De roeispaan
Zelfs de helderste sterrennacht eindigt in een bad van nevel, dacht hij, terwijl hij de fijne druppels uit zijn wenkbrauwen kneep en uitkeek over de rivier, die hier zo breed was dat ze voor open zee kon doorgaan. Waarom hij de boot gehuurd had, kon hij zich niet meer herinneren. Zodra je het land verlaat, verander je de omstandigheden. Kilo’s wegen minder, mijlen duren langer. Hier gelden andere wetten. Hier was hij vrij en hoefde zich geen zorgen te maken over de lome en hardnekkige beelden die hem achtervolgden.
In het blauwige morgenlicht prikten de felle speldenkoppen van de laatste sterren. Er was haast geen wind. Hij had de motor op halve kracht gezet en het roer vastgesjord. De boot kroop traag naar het midden van de onoverzichtelijk grote monding. Zijn tabak lag op het tafeltje in de kajuit. Hij bukte zich, zette zich op het veel te enge bankje en rolde een sigaret. Het was een gemakkelijke boot, had de man van het verhuurbedrijf gezegd. Twister, Engels fabrikaat van einde jaren zeventig. ‘Met zo’n kiel mag het al aardig stormen,’ had hij hem gerustgesteld. De motor was krachtig genoeg om de rivier op de te varen en een stukje kust af te schuimen. De zeilen kon hij beter laten zitten, hij had immers nauwelijks ervaring.
Hij luisterde naar het kloppen van de schroef in de buik van de boot en trok tevreden aan zijn sigaret. Als hij zijn hoofd buiten stak zag hij hoe de nevel was optrokken tot een paar meter boven het wateroppervlak. Een veelbelovende herfstzon priemde door de dikke mistlaag. Zijn horizon eindigde net achter de boeg, vlakbij zag hij het spiegelende heen en weer van golven die door het zonlicht werden opgerold. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen om het prachtige schouwspel volledig in zich op te nemen, schoot zijn peuk in de golven en liep naar het achterschip om zich weer aan het roer te zetten.
Op het dek zag hij een man die hij niet kende. Hij keek uit over de zee, zuchtend als iemand die ze al jaren niet meer heeft gezien. Toen hij zijn gezicht naar hem keerde, herkende hij zijn vader. Eindelijk. Niet als spookbeeld, maar zoals hij hem gekend had. Rustig, genietend van het uitzicht. Hij wilde hem vragen of hij iets te drinken wilde, wat hij van het klimaat vond dat in deze streken beter is afgesteld op de noden van een mens, wat hij vanavond wilde eten, maar dan bedacht hij zich. Misschien was dit een droom zoals alle andere.
De man keek hem aan zonder iets te zeggen. Voor het eerst sinds lang voelde hij dat hij hem had gemist. De monumentale neus met zijn gekromde rug, die nu glansde in het ochtendlicht. De heldere groene ogen in de diepe afhangende oogkassen, de veel te dikke lippen, die hij te pas en te onpas met zijn tong bevochtigde. Het zwarte strohaar dat de licht afstaande oren stulpte. Alles aan de man dateerde uit de tijd voor hij afstand had genomen, voor zijn vader een slapende vulkaan was geworden, een vorm van angst die hem tot in de puntjes beheerste. De oude man kwam overeind, hield zich vast aan de reling en schuifelde moeizaam in zijn richting. Hij leek hem te willen geruststellen, dat hij geen schrik hoefde te hebben, dat hij hem niets kwalijk zou nemen.
De boot begon te schokken, alsof hij in ondiep water was terechtgekomen en elk moment kon vastlopen. Het geruststellende geronk van de motor klonk nu hees en schril als een overspannen keukenrobot. Hij liep naar het achterschip om de schroef vrij te maken, hij zette zich op de knieën en boog diep over de spiegel, maar hij zag niets dat de werking van de motor kon hinderen. De romp kraakte alsof hij over rotsen schuurde. De boot voer merkelijk sneller. Het kabbelende open water was een kolkende stroom geworden, waarin het schip willoos heen en weer werd geslingerd. De oude man hield zich, schijnbaar onbewogen, vast aan de reling, net als daarnet. Het natuurgeweld liet hem koud.
Vertwijfeld keek hij om zich heen naar de scheepsattributen die hij niet eens kon benoemen. Hoe moest hij zich uit een noodsituatie als deze weten te redden? Dat had de bootverhuurder hem natuurlijk niet verteld. Alles gaat altijd zoals het hoort, zegt het zelfbedrog dat we nodig hebben om te overleven. En wanneer oefen je hoe je moet doodgaan? Niet op een mooie dag als deze? Opnieuw klonk gekraak, deze keer zo luid dat romp moest geraakt zijn. De boot maakte water, want hij hing dieper als daarnet. Golven sloegen nu zo snel op het dek dat hozen niets meer uithaalde.‘Pak de riemen,’ hoorde hij de oude man bevelen.
Hij keek om zich heen en vond aan de onderkant van de scheepsrand twee lange roeispanen. Onhandig duwde hij de man opzij en haakte de riemen in de pinnen. ‘Hou vast’, schreeuwde hij hem toe. Om een kans te maken moesten ze allebei evenveel kracht uitoefenen op de riemen en ze stevig in het water houden. Alleen dan kon de boot zijn evenwicht terugvinden en, in een dieper stuk, weer vlot geraken. Door het geluid van de overslaande golven en het krakende scheepshout was praten onmogelijk. Ze riepen af en toe een woord. ‘Rechts’ of ‘Kijk’ of andere praktisch bedoelde aanwijzingen.
Opeens hoorde hij de oude man schreeuwen. Zijn roeispaan was in het water gegleden. ‘Ik kon er niets aan doen’, riep hij verontschuldigend. Hij wilde hem uitkafferen voor onbenul en idioot en hoe kun je nu zo dom zijn. Maar hij beet op zijn tanden, want misschien was dit helemaal geen droom. De man kwam zijn kant uit en stelde voor om te proberen vaart te minderen, door de enig overgebleven riem bij de boeg in het water te steken. Onzin vond hij dat. En dat zei hij ook. Ze begonnen te kibbelen en sloegen daarbij zo luid aan het schreeuwen dat ze elkaar ook duidelijk konden verstaan. Tot een echt gesprek kwam het niet. De man greep naar de roeispaan en riep: ‘Dan doe ik het wel.’
Elk had een eind van de riem in handen en trok zo hard hij kon. De boot schommelde nog heftiger dan daarnet en was haast volledig ondergelopen. Hij was woedend over zoveel koppigheid en wachtte tot het vaartuig zijn kant uit zou kantelen om een allerlaatste ruk te geven aan de roeispaan. Toen het moment daar was, zette hij zich schrap. Met een hand aan de reling en een ander aan het platte eind van de riem trok hij uit alle macht. De oude man gleed weg en, in een poging om overeind te blijven, botste hij tegen de scheepsrand en viel overboord.
‘Nu ben ik voorgoed verloren,’ dacht hij.











