lank·moe·dig
1. veel kunnen verdragen, verdraagzaam
2. toegevend, geduldig
seen from Malaysia
seen from Maldives

seen from Singapore
seen from United States
seen from Maldives
seen from South Korea
seen from Georgia
seen from T1
seen from China
seen from Maldives

seen from Australia
seen from United States

seen from United States
seen from Pakistan

seen from Pakistan
seen from China

seen from Canada
seen from Pakistan
seen from China

seen from Pakistan
lank·moe·dig
1. veel kunnen verdragen, verdraagzaam
2. toegevend, geduldig
De oude man met de bezem in het magazijn
“Vaak voel ik me de oude man met de bezem in het magazijn”, zuchtte meneer Grambergen en hij keek voor zich uit.
Steven keek hem niet begrijpend aan. Meneer Grambergen zag het.
“Ja Steven. In veel bedrijven heb je in het magazijn iemand rondlopen met een vale stofjas en die de hele dag met een bezem rondloopt. Zogenaamd iemand zonder enige scholing, maar als je vraagt waar iets ligt dan weet hij dat sneller dan de computer. Maar hij weet ook exact wat er allemaal speelt in het bedrijf. En hij weet precies wat er allemaal speelt aan conflictjes tussen afdelingen en achterbakse spelletjes van medewerkers.”
Hij lachte en schudde zijn hoofd.
“Die man loopt langer in het bedrijf rond dan wie dan ook en heeft iedereen zien binnen komen en velen weer weg zien gaan. Hij kent iedereen door en door. Vanachter zijn wat gedateerde bril ziet hij alles en zijn oren zijn ook nog goed.”
Steven zag de man met de bezem langzaam voor zich verschijnen.
“Als je die man een probleem zou voorleggen, dan zou hij je direct de beste oplossing voorschotelen. Maar niemand doet dat. Hij is tenslotte maar een ongeschoolde man. Met een bezem. En een stofjas. In het magazijn.”
Meneer Grambergen zuchtte en ging weer terug naar zijn kantoor. Steven keek hem na. Hij glimlachte. Die meneer Grambergen, met zijn muur vol diploma’s en het bordje met “Drs. J. Grambergen” op zijn bureau. Niet echt een oude, ongeschoolde man met een bezem in het magazijn.
Hij lachte en schudde zijn hoofd.
‘June 2017′ oil on cotton, 30cm bij 40 cm
Ja, die Amerikanen zijn erg grappig. Je lacht je werkelijk een beurs om die "grappige" camfilmpjes van die Amerikanen. Gelukkig is Hans Kraay met die onzin gestopt.
God is een jonge, gekleurde vrouw
Als U de mensen heeft geschapen, wie heeft dan het beest in hen wakker gemaakt? Heeft U dan ook het donker geschapen, het licht, de bloemen en ook de dood?
Creëert U de bliksemschichten of was het een chagarijnig troetelbeertje die zich verveelde, toen twee jonge vrouwen stierven tegen een boom?
Heeft U de Paus hoogstpersoonlijk benoemd? Of is het een mensen-ding dat priesters jurken dragen en aan volle pleinen Uw zegeningen over brengen? Is het niet enkel God die daar het exclusieve recht op heeft?
Waarom noemen mensen uw naam in een adem met boete en schuld? Hoe kwamen zij op het idee om zonden te creëren in een speeltuin dat nog geen angst en schaamte kende?
Ik ken U als een botte oude man, dat in een snoeppapiertje van liefde schuld voert aan kleuters. Ik ken U als de duivel: immer brandend en spontaan. Ik ken U niet als die lieve man die ze zeggen dat U bent.
Er zijn spirituele stromingen die zeggen dat God in mij zit. Dat vind ik een vriendelijkere gedachte dan hoe ik U echt ken.
God is een jonge, gekleurde vrouw.
