serieus nemen van ernstige kwesties. Die passage begint met de verbazing die de verteller voelt over de ironie die een receptierobo in een hotel aan de dag legt. Wanneer hij zijn gegevens intoetst op de ‘toetsenborst’ van de robo antwoordt die ‘o dat voelt lekker, meneer, dat voelt lekker.’ Bovendien heeft de robo een soort wasmachinedeurtje ter hoogte van zijn buik waar vuile was in kan gedropt worden. Het zet de verteller aan tot reflectie over het verband tussen kunstmatige intelligentie en ironie. Hij heeft schrik dat ironie weleens de drijvende kracht achter alles zou kunnen worden:
Het is vooral de achteloosheid waarmee de wereld waarin jij je beweegt wordt ontkend, alsof de spot wordt gedreven met de stilzwijgende vanzelfsprekendheid van je omgeving, alsof eenzijdig het contract wordt opgezegd dat de wereld en jij ooit sloten; en dat contract hield in dat je serieus werd genomen, door welke vorm van intelligentie dan ook.
De verteller herinnert zich terstond hoe hij een tweede epifanisch moment heeft gekend toen hij in september 2016 naar het Filmmuseum aan het IJ trekt en gebiologeerd raakte door de reusachtige schommel op de Shell-toren. Die kwam hem plots even absurd voor als de wasmachinedeurtjes in de buik van de receptierobo of de ieder kunstgevoel vernietigende schedel vol diamanten.
Tijdens een hierop volgend meditatiemoment, denkt de verteller terug aan de vurige preken die hij in zijn jeugd in de kerk hoorde (‘ik ben opgegroeid met gedachtegoed dat rechtstreeks uit de zeventiende eeuw kwam’) en verwijst in gedachten naar de beroemde preekscène uit Portrait of the Artist as a Young Man (1916), een boek dat bekend staat om de plotse openbaring (‘epihpany’) die het hoofdpersonage Stephen Dedalus, het alter ego van James Joyce, op Dollymount Strand beleeft en waarin hij resoluut voor de kunst kiest. Dedalus duikt later terug op in Joyce’ Ulysses (1922), misschien wel het bekendste moederboek uit de wereldliteratuur. In het eerste hoofdstuk al maakt zijn huisgenoot Buck Mulligan in de Martello Tower een kwetsende opmerking over Stephens zopas overleden moeder. Van Essens De goede zoon is uiteraard ook een moederboek. En dat wil het ook uitdrukkelijk zijn, blijkens de verschillende referenties naar andere moederboeken:
Wie was dat ook weer, zegt de vriend. Die man die niet huilde om de dood van zijn moeder. Was dat niet in een boek van Camus?
L’Étranger, zegt Colenbrander. Maar volgens mij was het die jongen uit Ulysses, Stephen Dedalus, die niet om zijn moeder kon rouwen.
Er kunnen meer boeken zijn met hetzelfde idee, zegt zijn vriend.
Een schrijnende scène over de ellendig makende eenzaamheid van zijn moeder, haar emotionele blokkade, sluit de verteller af met een begeesterende beschrijving van haar ingebeelde vlucht, weg van haar man, weg van haar kinderen, om dan prompt de genadeloze anti-climax in de maag van de lezer te splitsen: ‘– nee, wacht, dit ken ik ergens van, dit is East of Eden’, inderdaad, nog een bekend moederboek.
