Chladni-patronen zijn figuren in een plat vlak die optreden als dit vlak resoneert met specifieke toonhoogten. Slaginstrumenten met een definieerbare toonhoogte vertonen dit soort trillingspatronen. Dit verschijnsel is rond 1782 ontdekt door Ernst Chladni.
Chladni-patronen ontstaan door heel fijn en licht poeder (zand of Lycopodiumpoeder) te strooien op een trillend vlak, zoals het blad van een gitaar of een viool. Door de trillingen tekenen zich in het poeder de "knopen en buiken" af van staande golven. Het vlak kan in trilling worden gebracht door het met een strijkstok aan te strijken. Dat moet gebeuren aan een vrije zijde van het vlak. Met een vinger moet een andere kant van het vlak zacht worden tegengehouden, om enige demping te krijgen. Het poeder blijft niet liggen op de bewegende delen van het trillende oppervlak, maar verzamelt zich in de knopen. Zo ontstaan mooie patronen. Door de plaats van het strijken, of de plaats van de vinger te variëren worden andere trillingmodes aangestoten. Het experiment vereist veel ervaring om uit te voeren en is niet eenvoudig.