De roeispaan
Zelfs de helderste sterrennacht eindigt in een bad van nevel, dacht hij, terwijl hij de fijne druppels uit zijn wenkbrauwen kneep en uitkeek over de rivier, die hier zo breed was dat ze voor open zee kon doorgaan. Waarom hij de boot gehuurd had, kon hij zich niet meer herinneren. Zodra je het land verlaat, verander je de omstandigheden. Kilo’s wegen minder, mijlen duren langer. Hier gelden andere wetten. Hier was hij vrij en hoefde zich geen zorgen te maken over de lome en hardnekkige beelden die hem achtervolgden.
In het blauwige morgenlicht prikten de felle speldenkoppen van de laatste sterren. Er was haast geen wind. Hij had de motor op halve kracht gezet en het roer vastgesjord. De boot kroop traag naar het midden van de onoverzichtelijk grote monding. Zijn tabak lag op het tafeltje in de kajuit. Hij bukte zich, zette zich op het veel te enge bankje en rolde een sigaret. Het was een gemakkelijke boot, had de man van het verhuurbedrijf gezegd. Twister, Engels fabrikaat van einde jaren zeventig. ‘Met zo’n kiel mag het al aardig stormen,’ had hij hem gerustgesteld. De motor was krachtig genoeg om de rivier op de te varen en een stukje kust af te schuimen. De zeilen kon hij beter laten zitten, hij had immers nauwelijks ervaring.
Hij luisterde naar het kloppen van de schroef in de buik van de boot en trok tevreden aan zijn sigaret. Als hij zijn hoofd buiten stak zag hij hoe de nevel was optrokken tot een paar meter boven het wateroppervlak. Een veelbelovende herfstzon priemde door de dikke mistlaag. Zijn horizon eindigde net achter de boeg, vlakbij zag hij het spiegelende heen en weer van golven die door het zonlicht werden opgerold. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen om het prachtige schouwspel volledig in zich op te nemen, schoot zijn peuk in de golven en liep naar het achterschip om zich weer aan het roer te zetten.
Op het dek zag hij een man die hij niet kende. Hij keek uit over de zee, zuchtend als iemand die ze al jaren niet meer heeft gezien. Toen hij zijn gezicht naar hem keerde, herkende hij zijn vader. Eindelijk. Niet als spookbeeld, maar zoals hij hem gekend had. Rustig, genietend van het uitzicht. Hij wilde hem vragen of hij iets te drinken wilde, wat hij van het klimaat vond dat in deze streken beter is afgesteld op de noden van een mens, wat hij vanavond wilde eten, maar dan bedacht hij zich. Misschien was dit een droom zoals alle andere.
De man keek hem aan zonder iets te zeggen. Voor het eerst sinds lang voelde hij dat hij hem had gemist. De monumentale neus met zijn gekromde rug, die nu glansde in het ochtendlicht. De heldere groene ogen in de diepe afhangende oogkassen, de veel te dikke lippen, die hij te pas en te onpas met zijn tong bevochtigde. Het zwarte strohaar dat de licht afstaande oren stulpte. Alles aan de man dateerde uit de tijd voor hij afstand had genomen, voor zijn vader een slapende vulkaan was geworden, een vorm van angst die hem tot in de puntjes beheerste. De oude man kwam overeind, hield zich vast aan de reling en schuifelde moeizaam in zijn richting. Hij leek hem te willen geruststellen, dat hij geen schrik hoefde te hebben, dat hij hem niets kwalijk zou nemen.
De boot begon te schokken, alsof hij in ondiep water was terechtgekomen en elk moment kon vastlopen. Het geruststellende geronk van de motor klonk nu hees en schril als een overspannen keukenrobot. Hij liep naar het achterschip om de schroef vrij te maken, hij zette zich op de knieën en boog diep over de spiegel, maar hij zag niets dat de werking van de motor kon hinderen. De romp kraakte alsof hij over rotsen schuurde. De boot voer merkelijk sneller. Het kabbelende open water was een kolkende stroom geworden, waarin het schip willoos heen en weer werd geslingerd. De oude man hield zich, schijnbaar onbewogen, vast aan de reling, net als daarnet. Het natuurgeweld liet hem koud.
