hoi. ik moest opeens heel breed lachen tijdens het eten. echt heel erg breed. en ik wilde in het rond springen, maar dat kon niet, want dan zou ik stikken in mijn macaroni.
mijn moeder noemt me altijd stoïcijns. mijn opa doet dat ook altijd. dan vraagt hij: wat gaat er in dat hoofdje van jou om? en ik zocht het op in mijn woordenboek. er stond: onverstoorbaar, gelijkmoedig. dat je je niet van je stuk laat brengen.
maar het klopte niet. ik lijk stoïcijns. ik moest niet huilen. ik moest nooit huilen bij slecht nieuws. o, dacht ik, o. en als ze dan om mijn mening vroegen, wist ik nooit hoe te antwoorden. en dan zei mijn moeder altijd: je moet meer praten. en mijn vader: laat meer van jezelf zien.
sorry. ik doe het in mijn eentje. ze zeggen dat verdriet of geluk samen altijd beter is. dat is het ook. maar meestal doe ik het allemaal in mijn eentje. hoe kon ik ook anders? niemand had dezelfde muzieksmaak als ik, niemand had dezelfde filmsmaak als ik, niemand las dezelfde boeken of dacht of voelde dezelfde dingen. wat voor nut had het dan om te praten? om mezelf te laten zien? als ze het toch niet begrepen?
maar nu geloof ik niet meer dat ik alleen ben. ik ben niet alleen, maar de eenzaamheid is er nog steeds. en ik weet dat die komt en gaat en niet zeker is en dat ik er zelf over beslis. dat denk ik, in ieder geval.
het gebeurt zo vaak dat ik in de klas zit en om me heen kijk en iedereen even bekijk en dat ik dan moet lachen. en dan vraagt degene naast me soms waarom ik lach en dan geef ik nooit eerlijk antwoord, maar eerlijk gezegd weet ik niet wat het antwoord. ik moet lachen om de raarste en de kleinste dingen.
ik ben gewoon een beetje een raar kind.