Het ging hem vroeger vooral om de esthetiek van zijn muziek. Om de creativiteit, die hij lustig liet botvieren. Maar na een jarenlange, hardnekkige verslaving -waar de 40-jarige MC/producer in 2010 met zijn solo ‘Grey Crow’ voorgoed mee afrekende- heeft Eligh een extra missie met zijn muziek: ‘the desire to heal people. I want to let you know you’re not alone. I want to help you get clean’, lichtte Eligh Nachowitz – je kent hem van Living Legends, G&E, 3MG en Grand Tapestry- onlangs toe.
En ja, ‘Last House On The Block’ is wederom een therapeutische sessie: met uit levenservaring verpakt advies en motiverende boodschappen. ‘Truly OK’ bijvoorbeeld. Waarin Eligh uitlegt dat je eigenlijk steviger in het leven staat als je je ‘truly OK’ voelt, in plaats van 'awesome'.
Of de titelsong, een mooie metafoor voor ‘de laatste statie’: de ontwenningskliniek, de gevangenis, maar ook de laatste kans om je leven te beteren. Opzwepend is 'Focused', met een aanstekelijk Zumbi (Zion I) en een vinnige The Grouch (‘We go together like age and wisdom’). Tracks die je zo een hart onder de riem steken.
Complexe onderwerpen, gevoelens eigenlijk, worden moeiteloos omgetoverd in verzen: ‘Junior High School Love’ gaat over het overtreffende gevoel van een eerste verliefdheid. En borduurt verder op het nastreven van zo’n gevoel op latere leeftijd. Zelfs invitee RA The Rugged Man -jawel- is geïnspireerd door Eligh en dropt in zijn geheel eigen stijl een grappig, herkenbaar, bijna tastbare ode aan zelfbevrediging.
Het zijn zulke tracks die het kaf van het koren scheiden wat songwriters betreft. Emo rap? En wat dan nog: 'I'm emo to the bone', pocht Eligh trots in het strakke 'Thursday Child'.
Naast uitstekend tekstschrijver, is Eligh een straffe muzikant. Als geen ander weet hij de mystieke sfeer die uit zijn teksten hijgt, te vertalen naar muziek. Eigenlijk wist Eligh zich meteen al te onderscheiden wat sound betreft. Maar over de jaren heen, heeft hij die ook verder kunnen uitdiepen.
Een freewheelende sax, een aanzwellende cello, de levendige drums, en zweverige zangstemmen met soms ongemeen harde kicks benadrukken het veelzijdige van de beats, die even diep kerven als de teksten.
'Pain On The Break', de single met The Grouch, is de uitzondering, maar leunt dan weer dicht aan bij wat hij met Amp Live op 'Therapy At 3' liet horen: een rauwe sound met een knoert van een elektrobreak.
Het speelse 'Karma' -'When I speak it straight from the gut it's hot like sauna'- past naadloos bij de boodschap en stijl van Eligh. Zowat het stoerste muzieknummer ooit over 'karma'. Ook yoga en mindfulness weerklinken in de uitgebreide intermezzo's met Oosterse instrumenten of de filmische outro met -wederom- een beklijvende cello.
Van Eligh's 15e album ga je in de eerste plaats genieten. De herkenbare sound, de mystieke vibes zijn een ervaring op zich en zetten het rapambacht in de vitrine. Maar je steekt er ook een boel van op. Het motiveert, zalft en waarschuwt. Het grijpt je vast en solliciteert naar een lach en een traan. Emo to the bone.
'Poise: cool, zonder zenuwen', wist het woordenboek ons te verklappen. Het is Defari ten voeten uit. Of zoals hij het zelf zegt: 'A mellow cat. Poor my guests a nice glass of Gentle Jack.' Het is de cool die ons, twintig jaar na zijn debuutalbum 'Focused Daily', nog altijd aanspreekt. Een cool die zich vertaalt in vlotte oneliners en fijndradige beeldspraak als 'My hair is lamb's wooly'.
Defari is een liefhebber van de Engelse taal. Naast zijn voorliefde voor unieke woorden ('poise') en gevatte metaforen, strooit de ex-leraar Engels guitig met taalspelletjes. Af en toe neemt hij de luisteraar beet: -syke! ‘I took this music to a new beginning -syke!’ en geeft zijn verhaallijn vervolgens een nieuwe wending. Defari speelt met ritme en tempo. En heeft een gezonde zin voor overdrijving. Zijn intonatie heeft vaak iets theatraals: hij zingt, hij roept, hij spreekt. Maar niet zonder de cool te verliezen.
Wie anders dan Evidence -zijn long-time homey die van 'Focused Daily' een klassieker maakte- weet perfect welke richting dit album uit moet. Slome beats met prikkelende piano's, of een loop met een trage kick. Alles zeer minimalistisch, maar sfeervol. Ontbeend. Ontrafeld. 'Rare Poise' is een afgemeten kwaliteitsoefening door twee hiphoppers met tonnen ervaring, die elkaar blindelings aanvoelen.
