Gerechtshof Den Haag
Aan A Ltd., een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap die in Nederland over een vaste inrichting beschikte, zijn twee naheffingsaanslagen in de loonbelasting opgelegd die onbetaald zijn gebleven. De ontvanger heeft een eerste verzoek om uitstel van betaling afgewezen. Belanghebbende heeft in de jaren 1997 tot en met 2002 werknemers van A Ltd. ingeleend waardoor de ontvanger meende dat sprake was van een inlenersaansprakelijkheid voor de loonbelastingschulden van A Ltd. Belanghebbende had geen bedragen op een zogenoemde g-rekening gestort ter afwering van deze aansprakelijkstelling. Hof Den Bosch (26 april 2006, nr. 03/01512, NTFR 2006/1494) heeft het beroep tegen deze aansprakelijkstelling ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Hoge Raad (19 december 2008, nr. 43.282, NTFR 2009/56) is vernietigd onder verwijzing van het geding naar Hof Arnhem. Dat hof heeft (2 november 2010, nr. 08/00610, NTFR 2010/2697) de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aansprakelijkstelling verminderd. De Hoge Raad heeft de uitspraak van Hof Arnhem vernietigd en het geding verwezen naar Hof Den Haag (HR 11 mei 2012, nr. 10/05330, NTFR 2012/1334). Hof Den Haag oordeelt dat, tegenover de betwisting daarvan door belanghebbende, de ontvanger op goede gronden heeft verdedigd dat de verjaring was geschorst en gestuit. Voorts oordeelt het hof dat de ontvanger een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt om tot invordering bij belastingschuldige dan wel bij derden via aansprakelijkstelling over te gaan, waarbij de ontvanger onderzoek dient te doen naar de financiële situatie van belastingschuldige en of het stellen van zekerheid door de belastingschuldige is geboden. Tot de aanwezigheid van een plichtsverzuim aan de zijde van de ontvanger kan volgens het hof niet worden geoordeeld. Het gelijk is aan de zijde van de ontvanger wat betreft de stuiting van de verjaring. Er is geen aanleiding om de aansprakelijkstelling verder te verminderen dan Hof Arnhem reeds heeft gedaan.
(Hoger beroep ongegrond)
Commentaar mr. R.B.H. Beune
‘Het is nu aan Hof Den Haag om te beoordelen of belanghebbende in dat bewijs zal slagen’, zo eindigde ik mijn commentaar bij HR 11 mei 2012, nr. 10/05330 in NTFR 2012/1334. Belanghebbende had meegedeeld nader bewijs te kunnen leveren over ontvangen verklaringen van betalingsgedrag. Als belanghebbende daarin zou slagen, zou dat een aanzienlijke vermindering betekenen van de beschikking aansprakelijkstelling op grond van art. 34 IW 1990. De Hoge Raad oordeelde dat een zorgvuldig gebruik van de beleidsvrijheid die de ontvanger heeft om aan de belastingschuldige/uitlener uitstel van betaling te verlenen en om daarbij zekerheid te vragen, betekent dat de ontvanger rekening moet houden met de belangen van de inlener. Bij het verlenen van uitstel kan de ontvanger niet met minder zekerheid genoegen nemen dan bij een behoorlijke uitoefening van zijn taak van de uitlener zou zijn verlangd. Dat de ontvanger een inlener aansprakelijk kan stellen, is niet relevant voor de afweging of er sprake is geweest van een behoorlijke taakuitoefening. Daaruit vloeit voort dat als de taakuitoefening niet behoorlijk is aansprakelijkstellingen achterwege moeten blijven als de inlener te goeder trouw afgaat op verklaringen van betalingsgedrag.
Dat is anders als blijkt dat de verklaring betalingsgedrag niet van recente datum is. En daar gaat het fout voor deze belanghebbende. Hij had al aangetoond over een verklaring over de uitlener te beschikken en had bewijs aangeboden voor nog meer verklaringen. In dat bewijs slaagt hij niet. Omdat de uitlener op maandaangifte stond, kon er elke maand een nieuwe verklaring worden gevraagd (via de uitlener) bij de ontvanger. Dat was achterwege gebleven. Belanghebbende is dus niet in staat om zijn bewijsaanbod gestand te doen. Het hof oordeelt dan ook dat de vermindering van Hof Arnhem terecht was en dat de hoogte van de aansprakelijkheid geen aanpassing meer behoeft.
Uit de overwegingen van het hof over de verjaring blijkt dat de ontvanger zijn administratie op orde had. De ontvanger kan aantonen dat hij uitstel van betaling had verleend en op 4 januari 2008 via de officier van justitie de verjaring had gestuit. Betekening aan de officier was mogelijk/noodzakelijk omdat de uitlener een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde Ltd. was. Tot 4 januari 2013 was er geen probleem voor de ontvanger. Het hof oordeelt dat op 15 oktober 2012 aan belanghebbende een stuitingsbrief is gezonden. Art. 27, lid 2, IW 1990 maakt het al enige tijd mogelijk om bij belastingschuldige, die is opgehouden te bestaan en voor wiens belastingschuld aansprakelijk is gesteld, de verjaring te stuiten door een brief aan de aansprakelijkgestelde te sturen. Uit de feiten kan ik niet afleiden dat de Ltd. is opgehouden te bestaan. Gelet op het oordeel van het hof ga ik daar wel van uit. Maar als de Ltd. niet is opgehouden te bestaan, had de ontvanger wederom aan de officier de verjaring moeten stuiten. En dat is niet gebeurd, zodat in het geval van een nog bestaande Ltd. er sprake zou zijn van verjaring van de belastingschuld en het niet kunnen innen van de aansprakelijkheid. (Bron: NTFR2014-2118)
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:2124











