Nog een virus
„Weet je nog dat ze vlak bij ons huis was, en weer helemaal terug naar huis reed, omdat ze de afslag niet kon vinden?” Haar jongste kleinkind was jarig en het wachten was op oma. Maar oma kwam niet. Een uur heen, een uur zoeken en een uur terug. Achteraf was het de laatste keer dat ze, alleen, zo’n lange rit in haar auto aflegde. Oudejaarsavond, een week voordat we haar zouden verhuizen naar het verpleeghuis, sliepen mijn broer en zijn gezin bij mijn moeder. Ze was oprecht stomverbaasd over het vuurwerk. „Dat heb ik nou nog nooit gezien!’’
Mijmerend kijk ik naar buiten. De weilanden schieten aan ons voorbij. Mijn broer drukt behoedzaam op de knopjes op het dashboard. Ik zie mijn jonge moeder voor me, haar geconcentreerde blik, hoe ze begon met het overtrekken van de patronen op het knisperende papier, het uitknippen, het afspelden op de stof, geroutineerd, met een speld in haar mond.
Sinds de medicijnen tegen verwarring zijn teruggebracht tot een minimale dosis, is mijn moeder minder suf. Noemt me haar zus, herstelt zich „dit is mijn dochter en dit is mijn zoon” zegt ze tegen de verzorger. Mijn moeders schouders zijn knokig, haar wangen ingevallen. Ik denk aan haar stevige, gebruinde armen, haar ronde gezicht. Als ze slagroom had geklopt, likte ze de garde af, haar ogen toegeknepen. „Heerlijk!”, zei ze dan, uit de grond van haar hart. Jarenlang verkocht ze brood en gebak in de plaatselijke patisserie. Ze hoefde niemand te overtuigen.
De Brasserie in het tehuis is sinds maanden weer open. Mijn moeder zit achter een kop thee, neemt voorzichtig een hapje van haar cake. Lang had ze gekeken naar het glas water. Traag pakte ze het zakje thee, draaide het om, legde het weer terug. Verwonderd kijkt ze om zich heen. Ben ik hier weleens geweest…? We knikken. „Maar dat is dan wel lang geleden”. Daar heeft mijn moeder een punt.














