Een nacht vol licht
Duizenden kleine vuurvliegjes dwarrelden boven de Zondiaanse Golf, even leek het alsof er een lichtgevende wolk uit de duistere hemel was neergedaald. Er was geen maan aan de hemel te zien. Slechts kleine fonkelende sterren, die net als de grote wolk vuurvliegjes een diffuus licht wierpen op het land. Langs de kust met duizenden vuurvliegjes liepen vier donkere figuren. Het was exact middennacht, al hadden zij daar geen benul van. Ze waren met zonsondergang al vertrokken van het strand Donkermans Kiep, zo’n dertig kilometer van Zondida vandaan en waren per roeiboot naar de hoofdstad gekomen. Nu liepen ze langs de verlaten kust van Zondida. De stad was gebouwd op een schiereiland. De haven van de stad lag in het zuiden, het paleis in het westen en in het oosten lag het oudere gedeelte van de stad. Duizenden jaren geleden hadden elfen, zo ging het verhaal, er de eerste stenen gelegd voor hun stad. Na een aardbeving zonk de stad in zee. Op de overgebleven ruïnes werdt door mensenhanden Zondida gesticht, zo ging het verhaal. De figuren liepen nu langs de kust bij het paleis, een gevaarlijke opgave omdat het paleis van de keizer zeer streng werd bewaakt. Toch wisten deze figuren op welke plekken de wachters van de paleiswacht stonden. Aan deze nacht was vijf jaar voorbereiding voorafgegaan. In die vijf jaar was het hele paleis in kaart gebracht, waren er mensen geïnfiltreerd in het paleis en was het zelfs één iemand gelukt om de nieuwe wapenmeester te worden. Helaas werd hij na een maand dood aangetroffen in het paleis, vergiftigd. De mannen, want dat waren de duistere figuren, renden nu richting de westelijke toren van het paleis. Deze toren stond op de kust van het schiereiland. Vanwege vele Westerstormen was de toren flink beschadigd en al jaren stond de toren in de stijgers om het metselwerk te vervangen. Het werk had al vele mensen het leven gekost omdat de hoge golfen vaak de houten stijgers waarop ze werkten omverwierpen. De lager gelegen verdiepingen stonden vaak onderwater en al meerdere malen bleek dat de toren verzakt was. Toch lag in deze toren het belangrijkste bezit van het keizerlijk echtpaar. Het was het hoogste gebouw van Zondida, misschien wel van het hele Zondiaanse Rijk. Alleen de vuurtoren van Amseal Diramme kwam in de buurt. Er was bijna tweehonderd jaar voor nodig om de toren te bouwen. Drie keer stortte hij in, door verschillende ontwerpfouten. Na de derde keer wachtte men vijftig jaar voordat de keizer het weer aandurfde om verder te bouwen. Net als de rest van het paleis
Niemand kreeg toegang tot de toren, slechts het keizerlijk echtpaar en enkele dienstmeiden. De duistere mannen wilden dan ook niet van binnenuit de toren bereiken, maar van buitenaf. Ze waren nu bij de stijgers aanbeland. Maar, zo wisten ze, ook hier stonden bewakers en die moesten snel en stil worden uitgeschakeld. Eén van de mannen haalde een zwarte boog tevoorschijn en pakte vier zilveren pijlen, alle vier vergiftigd met een dodelijk gif. Hij spande de pijl en zocht de eerste wachter op. Die moest ergens op de derde of vierde verdieping van de stijgers staan, zo wist hij. Hij wachtte geduldig af. De drie anderen waren verscholen in de schaduw van een aangespoelde boomstam. De boogschutter schuifelde over zijn knieën naar voren en negeerde het koude water dat door zijn zwarte broek kwam. Nog steeds zag hij geen wachter. Hij wachtte nog een paar minuten en toen zag hij de goudkleurige helm van de wachter schitteren in het licht van de sterren. De paleiswachters droegen een goudkleurige wapenuitrusting met een rode pluim op hun helm. Op hun borst was het wapen van de keizer afgebeeld: een grote feniks. Ze droegen schilden waar ook een grote feniks op stond, alleen dan verhuld in vlammen. Hij spande zijn boog opnieuw en richtte dit keer de pijl op de wachter. De wachter