In 2006 publiceerde Van Essen wat je zijn vaderboek zou kunnen noemen, Het jaar waarin mijn vader stierf. Het is een aangrijpende kroniek in dagboeknotities over het stervensproces van Van Essens vader, in het jaar dat de auteur bezig was met Engeland is gesloten, zijn roman die rondwaart in De goede zoon. In Het jaar waarin mijn vader stierf beschrijft Van Essen hoe hij zich zeer geregeld vanuit Amsterdam moet slepen naar zijn ouders, in het bijzonder zijn zieke vader, in een calvarietocht die de naamloze schrijver in De goede zoon hem nadoet, maar dan bij het bezoeken van zijn dementerende moeder. Ook in zijn vaderboek doet Van Essen uitgebreid verslag van zijn strenge, religieuze opvoeding, maar net als in De goede zoon, klinkt er niet echt een verwijt door naar zijn ouders toe. De schrijver wil desondanks wel begrijpen waar zijn schuldbesef vandaan komt en dat doet hij door te onderzoeken, te graven en te wroeten, op de enige manier die hij kent: schrijven. In Het jaar waarin mijn vader stierf wordt de schrijversstiel overigens omschreven als het ‘masochistisch beroep bij uitstek: je produceert volkomen vrijwillig iets waar niemand om gevraagd heeft, en vervolgens stel je jezelf open voor wat er maar op je afkomt: prijs mij, negeer mij, sla mij.’
In De goede zoon geeft de schrijver als volgt gestalte aan dat verlammende schuldbesef:
Elke keer als ik door de schuifdeuren van het verzorgingscentrum de straat op stapte had ik het idee dat ik een gevangenis verliet waar ik een bezoek had gebracht aan iemand die onschuldig was veroordeeld en niet begreep waarom niemand zich inspande om dat vonnis ongedaan te krijgen.
De moeder lijkt altijd te ‘winnen’. Tijdens een adembenemend gesprek met Jerôme vertelt de naamloze schrijver over hoe hij jaren aan een stuk boodschappen voor zijn moeder deed:
Dat het twintig jaar zou duren wist ik natuurlijk niet van tevoren. Ik ben er gewoon mee begonnen. Toen mijn moeder na de dood van mijn vader van de aanleuningwoning naar het zorgcentrum verhuisde, kon ze niet meer zelf naar de winkel en was het nodig dat iemand langskwam en boodschappen voor haar deed.
De intelligente wagen annex therapeut reageert rationeel: ‘Zij won hé, zij had in ieder geval nog de boodschappen die u elke keer voor haar ging halen, u ging met lege handen naar huis.’ Waarop de verteller een cynisch nieuw rijm heeft gevonden voor in de musical die ze over zijn gedurende twintig jaar ononderbroken bezoekritueel zouden moeten maken: ‘De goede zoon / Het is geen liefde het is machtsvertoon.’ Ook vandaag blijft Van Essen zijn moeder opduiken, zelfs wanneer hij in de tram in Brussel zit. Het schuldbesef is nog niet weg.
De goede zoon gaat behalve over knagende schuldgevoelens, ook over religie en rouwen. Het begint al met de titel en de motto’s. De zeven dagen durende reis van de verteller verwijst uiteraard naar het scheppingsverhaal. Het eerste motto komt uit de song The good son van Nick Cave, een murder ballad geïnspireerd — net zoals Steinbecks East of Eden trouwens — op het Bijbelverhaal van Kaïn en Abel. Het tweede motto komt uit dé sf-klassieker bij uitstek, Blade Runner (1982), waarin de replicant Leon Kowalski de blade runner Holden neerknalt wanneer die hem tijdens een kruisverhoor vraagt naar zijn moeder. De sf-factor is niet de enige Blade Runner-echo in De goede zoon: de spelletjes schaak op het archief tussen de verteller en Lennox brengen de ultieme schaakpartij tussen Sebastian en Tyrell in herinnering. En het appartementsblok waarnaar de archivarissen van het archief turen, op de loer voor schaars geklede studentes heeft de vorm van een schaakbord:
Acht ramen in de hoogte, acht ramen in de breedte. Die zwarte, dat was G3.
Goed systeem, zei ik, die blonde die ik zag zat op B5.
Kijk, hier hebben we wat aan, zei Lennox.
Van Essen laat weinig of niets aan het toeval over in deze meesterlijk georkestreerde roman. ‘Het gaat om de details’, zegt een personage ergens, een uitspraak die het adagium van Van Essens vakmanschap zou kunnen zijn. De goede zoon is een minutieus uitgekiend verhalennetwerk, een narratologisch labyrint waarin het overheerlijk verdwalen is. Dit is noch liefde, noch een doordeweekse Van Essen, neen, het is overdonderend machtsvertoon.
