In de hoek, aan twee kanten glas, daar staat ons tafeltje. We lopen naar de counter om er wat appeltaart en thee te bestellen. Groene thee met citroen voor mij, zij drinkt liever rooibos. De bediende pakt twee bordjes uit de koelvitrine, haalt het plastic eraf en spuit slagroom op de taartjes. De thee wordt voorzien van een koekje en dan is het voor de uitbater degelijk genoeg. De bestelling gaat op een dienblad, de gebakjes half op elkaar en daarnaast slechts één glas thee. De gammele constructie maakt dat ik het dienblad met twee handen moet dragen. Het tweede glas thee neemt zij mee naar de tafel.
De tafel wankelt, merk ik als ik het dienblad neerzet. Ik wiebel er een keer mee om te zien welke poot ongelijk staat. Dan haal ik een stukje papier uit mijn portemonnee, een oud treinkaartje, vouw ik het dubbel en schuif ik het onder de poot. Dan pak ik de thee aan en zet ik ook die op tafel. Ze gaat zitten en na haar doe ik hetzelfde.
“Hoe lang lig je hier al?” begin ik het gesprek.
“We zijn hier nu vier dagen. We blijven tot morgen. Jullie?”
“Ik ben alleen,” antwoord ik, waarna zij begint te blozen. “Ik ben hier gisteren aangemeerd en ik heb nog geen idee wanneer ik weer vertrek. Ik ga als ik het hier weer beu ben. In ieder geval tot morgen.” Bij het maken van die laatste opmerking knipoog ik. Nu begint ze nog erger te blozen. Ik kijk in haar blauwe ogen, een kalme rivier. Ik stop met spartelen en blaas alle lucht uit mijn longen. Ik laat me meevoeren door het water. Ik voel het zoete water in mijn ogen. Mijn armen en benen drijven volledig ontspannen naar de diepte. Het zonlicht schittert in de rivier. Ik zie de reflecties van de andere kant. Net voor ik geen lucht meer krijg, zwem ik naar boven. Ik klim uit het water en ga aan tafel zitten. De thee is inmiddels koud. Met mijn voeten nog in het water drink ik hem op.
Die avond slaapt ze bij mij. Samen op de boot. Een klein exemplaar met benedendek niet meer verblijfsruimte dan in de cabine van een vrachtwagen. Ik zorg voor wat sfeer door kaarsen aan te steken. Ik heb een fles wijn geopend en de radio aangezet. De rivier is wild; de boot schommelt hevig. De deur en de ramen moeten dicht anders spat het water binnen. Alle boten, groot en klein, lijken los te willen komen van de kaai. Ze trekken aan de touwen. De meeste schippers zijn aan wal gegaan en kijken daar vanuit de restauratie naar de rivier. Wij blijven aan boord. Ik ben erger gewend, zij vertrouwt me.
Na een paar uur wordt de rivier weer rustiger. De enige schade zijn wat rodewijnvlekken op onze kleren. We gaan op het dek zitten en praten en drinken de hele nacht. We zien hoe de wereld wakker wordt. Als eerst beginnen er treinen te rijden. Langzaam loopt het treinstation vol. Dan stopt er een enkele bus. De restauratie gaat open. Mensen moeten wachten op hun vertrek, zoals wij al uren wachten op haar vertrek. Vervolgens wordt de zon wakker, het teken dat menig schipper bijna vertrekt. Ze moet een verre reis maken. Ik kruip tegen haar aan en pak haar stevig vast. De zon wordt door de wolken verduisterd. Binnen het uur ziet de hemel zwart.
Ik geef haar nog één zoen. Op mijn voorhoofd voel ik de eerste druppels vallen. Ik leg mijn hand op haar achterhoofd en trek haar nog iets naar me toe. De druppels zijn regen geworden. Met mijn andere hand pak ik haar wang vast, ze kreunt. Dan laat ik mijn hand naar beneden glijden. Over haar rug naar haar billen. Ik knijp er een keer in. Ze kreunt nog eens. Mijn haren doorweekt, bij haar druipt het water langs haar wangen. Ik druk haar bekken naar voren en druk de mijne er tegenaan. Dan trek ik haar hoofd aan de haren naar achter. Met een smak komen onze lippen van elkaar los.
Onze handen in elkaar en de kleren doorweekt. Ik staar haar in de ogen, troebel. Ze laat mijn handen los en doet een stap naar achteren. Ze stapt van de boot en rent naar haar vader. Ook ik klim van de boot. Ik loop naar het station, de restauratie binnen. Ik ga zitten aan het tafeltje in de hoek en kijk door het raam hoe haar boot de haven verlaat. Ze vaart landinwaarts.
De regenbui is weggetrokken. Ik leg me te drogen op het dek. De dagen die volgen, is er geen wolkje meer te zien. Iedere morgen begin ik in de restauratie met een thee en een stukje gebak. Vervolgens geniet ik van het land. Op mijn slippers en in korte broek slenter ik door de binnenstad. Half naakt bak ik aan het strand. Na een week is mijn lichaam uitgedroogd. Ik start de motor van mijn boot en zet koers: landinwaarts op zoek naar water.
Beeld: Kakmann
Tekst: Bakkes
www.facebook.com/bakkesenkakmann