liep verder en keek uit op de zee, alsof hij een schip verwachtte in plaats van indringers van het vaste land. Hij keerde zich om nadat hij bij het einde van de stijger was gekomen en op dat moment liet de boogschutter zijn pijl los. De pijl zoefde door de lucht en even was de boogschutter bang dat de pijl de stijger zou raken, maar hij vloog langs een paal in de nek van de wachter. De man greep naar zijn keel maar viel al voorover en kon slechts een zacht gekuch uitkramen. Hij begon bloed te hoesten en kroop naar voren maar viel na een paar tellen neer, dood. De andere indringers achter de boomstammen waren naar voren gerend en renden nu onder de stijgers door. De boogschutter daarentegen rende naar de boomstam toe en keek of er geen andere wachter aankwam. Opnieuw spande hij zijn boog en liet hij zijn ogen rusten op de stijgers. De drie anderen waren al in de stijgers geklommen en waren al vlakbij de dode wachter. Ze keken of hij echt dood was en één van hen trok de pijl uit de keel, maakte hem schoon en borg hem op. Even later klommen ze verder en pas op de zevende verdieping moesten ze stoppen. De boogschutter had een fluitsignaal gegeven, een teken dat er een wachter was. Ze bleven stil zitten achter een gespannen leren doek dat bescherming moest bieden voor de werklui tegen de regen. Ze hoorden het hout kraken onder het gewicht van de wachter. Gespannen hielden ze alle drie hun adem in. Als het nodig was, konden ze hem van de stijgers af duwen, alleen dan zou zijn geschreeuw de aandacht trekken en dat wilden ze vermijden. Tot hun opluchting hoorden ze een grote plof boven hen. Snel daarna klonk weer een fluitsignaal, anders dan de eerste keer. Ze klommen de volgende verdieping van de stijgers op en zagen het lijk van de tweede wachter liggen. Ook bij hem een pijl door zijn keel, de boogschutter was allerminst onervaren. Nadat ook deze pijl was opgeruimd klommen ze verder tot de veertiende verdieping van de stijgers, ongeveer driekwart van de toren. Na twee verdiepingen hield de stijger op en moesten ze klimmen. Als dat niet lukte, moesten ze een raam vinden, dat hier ergens moest zijn. De stijgers stonden alleen om de buitenrand van de toren heen. De paleiskant van de toren was pas nog opgeknapt. Daarmee was men na twee jaar al klaar. De bouwkundigen hadden gedacht dat ze ook de zeekant van de toren in twee jaar af zouden krijgen, maar daar hadden ze zich flink in vergist, tot grote woede van de keizer. Nu waren de mannen bij de bovenste stijger beland. Lichtjes voelden ze de stijger meedeinen met de wind. Er was al een halfuur verstreken sinds ze de eerste wachter hadden gedood. Nu kwam de moeilijkste klus: het klimmen naar het hoogste raam. Ze hadden vaak geoefend, zo vaak dat hun handen bloedde van het klimmen op de muren. Gelukkig waren de voegen zo slecht aan deze kant van de toren, dat het klimmen hen nu makkelijk af zou gaan. Tot hun grote schrik hoorden ze weer een fluitsignaal: er kwam iemand aan. Alle drie drukten ze zich tegen de muur aan en pakten ze hun korte zwaarden. Ze hoorden iemand een kreet slaken en vervolgens viel er iemand naar beneden. Het geschreeuw echode nog ver over het water en daarna leek al het geluid uit de wereld gezogen te zijn. De boogschutter had een wachter neergeschoten en die was van de elfde verdieping gevallen. Zonder op het fluitsignaal te wachten begonnen de drie met klimmen. Iemand moest nu die schreeuw van de wachter gehoord hebben en alarm hebben geslagen. Eén van hen was al bij het raam en preutelde om het luik open te krijgen. Het hout was verrot door de zilte zeelucht en het luik kon zo uit zijn scharnieren getild worden. De indringer gooide het luik achter zich naar beneden, de zee in. Eén voor één klommen ze naar binnen. Helaas voor hen begon er toen een baby te huilen. De stilte in de nacht was compleet verdwenen.