Verschenen op: De Reactor, februari 2019
De goede zoon van Rob van Essen, Atlas Contact 2018, ISBN 9789025453411, 384 pp.
‘Hier wonen ook mensen’, de nieuwe verhalenbundel van Rob van Essen
Na succesvolle en bejubelde romans als Visser en Alles komt goed gaat schrijver, recensent en vertaler Rob van Essen verder op hetzelfde glansrijke elan, zij het deze keer met een nieuwe bundeling verhalen, Hier wonen ook mensen. Vijftien verhalen die verblijden, verbazen en ontroeren. De bedrieglijke luchtigheid, de verrassende wendingen, de messcherpe observaties, de onderkoelde humor, de laconieke ondertoon: het zit weer allemaal precies juist. Ik zocht de auteur die zich wat mij betreft stilaan de ‘Cheever van de Lage Landen’ mag beginnen noemen op in zijn knus appartement in het zuiden van Amsterdam.
Tijdens mijn zonovergoten wandeling van Amsterdam Centraal naar de Nieuwe Pijp meen ik hier en daar de vleesgeworden personages uit de bundel van van Essen te herkennen. Want dat is naast de vloeiende stijl en de lichte ironie wat ik het meest weet te waarderen in van Essens werk: zijn personages zijn mensen van vlees en bloed, ze lopen gewoon over straat en zijn zo herkenbaar. Ook in de nieuwe bundel zijn mensen zoals u en ik op zoek naar liefde, geluk, verlossing en genade. Terwijl zijn personages in de meest wonderlijke situaties verzeild geraken, lijken ze de greep op het leven te verliezen en is het absurde nooit ver weg. Sommigen raken in de ban van oude boeddhistische rituelen in Korea, maken een boetereis naar Portugal of trekken naar Schiphol om te zien hoe vliegtuigen nu écht landen. Ondertussen komt God langs bij Richard Dawkins, vindt een man plots twee Siamese katten bij zijn schoonouders en wordt een gevallen fietser door engelachtige roeisters in de watten gelegd.
Wanneer de schrijver me ontvangt, neemt hij me mee naar zijn terras waar hij beschut door een parasol Het land 32 aan het lezen was. Van Essen zetelt in de jury voor de Librisprijs van volgend jaar en heeft heel wat boeken te verstouwen. De auteur praat ronduit over zijn tweede verhalenbundel: “Ik houd heel erg van het kortverhaal. Sommigen zeggen dat het verhaal een roman zonder de saaie stukken is.”
In het mooie verhaal ‘Dit is wat ik je beloof’ mijmert het hoofdpersonage dat de 4 mooie roeiende meisjes die hem gered hebben toen hij met de fiets viel, hem nadien geleerd hebben ‘het absurd wonderlijke van het alledaagse’ te waarderen. Dat ene zinnetje bleef bij me hangen. Ik vind dat het toepasbaar is op alle verhalen in de nieuwe bundel, en bij uitbreiding zelfs uw hele oeuvre…
Ja, nu u dat zegt (lacht). Ik heb er zelf nooit zo bij stilgestaan. Maar dat er een absurd of surrealistisch kantje aan mijn werk zit, klopt wel. In Alles komt goed bijvoorbeeld is dat heel erg ver doorgevoerd, net als in Visser, natuurlijk. In beide romans komen de personages door een vrij alledaagse keten van gebeurtenissen terecht in een absurde toestand. Het zinnetje dat u aanhaalt zou als een soort overkoepelende spreuk boven mijn werk kunnen geplaatst worden. Let wel, het absurde spreekt me aan, maar het is voor mijn werk niet bepalend. Ik vind het alledaagse op zich gewoon wonderlijk. Ik woon hier nu 15 jaar en nog steeds zie ik dingen die ik niet ken, die mij verbazen. Zelfs als ik hier op het balkon zit te lezen en ik kijk naar de gevel hier tegenover dan valt me op dat bijvoorbeeld elke baksteen een andere kleur heeft. Dat soort dingen. Ik verbaas me over het alledaagse, dat is een soort grondhouding voor mij. Het is geen bewuste, geaffecteerde daad. Het heeft ook niets te maken met mystiek of ideologie of zo. Het is een deel van wie ik ben.