Vertwijfeld keek hij om zich heen naar de scheepsattributen die hij niet eens kon benoemen. Hoe moest hij zich uit een noodsituatie als deze weten te redden? Dat had de bootverhuurder hem natuurlijk niet verteld. Alles gaat altijd zoals het hoort, zegt het zelfbedrog dat we nodig hebben om te overleven. En wanneer oefen je hoe je moet doodgaan? Niet op een mooie dag als deze? Opnieuw klonk gekraak, deze keer zo luid dat romp moest geraakt zijn. De boot maakte water, want hij hing dieper als daarnet. Golven sloegen nu zo snel op het dek dat hozen niets meer uithaalde.‘Pak de riemen,’ hoorde hij de oude man bevelen.
Hij keek om zich heen en vond aan de onderkant van de scheepsrand twee lange roeispanen. Onhandig duwde hij de man opzij en haakte de riemen in de pinnen. ‘Hou vast’, schreeuwde hij hem toe. Om een kans te maken moesten ze allebei evenveel kracht uitoefenen op de riemen en ze stevig in het water houden. Alleen dan kon de boot zijn evenwicht terugvinden en, in een dieper stuk, weer vlot geraken. Door het geluid van de overslaande golven en het krakende scheepshout was praten onmogelijk. Ze riepen af en toe een woord. ‘Rechts’ of ‘Kijk’ of andere praktisch bedoelde aanwijzingen.
Opeens hoorde hij de oude man schreeuwen. Zijn roeispaan was in het water gegleden. ‘Ik kon er niets aan doen’, riep hij verontschuldigend. Hij wilde hem uitkafferen voor onbenul en idioot en hoe kun je nu zo dom zijn. Maar hij beet op zijn tanden, want misschien was dit helemaal geen droom. De man kwam zijn kant uit en stelde voor om te proberen vaart te minderen, door de enig overgebleven riem bij de boeg in het water te steken. Onzin vond hij dat. En dat zei hij ook. Ze begonnen te kibbelen en sloegen daarbij zo luid aan het schreeuwen dat ze elkaar ook duidelijk konden verstaan. Tot een echt gesprek kwam het niet. De man greep naar de roeispaan en riep: ‘Dan doe ik het wel.’
Elk had een eind van de riem in handen en trok zo hard hij kon. De boot schommelde nog heftiger dan daarnet en was haast volledig ondergelopen. Hij was woedend over zoveel koppigheid en wachtte tot het vaartuig zijn kant uit zou kantelen om een allerlaatste ruk te geven aan de roeispaan. Toen het moment daar was, zette hij zich schrap. Met een hand aan de reling en een ander aan het platte eind van de riem trok hij uit alle macht. De oude man gleed weg en, in een poging om overeind te blijven, botste hij tegen de scheepsrand en viel overboord.
‘Nu ben ik voorgoed verloren,’ dacht hij.
Ik weet het,
Ik ben niet geacht te voelen wat ik voel,
Maar ik kan me niet bedwingen.
Ik moet blijven gehoorzamen.
Zijn wil is die van mij,
Dat weet hij.
Maar een kind,
Zijn kind,
Zijn bloedeigen meisje.
Men klaagt over geen wind en koele kalmte,
Maar dit is echt een heuse storm.
En een kind,
Zijn kind,
Zijn bloedeigen meisje.
Zo jong.
De dood is een groot kwaad,
Het is alles,
Waar iedereen voor vecht.
En al ben ik nog zo oud,
Ook mijn angst deint niet weg.
Het meisje hoeft niet dood.
Daar is dan het moment,
Ze komen aan,
Iedereen juicht,
Om haar dood?
