Ik was dus bij Dolly geweest. Het was wel goed. Een eekhoorn een walnoot zien eten. Ze krijgen iedere dag 12 walnoten. Hetzelfde aantal iedere dag in zo’n speciaal eekhoornvoederhuisje. ( Je kent ze wel. Met een schuin dakje en doorzichtig muurtje met een eekhoorngat erin.) Als ze echt honger hebben gaan ze er bijna helemaal in. Dolly houdt dus ook van het bos en een biertje op zijn tijd.
Beerie zou het niks verbazen als Dolly drankverslaafd is. “Geeft niks’, zei Beerie, maar natuurlijk geeft dat wel. Ze is heus niet drankverslaafd. Er lag vorige keer wel een boekje getiteld ‘Verslaving en EMDR’ op haar bureau, maar dat was vast voor een cliëntje, óf/en om up to date te blijven in haar vakgebied ‘complex trauma’ en dan met name dissers, zoals ze mij ook noemt. Nou uh, nee Dolly: Ik ben geen disser. Ik ben een heel klein lief meisje dat vanavond gaat slapen en morgen stijf van angst weer wakker wordt. Het leven ja, dat geeft mij een vette dis, maar ik ben het niet.
Dolly gelooft dat ik geen borderline heb en eigenlijk mag ze precies dezelfde mensen als ik. En ze weet precies met welke psychiater ik niet kan werken. Ik heb het gevoel dat ze het mij ook niet kwalijk neemt. Ze is lief. En aanhoudend.
En een beetje ingewikkeld. Maar ook weer duidelijk en helder. Maar door mijn disso krijg ik niet alles mee. Ik houd niet van de drukke wachtkamer. En van mensen die in het keukentje komen.
Voel je thuis, zei ze. Ik lachte schamper denk ik, op dat moment. Want ik voel me nergens thuis. En al helemaal niet in zo’n kleine klote therapeutische psychologen keuken. Maar ik denk wel dat ik er de volgende keer een koffietje pak en dan bij het raam naast haar deur op de gang ga wachten, want die volle wachtkamer kan van mij de tyfus krijgen.
Daar zitten mensen… van veertig, vijftig jaar als bange kindjes om zich heen te staren. Vandaag moest ik er een beetje om lachen. Niet omdat het leuk was, maar zo bizar. Dat al die volwassen mensen zich erkent willen voelen, in hun gekwetste kindje in hun buik. En of je nou twintig bent of tachtig: Iedereen heeft daarin behoefte aan erkenning. En ik?
Ik stuiter met mijn I-Podje op heen en weer. Hinkel de pinkel. Ik glij langs de drukke open wachtkamer, dat keukentje in. En staar continu of er plek is voor mij. Of ik ergens even kan landen.
Een nieuwe plattegrond voor de wachtkamer met tips en tricks heb ik op de terugweg in de meedenkbus gegooid. En zolang daar niets in verandert ga ik koffie kopen voor gratis bij die keuken en wacht ik voor haar deur. Ernaast. Een paar stappen ernaast. En als Dolly dan naar buiten komt, zeg ik ‘hoi’ en glip naar binnen. Want ik maak zelf wel uit wat ik doe.
En dat is niet op de lip zitten van gekwetste innerlijke kindjes, maar vrij ergens chillen waar mijn ziel tot adem kan komen. Waar mijn ziel vrij tot adem kan komen dus.