Die ingesteldheid maakt uw personages niet alleen erg menselijk, maar ook op hun manier uitzonderlijk. Neem nu de jongeman uit ‘Dit is wat ik je beloof’: hij verovert de roeiende meisjes die hem gered hebben na zijn val, behalve dat ene meisje waar hij verliefd op is…
Voor hem komt daar nog een dimensie bij, juist omdat het over seks gaat. Tot dan toe heeft hij laten we zeggen een middelmatig bestaan geleid, waarin hij seksualiteit blijkbaar zag als iets heel groots en heerlijks, iets dat niet voor hem is weggelegd. Juist wanneer hij merkt dat het iets alledaags is, kan hij op een niveau hoger komen. In de zin van: seks is geweldig net omdat het alledaags is. Het écht absurde was trouwens dat toen ik met het verhaal bezig was en ik de plot reeds had, ik langs de Amstel fietste en aan de overkant een ambulance zag staan aan de rand van de rivier ongeveer op de plek waar ik dat ongeluk had verbeeld. De realiteit haalde even de verbeelding in.
Uw opent de bundel met het grappige verhaal ‘Richard Dawkins krijgt bezoek van God’. Een uitgesproken atheïst in gesprek met een goddelijke entiteit: grappig en gevat. Die droogkomische, laconieke toon, op z’n Angelsaksisch, is ondertussen uw handelsmerk.
Ik houd erg veel van het laconieke en tragikomische. Ik ga niet voor de dijenkletser of het vetkomische, maar eerder voor droge humor. Niet eens om alles te relativeren maar omdat als je goed kijkt de wereld nu eenmaal zo in elkaar zit. Ik vind het laconieke een prettige manier om naar de wereld te kijken. Het is een manier van verzoening. In Visser gaat het over zo’n ironische houding en hoe ver je daarmee kan gaan. Want je moet wel uitkijken dat je niet vervalt in een soort über-ironische houding waardoor niets meer telt. Voor je het weet, kan je je onttrekken aan elk vorm van engagement of moraal, als je maar ironisch genoeg bent. Ik heb geprobeerd om in deze verhalenbundel een soort van moraal in te voeren. Het langere titelverhaal ‘Hier wonen ook mensen’ bijvoorbeeld heeft een bijna moralistisch einde. Zoiets had ik vroeger misschien nog niet gedurfd. Ik vind het leuk om het laconiek te houden, maar ik wil spelen met de grenzen ervan.
Er zijn vrij veel verhalen waarin godsdienst of het geloof prominent naar voren komen. Bijvoorbeeld het openingsverhaal, maar ook ‘De godservaring van Walter Denitz’, ‘Het huis aan de Amstel’, ‘De koude steen’, ‘Ik ben al zo moe’, etc.
Nu u ze zo opsomt zijn er wel meer dan ik gedacht had. Dat is bijna de helft. (lacht). Maar goed, ik kom nu eenmaal uit een streng gereformeerde familie en ben met het woord Gods grootgebracht. Het letterlijke geloof in alles wat in de bijbel staat. Ik ben al heel lang geleden van mijn geloof gevallen, maar mijn verleden laat natuurlijk sporen na. Zeker in het verhaal ‘Ik ben al zo moe’, dat tegelijk een absurd verhaal is, waar mensen weglopen uit de kerk omdat ze een klein meningsverschil met de dominee hebben, is uit het leven gegrepen. Dat kwam in die kringen heel vaak voor. Ik heb daar altijd een belangstelling voor blijven houden. Ik denk dat je het godsdienstig zaadje dat ooit ingeplant werd nooit helemaal kwijtraakt. Zo heb ik ook belangstelling in het zenboeddhisme, zoals mag blijken uit het verhaal ‘Het huis aan de Amstel’. Je blijft hoe dan ook een religieus of mystiek gevoel houden. En eerlijk gezegd, ik vind dat steeds minder erg (lacht).