Hij kon amper weten wat er gebeurde op dat moment. Hij had het eerst lekker warm en het was donker. Toen kwam er ineens een koude windvlaag en die waaide zijn dekentje opzij. Opeens kreeg hij het koud, heel koud. Hij had geen idee wat hij nu moest doen, dus hij koos voor de makkelijkste optie, aandacht vragen. Zijn mond ging open en hij begon hard te huilen en met zijn beentjes te trappelen. Nog nooit had hij het koud gehad. Plots zag hij iets boven hem en hij merkte dat hij werd vastgepakt en opgetild. Hij hield op met huilen en keek met nieuwsgierigheid naar het figuur dat hem had opgetild. De man had felblauwe ogen en een grote neus. De rest van zijn gezicht was verborgen achter een zwarte sjaal en muts. Toch vond de baby dat de ogen hem geruststellend aankeken en hij hoopte dat de man het hem weer warm kon maken. De baby kreeg een dekentje om zich heen en ook een mutsje op. Dat mutsje had hij eerder opgehad, zo merkte hij. Toen werd hij doorgegeven aan een andere man en die bond het kindje op zijn rug. Maar zijn voetje zat klem in de band en hij begon te huilen.
Ze waren alle vier weer naar beneden aan het klimmen toen de baby weer begon te huilen. De indringers hadden het kindje stevig ingepakt en hadden toen de ring en de ketting die verscholen waren in een kast meegenomen. De man die de baby op zijn rug had vloekte luid toen de baby huilde. Ze hoorden voetstappen en stemmen vanuit de toren. Waarschijnlijk de voedvrouwen die naar de baby wilden gaan kijken. Ze moesten nu snel naar beneden zien te komen. Even later waren ze al weer op de veertiende verdieping van de stijgers en ze sprongen snel van stijger naar stijger naar beneden. Plots hoorden ze een lange gil, het dienstmeisje was in de kamer. De wachters kwamen naar boven gerend en keken nu vast naar het lege bedje van de baby. De indringers waren nu op de vijfde verdieping. Toen tot hun grote schrik een bewaker op de stijger aan kwam rennen. Twee indringers sprongen op de man af zodat de man met de baby verder de stijgers af kon klimmen. De wachter blies snel op zijn hoorn en schreeuwde: “Indringers westertoren!” Hij pakte zijn zwaard en pareerde de slagen van de twee indringers. Met zijn schild dreef hij hen naar achteren. De zwaarden kletsten af op het schild en de wachter haalde uit naar de been van een indringer en maakte een flinke snee in zijn bovenbeen. De andere indringer sloeg naar het been van de wachter en die struikelde. Beide gaven ze hem een duw en hij viel met een luid geschreeuw naar beneden en kwam met een flinke smak neer. De man met de baby was ondertussen al beneden en rende naar de boogschutter. Samen renden ze weg richting de boot. In de boot maakten ze de baby los, die was ondertussen keihard aan het huilen. Ze legden hem onderin de boot en gaven hem een stuk oud brood in de hoop dat hij stil zou worden. Het hielp. Niet veel later kwamen de andere twee indringers ook en gingen ze de zee op. Ze hoorden al wachters bevelen schreeuwen en ze zagen glinsteringen van de helmen. Er waren al tientallen wachters op het strand. Pijlen suisden hun kant op maar geen ervan raakte de boot. Ze roeiden stevig door, de wolk van vuurvliegjes weer in. Ze hadden het kind. Het belangrijkste kind van het rijk, van heel Runabe. Tot nu toe hadden ze elkaar het laatst gesproken toen ze uit de boot stapten, maar nu zei de boogschutter, die geen roeispaan had: “Corvus is blij, heel blij.” De andere drie knikten en keken naar het kind, dat rustig op het brood aan het sabbelen was en genoot van de vuurvliegjes die boven de boot vlogen.







