Iemand vraagt, “Gaat het wel?”, en dat is nu net het ironische. Ik heb me nog nooit zo goed gevoeld. Ik geniet van de dingen rondom mij. Meer dan ge denkt zelfs. Ik probeer geen insecten te doden, omdat één, hun bestaan (voorlopig) meer nut heeft dan het mijne en twee, omdat ze minstens evenveel recht hebben op een volwaardig bestaan als ik. Ik zeg iedereen die ik voorbij loop, of tegenkom, gedag en knipoog naar alle dieren. Soms praat ik er zelfs tegen. De prachtige natuur en de mooie (en minder mooie) gebouwen in mijn omgeving bewonder ik elke dag opnieuw, alsof ik ze telkens voor de allereerste keer bekijk. Misschien doe ik dat ook wel, op mijn manier, in een nieuw perspectief. Ik ben bewust geworden van mijn eigen ademhaling en begin langzamerhand mijn lichaam te aanvaarden voor wat het is; een blanco canvas. Mijn kunstwerk in wording. (En kunst is altijd schoon, voltooid of niet). Toch voelt niets aan als een thuis, voel ik me nergens thuis, maar ik weet ook niet of dat een noodzakelijk iets is. Misschien ben ik wel een reiziger en niet iemand die blijft.