In ‘Het huis aan de Amstel’ gaat u dan ook ongegeneerd de mystieke toer op: het is het breed uitgesponnen verhaal over ‘Ya hou’, een Koreaanse vorm van mediteren door met 2 fietsen met een spinnenweb tussen de voorvorken naast elkaar te rijden zonder het web te verbreken.
Er zit eveneens een gothic kantje aan dit verhaal, met de mysterieuze leidersfiguur in het grote huis en zo. Ik weet nog goed hoe ik op dit verhaal kwam. Een paar deuren verder aan de fietsenstalling zag ik hoe mijn fiets met een spinnenweb vast zat aan een andere fiets. Toen dacht ik, wat zonde om dit mooie web te verbreken, daar zou je eigenlijk gewoon mee weg moeten kunnen fietsen. Het wonderlijk
Een andere element dat geregeld terugkomt in de verhalen is het belang van het geheugen, het opborrelende verleden. Bijvoorbeeld de 2 verhalen rond de tienerrebel Scipio. In het eerste verhaal met Scipio ‘Toen wij Scipio nog niet kenden’ zegt de verteller dat hij over hem een roman zou kunnen schrijven, maar “die roman zal er niet komen. Het voordeel van verhalen is dat je ze kunt vullen met herinneringen zonder dat je te maken hebt met karakterontwikkeling.”
Ja, dat geheugenaspect is mij ook opgevallen tijdens het lezen van de proefdrukken. Zoals u weet, komt Scipio eveneens voor in 2 verhalen in mijn andere verhalenbundel, Elektriciteit. Dat waren een soort bravoureverhalen, de heldendaden van Scipio. Toen werd er ergens op het internet gesuggereerd dat ik een roman over Scipio zou moeten schrijven, maar het werd uiteindelijk een cyclus verhalen. Aanvankelijk wilde ik verhalen schrijven waarin Scipio een steeds onaangenamer karakter zou blijken te hebben. Een held die door al zijn vroegere vrienden wordt verheerlijkt maar een ontzettende etter blijkt te zijn, met fascistische sympathieën desnoods. Dat vond ik dan weer iets te flauw. Dus werden het verhalen over hoe Scipio’s vrienden zich hem herinneren als mensen van middelbare leeftijd. In een volgende verhalenbundel zal ik misschien nog 1 of 2 verhalen aan hem wijden, maar een echte roman komt er niet van.
Een ander prachtig verhaal over de onmogelijkheid van het correct herinneren is het titelverhaal ‘Hier wonen ook mensen’, met een belangrijke rol voor het personage oom Evert. Wanneer de verteller terugdenkt aan een vakantie in Portugal bezit hij enkel “(…) flarden, losse beelden waarvan ik de betrouwbaarheid betwijfel zodra ze zich samenvoegen tot een verhaal; elke ordening lijkt een achteraf verzonnen hulpconstructie.” Die constructie kan bijvoorbeeld bestaan uit het verzinnen van het dubbelgangersverhaal: de vader in het verhaal lijkt als twee druppels water op de scheidsrechter waardoor Portugal niet naar het WK kan. Die Jean Duflex, een Belgische arbieter, bestaat niet, toch?
Nee, die is verzonnen. Dat verhaal heeft me bloed, zweet en tranen gekost. In Elektriciteit staan er ook enkele verhalen rond oom Evert, maar die waren eerder anekdotisch. Dit verhaal heeft een grotere greep. Sterker nog: ik heb er zelf even mee gespeeld om er een roman van te maken. Maar ik vond geen bevredigend einde. Een verhaal als vertelvorm is veel flexibeler en door enkele verrassende wendingen kon ik er een mooier afgerond einde aan breien.
Uw blog is blijkbaar een erg belangrijke uitlaatklep. U publiceert zeer geregeld notities, herinneringen of nieuwe verhalen. Zo zijn enkele verhalen uit Hier wonen ook mensen eerder verschenen op uw blog ‘Reddend zwemmen’. Andere waren eerder al te lezen in magazines, tussen 2010 en 2013.