Het zesde album alweer van de New Yorkse rapper/producer Deca. In 2013 charmeerde hij ons met ‘The Ocean’. Ook Okayplayer pikte het album op. Dit keer overtuigt Deca met ‘The Way Through’, een eigenwijs album dat zijn unieke stijl vetjes in de verf zet.
‘Om de wereld te veranderen moet je bij je inner self beginnen’, zei Deca ooit in een interview. De Herman Hesse-liefhebber is gefascineerd door filosofie, literatuur en spiritualiteit. Op ‘The Ocean’ nam hij een duik in het onderbewustzijn. Klinkt abstract, maar Deca slaagt er wonderwel in om een verhaal te vertellen, ook al gebruikt hij grootse metaforen. Ook dit album is gekleurd met termen die recht uit het Oud Testament komen. Eden, engelen en demonen passeren meermaals de revue. En dan dat existentialisme waar Camus het warm van zou krijgen: ‘When I saw the ground of all being in its true form, I prostrated myself and cried like a newborn’.
Deze plaat huist meer poëzie dan lyriek. Met een heldere stem en strakke flow dreunt Deca zijn verzen op over stevige, strompelende drumkicks en warme, melodieuze samples. Een ijzingwekkende viool of een stemmige piano zorgen voor een gepaste scheut mystiek.
‘The Way Through’ is niet het meest toegankelijke album, maar bekoort hoe dan ook. Het is geen vereiste, maar je hebt steeds de neiging om op zoek te gaan naar wat Deca precies bedoelt. Wat een zekere intellectuele inspanning vereist. ‘About the ocean that professed love to Ishmael. While siftin' through the serpent-like intestines of a sick whale.’, zal enkel een belletje doen rinkelen bij de literatuurliefhebber. Maar meer dan inhoud, staat esthetiek op de eerste plaats. Onthoud: dit is poëzie, vermomd als rap. Niet alles moet tot op het bot geanalyseerd worden. Of zoals hij zelf rapt: 'It’s wishful thinking that a song could heal a sick rose.'
De grootste ode aan hip-hop komt dit jaar uit België.
Vergeef ons ons chauvinisme. Maar dit album verzamelt de grootste namen uit de hiphopgeschiedenis. ‘Born To Live’ bundelt verhalen en anekdotes over het New York van de jaren tachtig en negentig.
Masta Ace, Large Pro, Marley Marl, en Craig G zijn iconen. Blaq Poet, J-Live en Keith Murray zijn helden. Rustee Juxx en Torae ('why bringing nineties back if I can take it.') worden aanbeden. Het lijkt er op dat de Luikse producer Koss er in geslaagd is om alle namen af te vinken op het lijstje van favoriete rappers. En ook als ze er niet bij zijn, is er wel een sample van hen (bv. van Common of Big Pun) ingesmokkeld.
Verrassend: de beats van Koss worden geenszins naar de achtergrond geblazen door deze New Yorkse kanonnen. De welgemikte samples (van triomfantelijk tot melancholisch), de pompende drums en wervelende scratches van DJ Grazzhoppa matchen wonderwel met de stijl van de invitees.
Cool ook hoe meestervertellers als Craig G, Masta Ace en Large Pro mijmeren over ‘de early days’. Zelfs al was dit album een boek, dan nog blijft het een pronkstukje.
Review: Prozack Turner - ‘Not Everybody Sleeps At Night’
Prozack Turner is misschien geen klinkende naam, toch hij mag een toast uitbrengen op zijn carrière. ‘Prozack was rockin mics since Michael Jackson was still black.’, rapt de Oakland emcee op ‘Full Time B-Boy’, een mixtapehit van zijn groep Foreign Legion uit 1999.
Prozack Turner maakt al meer dan twee decennia muziek. En speelt dat graag uit op zijn albums. Ook zo op zijn tweede (officiële) solo album: ‘I been rhyming since porn was just a magazine’.
Het eerste Foreign Legion album, een undergroundklassieker, dropte in 2000. Maar zijn gepland solodebuut ‘Death, Taxes & Prozack’ liet op zich wachten. Dilla, Pete Rock, The Alchemist en Madlib tekenden present voor het album. Maar de plaat kwam er niet, want zijn toenmalig label Dreamworks ging op de fles. En Prozack Turner ook: in de pubs van Dublin spoelde hij de financiële en creatieve kater door.
Pas in 2006 kwam zijn solocarrière op gang, met 'Bangathon!'. Zonder Madlib, Pete Rock of Dilla. Maar met Oh No, de broer van Madlib,, die het gros van de beats leverde.
