Ode aan mama
Mijn moeder is 70 en een zelfstandige en krachtige vrouw. Onlangs ging ze nog vier maanden op wereldreis - met een cruiseschip, dat wel - en ze tennist, zwemt, wandelt, fietst, zit op een leesclub én leerde bridgen. Ze draagt stijlvolle kleding, heeft veel sociale contacten en zit in twee museumgezelschappen. Ze leest de krant en kijkt de nieuwste films. Af en toe rijdt ze naar België om haar vriendinnen van vroeger te bezoeken. Net zo makkelijk ontvangt ze zelf gasten, voor een paar dagen of langer, die ze onvermoeibaar in de watten legt met heerlijke etenswaren, versgewassen lakens en een activiteitenprogramma waar een kleuter van zou omvallen. Dat ze diabetes heeft en een batterij aan medicijnen na de tia van een paar jaar geleden, lijkt haar niet te deren.
Ook voor mij is ze een stevige rots, onmisbaar in ons dagelijkse leven. Ze past zeer regelmatig op onze kinderen, na school tot in de avond en soms de nacht, wanneer wij aangeschoten en moe thuiskomen. Ze smeert in een handomdraai een uitgebreid lunchpakket voor iedereen als we met z'n zessen naar de dierentuin gaan en staat altijd klaar om mij dingen uit handen te nemen, zoals de onderhoudsbeurt van de auto of het kopen van handige middeltjes bij de drogist. Ze scant de folders van winkelketens om onze kinderen te verrassen met het mooiste speelgoed (dat in de aanbieding is). Ze neemt kleding en panty's mee voor mij en de kinderen, gewoon, omdat ze er tegenaan liep. Ze nodigt ons uit voor het theater. Mijn moeder, kortom, verwent mij nog steeds net zoveel als toen ik jong was.
Maar wanneer zal dit veranderen? Waar komt het omslagpunt, dat ik voor haar zal zorgen in plaats van zij voor mij? Hoe herken ik de dag waarop ik zal moeten zeggen: 'Mam, blijf jij maar lekker zitten, ik zet een kopje thee voor je en pak de krant. Heb je het lekker warm onder je dekentje?' Dit lijkt nu nog eindeloos ver weg. Maar dit is wel hoe ik het me herinner: de oma van tachtigplus die in de rolstoel zachtjes wegkwijnt op haar verjaardag, terwijl de familie om haar heen gezellig keuvelt en nog een gebakje neemt. Oma is er wel, maar ook weer niet, want ze is een kwetsbaar plantje geworden waar we ons af en toe om bekommeren. Een aai over de bol, een glimlach, een vriendelijk woord: oma laat het allemaal over zich heen komen. De geest is elders, het leven is geleefd - nu is het wachten op het einde.
Mijn moeder heeft het oneindige leven, denk ik. Ik kan me niet voorstellen dat zij ooit verandert in een lijdend voorwerp, iemand die ons voor haar laat zorgen. Zíj zou toch de broodjes smeren? Ik weet niet hoe dat dan moet, als ze het fysiek niet meer kan.
Waarschijnlijk komt de verandering vanzelf, geleidelijk, zonder dat het ons opvalt. Tot we terugkijken en denken: hé, dit zou zij vroeger voor ons hebben gedaan. En dat het dan goed is. Ik hoop dat ik haar daarmee eindelijk een stukje kan terugbetalen van wat zij haar hele leven in mij heeft geïnvesteerd. Als ze me die kans geeft tenminste, en oud genoeg wordt om mijn zorg te accepteren.












