rol·le·bol·len (rollebolde, heeft gerollebold) 1 spelend van een helling afrollen, over de kop rollen 2 (informeel) vrijen, vrijerig stoeien
Trok de kleren van je lijf Rollebollend door de ruimte Waarna jij plots’ling kletsnat werd ’t Was me echter niet ontgaan Hoewel jij toen flink opgewarmd Was het omgekeerde waar Want hoe heter jij het kreeg Voelde jij steeds droger aan