Waarom,
Waarom wachten we niet,
Als de wind niet waait
De wind kan niet eeuwig (weg)blijven
Ik speel de oude man, de slaaf van Agamemnon, in een stuk van Pauline Mol. Het heet 'Ifigeneia Koningskind'. In woord kregen we de opdracht om een stukje te schrijven dat ons personage zou kunnen vertellen. Dit is het geworden.
korte inhoud:
De Trojanen hebben Helena, de vrouw van de Griek Menelaos, geroofd. Het leger van Menelaos’ broer, koning Agamemnon, is paraat om haar terug te veroveren. Vol adrenaline wachten de soldaten op het strand tot de wind opsteekt. De wind die hen naar Troje zal voeren, aan de overkant van de zee (om oorlog te voeren). Maar er komt geen wind en de mannen worden onrustig en opstandig. De druk op Agamemnon neemt toe: moet hij zijn dierbaarste bezit, zijn dochter Ifigeneia, gebruiken om de goden gunstig te stemmen in ruil voor wind? (korte inhoud -> http://www.rosapeters.nl/index.php/voorstellingen/66-ifigeneia-koningskind)
De bus
De boodschappentas had ik tussen mijn benen op de grond gezet en ik leunde zwaar op mijn wandelstok. Om me heen stonden mensen, net als ik, te wachten op de bus. Het was een koude dag in maart. De rand van mijn hoed sneed in mijn voorhoofd – hij was eigenlijk te klein en ik moest eigenlijk een nieuwe kopen. Sinds mijn vrouw was overleden, stelde ik andere prioriteiten. In de verte zag ik de bus aankomen. Ik verzette mijn wandelstok zodat ik de tas met boodschappen weer kon optillen. Mijn hand trilde er van. De mensen om me heen waren zo vriendelijk om mij eerst de bus in te laten. Ik knikte de mensen toe - lachen kon ik niet meer. Voorzichtig schuifelde ik de bus in en groette de chauffeur. ‘1 kaartje alstublieft,’ mijn stem trilde een beetje toen ik om het kaartje vroeg. De buschauffeur gaf mij een kaartje en nam het geld van me aan. Ik voelde hoe ik opzij werd geduwd. Er liep een jongen langs mij heen het gangpad in. Met een boos hoofd ging hij ergens zitten. Zijn gezicht stond, naast zijn boosheid, erg verdrietig. Ik pakte het wisselgeld aan en liep naar de lege stoel naast de jongen. Zuchtend nam ik plaats en zette de boodschappentas tussen mijn benen – geduldig wachtend op het moment dat de bus begon te rijden. Vanuit mijn ooghoeken bekeek ik de jongen. Ik schatte hem een jaar of negentien. Hij zag er normaal uit, zoals alle jongens van die leeftijd. Maar wat voor kijk had ik daar nou nog op? Ik was veel ouder. Heel veel ouder. ‘Wat kijkt u?’ vroeg de jongen en wierp mij een boze blik toe. Ik zweeg. Ik wist immers niet wat ik moest zeggen. Alles wat ik zou zeggen, zou raar overkomen. Waarom kijkt een oude man van vierenzeventig naar een jonge jongen die zijn kleinzoon had kunnen zijn. Het geluid van de rijdende bus zorgde ervoor dat ik een beetje weg zakte in een dutje. De stem van de chauffeur maakte me wakker. We waren bij de volgende halte. Er stapten mensen uit en er kwamen weer nieuwe mensen bij. De jongen naast me bleef zitten. ‘Wat er ook is gebeurt, boos zijn heeft geen zin. Daar wordt het in de toekomst alleen maar ellendiger van,’ mompelde ik terwijl ik voor me uit bleef staren. In mijn ooghoeken zag ik dat de jongen zich naar mij toedraaide. ‘Heeft u kinderen?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Dan weet u niet waar u over praat.’ Ik schudde nog een keer mijn hoofd. De jongen maakten aanstalten om uit te stappen, hij pakte zijn tas op en liep richting de deur. Ik keek hem na. ‘De kracht zit in vergeven. Boos blijven heeft geen zin,’ riep ik hem nog na maar hij was al weg.