Ik vind bloggen heel prettig. Ik probeer er minstens 1 à 2 keer per week iets op te posten. Een kortverhaal in aanzet. Of een genre dat ik eerder nog niet had beoefend, de zogenaamde ‘zeer korte verhalen’ of zkv’s. Of de verhalen over Scipio bijvoorbeeld heb ik daar in afleveringen gepubliceerd. Je kan er heel veel in kwijt. Je kan je bijvoorbeeld geheel schadeloos in literaire of andere discussies moeien. Ik zie mezelf niet als polemist, maar ik vind het leuk om op deze manier het debat open te gooien.
In de blog komen ook veel persoonlijke herinneringen voor. Bent u nostalgisch van aard?
Nou, ik heb een nostalgische aanleg, maar ik vertrouw die niet helemaal. Nostalgie heeft iets stroperigs. Daar moet je ontzettend voor uitkijken. Je mag ook niet in de vroeger-was-alles-beter-val trappen. Ik heb op mijn blog een paar herinneringen opgeschreven waar ik min of meer voor de grap boven heb geschreven ‘Schets voor een hoofdstuk uit de ooit te verschijnen korte autobiografie Kind van de verzorgingsstaat’. Maar misschien moet ik die echt ooit eens gaan schrijven. Een soort autobiografie, wars van iedere nostalgie en enkel gericht op de tijd waarin ik opgroeide. De jaren 70 en 80, toen het normaal was dat je een uitkering kreeg en van school ging, dat je links was en tegen het arbeidsethos. De blog stimuleert in die zin ander werk. Het is een soort oefenterrein.
U publiceert nu bijna al 20 jaar. Ik vind het onbegrijpelijk dat u nog geen grote prijzen heeft gewonnen.
Ja, ik debuteerde in 1996. Ik ben mezelf toch heel lang als een beginner blijven zien, een outsider, wat schrijvers misschien wel eigen is. Plots ben je dan een schrijver van middelbare leeftijd en moet je er aan wennen dat een nieuwe generatie opstaat. Maar prijzen, tja, erkenning is natuurlijk altijd leuk. Mijn boeken krijgen over het algemeen vrij positieve recensies. Visser stond op de shortlist van de Librisprijs. Het is een vorm van erkenning en het stuwt de verkoop naar omhoog. Met dergelijke prijzen koop je tijd om te schrijven. Maar in mijn werk zit iets ongrijpbaars. Je kan er niet makkelijk een etiket op plakken. Ik ga nooit uit van één thema, maar begin met een situatie. Dan kijk ik wat er kan gebeuren. Dat vind ik de prettigste manier om te werken, maar daardoor krijg je soms verhalen die op het eerste gezicht minder doorgrondelijk zijn. Misschien zijn mijn verhalen en romans daarom minder populair. Let wel, ik kan mij hier perfect mee verzoenen. Ik voel geen ressentiment noch miskenning.
Waar bent u op dit moment mee bezig, behalve boeken lezen als jurylid?
Ik sta op het punt om aan een nieuwe roman te beginnen. Ik heb er alvast een beurs voor aangevraagd en in oktober weet ik hoe het er hiermee staat. Wat er ook gebeurt die roman komt er sowieso. Ik heb er heel veel zin in. Een roman schrijven blijft toch nog steeds een grote uitdaging. Bij een roman komt er heel wat logistiek kijken. Het overzicht bewaren, tijd overbruggen, locaties zoeken. Bij een verhaal gaat dat sneller. Je kan je beperken tot de hoofdzaak. Het leuke is dat ik nu voor 2 à 3 jaar in die roman kan duiken. En de blog natuurlijk, met de korte hoofdstukken uit de aangekondigde autobiografie. Zoals gezegd, misschien zit daar ook nog wel een boek in?
Verschenen in: STAALKAART #26, 2014
Hier wonen ook mensen van Rob van Essen, Atlas-Contact 2014, 224 pp.
Bezoek de blog van Rob van Essen, ‘Reddend zwemmen’, genoemd naar zijn debuut uit 1996: www.rvessen.wordpress.com