Iieuw
Noordhollands Dagblad 8 maart 2025
âIiiieeeeuw, dat vind ik echt zóóóóó lelijk.â B. kijkt erbij met een gezicht alsof ik haar net heb gevraagd het riool in te springen. Het âiiieeuwâ komt er dan ook uit alsof ze bijna moet braken.Â
Ik ben gezellig met mijn dochter de stad in om een outfit te zoeken voor haar verjaardag. We gaan de winkel in. We gaan de winkel uit. Hoe meer uren er verstrijken, hoe lager mijn zelfvertrouwen wordt. Ik weet duidelijk niets van wat in de mode is. Ik heb sowieso geen smaak eigenlijk. Sterker nog, waarschijnlijk nooit gehad ook als ik moet afgaan op het even scherpe  als subtiele commentaar van mevrouwtje bijna-twaalf.
De hippe spijkerjasjes met pofmouwen, de leuke rode lentejurkjes en stoere broeken met tijgerprint worden allemaal afgeserveerd als de meest lelijke items ook. Hoe ik het in mijn hoofd haal haar dĂĄĂĄr in te laten lopen.Â
B. schaamt zich kapot voor haar moeder en inmiddels ben ik zover dat die schaamte geheel wederzijds is. Ik mime continue âsorryâ naar alle verkopers als mijn draak weer eens haar ongezoute mening door de winkel tettert.
Als ik onderweg van winkel naar winkel uit gewoonte haar hand pak, kijkt ze me aan alsof ze die eraf wil bijten. Geen hand dus. Check. Â
Tijd voor een andere tactiek, voor ik uit mijn vel spring. We lopen een winkel in, zij bekijkt de kleding, ik zoek een kruk en observeer van een afstand.Â
Ik kijk naar haar lieve kindergezichtje waar af en toe een echte dame door heen schittert. Ze kan stampvoeten als een kleuter en je tegelijk omverblazen met haar volwassen woordenschat. Ze is als een klein kind zenuwachtig voor haar verjaardag, maar maakt zich op alsof ze al 16 is. Tussen servet en tafellaken zegt oma altijd. Te klein voor de grote mensen en te groot voor de kleine.Â
Na drie uur grote monden en sarcastische feedback richting mij, oogrollen richting kledingstukken en gesnauw tegen verkoopsters, heeft ze beet. Geen buiktruitje of veel te kort rokje, nee, een mouwloos wit broekpak, waar ze thuis nog wel een jasje voor heeft.Â
Ik voel de opluchting voor ons beiden. Hiermee maakt ze bij zowel haar vriendinnen als bij haar familie goede sier.Â
We slenteren naar de Mient waar het zonnetje schijnt en halen als vanouds een ijsje. Die eten we zoals de traditie voorschrijft, op de stoep op de Gewelfde Stenenbrug. Al likkend sluiten we in stilte weer vrede. Als we opstaan om onze fiets te zoeken voel ik ineens haar kleine meisjeshand weer in de mijne.












