‘Ongediplomeerde havisten zoeken nieuwe route naar hbo’
Wanneer we het hebben over VSV’ers, gaat het vaak over uitvallers op het vmbo en het mbo. Maar hoe zit het met de havisten? Waarom vallen zij uit? En wat gebeurt er vervolgens? ‘Het is zoeken naar een nieuwe route’.
In Sittard en Geleen is het aantal VSV’ers op de havo in 2013 0,3 %. Wiel Botterweck, directeur samenwerkingsverband VO Westelijke Mijnstreek: “Dat zijn geen grote cijfers, maar toch is het goed om er in bredere zin, kijkend naar de af- en doorstroom, aandacht aan te besteden. Feit is dat er steeds meer leerlingen naar de havo gaan. Er is maatschappelijk druk om dat te doen. Dat begint al bij het advies van de basisschool.” Paul Smit, loopbaanadviseur van de Trevianum Scholengroep in Sittard: “De leerlingen die uitvallen zitten meestal in de groep die het moeilijk heeft op de havo, maar voor wie vmbo gemakkelijk is. Ik vind het geen probleem dat zij havo ‘proberen’, maar we moeten wel accepteren dat het geen schande is als het niet lukt.”
Via het mbo
Wie vallen er uit? Ten eerste jongeren voor wie havo te hoog gegrepen is, dit zijn vaak dit jongeren die in hetzelfde of in twee opeenvolgende jaren doubleren. Deze jongeren maken na havo2 de overstap naar vmbo-tl3, of na havo3 gaan ze verder in vmbo-tl4. Ook jongeren die na vmbo-tl4 havo proberen maar het te moeilijk vinden vallen uit. En jongeren die in havo5 zakken voor hun eindexamen. “Dan moeten we op zoek naar een nieuwe route”, vertelt Smit. “Die vervolgt voor velen in het mbo. Geen leuke boodschap voor leerling en ouders, maar tegelijkertijd ook geen verkeerde. Want het is niet zo dat hbo niet weggelegd is voor deze leerlingen, dat zij hun dromen moeten opgeven. Nee, de route is anders.”
Ouders informeren
Vaak is het niet alleen voor leerlingen jammer dat havo niet lukt, maar ook voor hun ouders. Botterweck: “Ik denk dat het belangrijk is om ouders al eerder in het proces te informeren over de mogelijkheden. Vaak horen ouders wel dat het niet zo voorspoedig gaat met hun zoon of dochter op school, maar dat als hij zijn best doet, het nog kan lukken. Aan het eind van het jaar blijkt dan opeens dat het niet gelukt is en de mogelijkheden zijn uitgeput. Dat kan een schok zijn voor ouders.”
Verkeerde keuze
Een andere groep mbo-instromers heeft geen goede studiekeuze gemaakt na de havo voor hun hbo-opleiding. Op het hbo is gemiddeld 25% van de studenten gestopt na een jaar studeren. Smit is ervan overtuigd dat de meeste van deze jongeren in tweede instantie een studiekeuze maken die beter bij hen past.
Geen degradatie
Hij vindt dat er sowieso te negatief gedacht wordt. “Leerlingen die naar het mbo vertrekken of een andere keuze maken, hebben profijt van hun tijd op de havo of het hbo. Ze hebben er extra vaardigheden geleerd waar ze hun verdere schoolloopbaan wat aan hebben. Het voelt misschien als een degradatie maar dat is het niet. Voor leerlingen kan het ook prettig zijn om niet meer met de hakken over de sloot te gaan, maar juist mooie cijfers te halen. Vaak vinden HAVO scholen het ook lastig om een leerling te laten gaan. Dat hoeft niet, heb vertrouwen in collega-opleidingen. Die leerlingen komen er wel.” Volgens Botterweck heeft dat vaak ook te maken met het ‘onderwijshart’. “Er is een grote gunfactor voor de harde werker. Maar soms is professionele afstand noodzakelijk om een goede keuze te maken.”
Portfolio in overdracht
Daarbij moeten scholen gebruik maken van de eigen expertise op het gebied van loopbaanbegeleiding. “Het is aan het hele team van docent, mentor en loopbaanbegeleider om de leerling te helpen met het bepalen van een nieuwe route”, vindt de coördinator van het samenwerkingsverband. Smit knikt: “Onze leerlingen verzamelen heel veel informatie over het eigen functioneren en nemen dit op in een doorstroom- en uitstroomportfolio [http://www.vsvlimburg.nl/post/89740256055/zoeken-naar-de-match]. Hierin staat van alles over hun leerstijl en studiehouding, aanwezige leercapaciteiten, vaardigheden en leervoorkeuren. Die informatie maakt het makkelijk om nieuwe keuzes te maken. Ik pleit bovendien voor een warmere overdracht. Mijn doel is dat ontvangende scholen zo’n portfolio in handen krijgen en er hun voordeel mee doen. Liefst met een motivatiebrief van de leerling bij de hand.”
‘We doen te weinig met de informatie die voorhanden is’
Meer dan vakbekwaamheid
“We moeten kijken naar wat studenten nodig hebben om succesvol te kunnen participeren in de maatschappij, dat gaat verder dan vakbekwaamheid”, aldus Botterweck. “Het is jammer dat er zoveel informatie voor handen kan zijn, maar dat we er nog te weinig mee doen. Een docent kan uit zo’n portfolio bijvoorbeeld leren welke leerstijl bij een leerling past. Daar heb je in de klas ook wat aan.” Smit vult aan: “Gebruik die onderzoeksresultaten om studievaardigheden verder te ontwikkelen en train je leerlingen in het optimaal gebruiken van hun persoonlijke leerstijlen.”
Leren van meten
Smit pleit voor een meer optimistischere kijk op het succes van een havo-schoolverlater in een vervolgstudie. “Een betere loopbaanbegeleiding is belangrijk voor de kwaliteit van de overdracht maar ook voor alle belanghebbenden in het lob-proces. Het helpt mentoren en coördinatoren om inzicht te krijgen in lob. En het is een middel om ouders vaker voorlichting te geven en dat op een eerlijke manier doen. Maak gebruik van alle informatie rondom leerlingen die door de jaren heen verzameld wordt. Meten is niet alleen weten. Meten is delen, teruggeven, inzichtelijk maken en ervan leren.”
Toekomst
Hoe kunnen we hiervan leren voor de toekomst? “We kunnen uitval in de toekomst verder voorkomen door meer aandacht te besteden aan het voorwerk dat in het vo is gedaan”, vervolgt hij. “Ook kunnen we stappen zetten door de kwaliteit van het onderwijs onder de loep te nemen. Daarbij moeten we docenten helpen in hun didactische aanpak van ‘het nieuwe leren’. Denk aan gedifferentieerd en gepersonaliseerd leren. Daarnaast moeten we stil staan bij de manier waarop de scholier leert en de student studeert.”