Ook op deze tweede soloplaat vinden we Oh No terug in de credits. Zijn aanstekelijke beat op ‘Don’t Wanna Let You Go’ geeft de sfeer van de plaat goed weer: dit album zit boordevol energie. Als een reep Snickers.
De funky beats houden er een vlot tempo op na. En deinen op soulvolle samples (‘I like beats made with samples’) , met catchy refreinen en gevatte scratches tussenin. Het is het beproefde recept van de West Coast puritein. De biotoop waar hij zich het best in thuis voelt.
Hoewel zijn naam het tegendeel bewijst, houdt Prozack Turner zich voornamelijk af van het diep-filosofische werk. Hij rapt over zijn passie voor ‘real rap’ (veel knipogen naar rapgeschiedenis) , zijn bron van inspiratie (de nacht, cf. de titel) en zijn geliefde Oakland (‘High Enough’ met Brother Ali).
Maar toch: Prozack Turner wervelt door het album met een verbetenheid die we niet van hem gewoon waren. Zijn maatschappijkritiek - de aanklachten tegen de conflictnatuur van de mens (‘Statue Of Liberty’) en het politiegeweld (hoe hij op de politie foetert op ‘Guilty’ met Guilty Simpson)- snijdt dieper dan vroeger.
Op elk van zijn albums prijken politiek-getinte songs, maar de verontwaardiging klinkt heviger. 'The only way I think I can cope is being cynical', geeft hij aan. Maar dat cynisme heeft plaats geruimd voor meer recht voor de raap.
Ook zijn introspectieve zelf klinkt doorleefder. De oorzaak vinden we allicht in het laatste nummer ‘Never Quite Got Right’ waar hij zijn gevoelens bij de recente dood van zijn broer ventileert.
‘I’m an introspective arch enemy of myself. Y'all the remedy.' Zou het? Prozack's albums zijn meer dan odes aan muziek en muze. Hij kaart aan, benoemt en vooral: verwerkt.
'Have you ever tried to turn a suicide note into a love song? I’m kind of good at it.’ Alexandro Ocana aka 2Mex grossiert weer welig in gitzwarte humor op zijn laatste album. Maar de levende teddybeer slaagt er ook in om een lach aan de luisteraar te ontlokken. ‘Lospital’ is een donker, maar warm album. Een plaat waar dankbaarheid van af knalt. En dat heeft alles te maken met wat vorig jaar gebeurde...
In april 2016 werd hij in allerijl naar het ziekenhuis gebracht. Terwijl de dokters aan zijn bed overlegden wat ze met hem zouden aanvangen, zonk de Visionaries emcee weg in een coma. Om wakker te worden zonder rechteronderbeen. Diagnose: suikerziekte, die al jaren geruisloos in zijn lichaam woekerde. ‘No Leg, No Love Lost’ heet het laatste nummer: ach, een been is maar een been. Ook op optredens jokt 2Mex over zijn amputatie. 2Mex zou 2Mex niet zijn als hij dit drama niet zou relativeren.
Dit album gaat ook niet letterlijk over wat hij heeft meegemaakt. Vooral in dat laatste nummer rapt 2Mex over zijn amputatie. Maar het voorval en wat hij eruit heeft geleerd, sluimert wel steeds in de achtergrond. ‘Sometimes you gotta take a loss to no longer feel lost.’ is de kern van ‘Lospital’. Dankbaarheid voor de steun die volgde na zijn ziekenhuisopname. In de video van ‘Lospital’ zie je het bewijs. Vrienden, familie en geliefden verdringen zich aan zijn ziektebed. Ook Slug van Atmosphere komt op bezoek. Net als op ‘Lonely’, een track dat eenzaamheid (‘The loneliness is always with me till the end’) aankaart. Dit is écht wel een persoonlijk album.
‘Lospital’ telt 14 nummers en 10 producers. Dat zorgt voor een verrassend veelzijdige, intimistische soundtrack. Onder andere Ceschi Ramos en Justin Warfield zorgen voor een uniek melancholisch, folkrockachtig klankenpalet met ingetogen gitaren en mijmerende piano's. Maar ook: instrumenten die je niet rap op een rapalbum hoort. Zoals op het Balkan-achtige ‘Better’.
Een afscheidsbrief omtoveren in een liefdesbrief. Of hoe je met je muziek miserie kunt ombuigen in hoop.
Album droppen. Touren. Album droppen. Touren. Atmosphere stoomt van podium naar studio. Van opname naar optreden. Na de release van ‘Southsiders’, één van de fijnste albums in 2014, volgde een wereldtournee. Nu is er opnieuw een plaat. Hoewel de twee globetrotters meer tijd doorbrengen in een tourbus, lijkt dat amper een bezwaar. Elke 2 à 3 jaar steken de Southsiders een meesterwerkje in elkaar. De hoeveelste plaat is dit eigenlijk al? En opnieuw hengelt ‘Fishing Blues’ mee naar de titel ‘album van het jaar’.
Hoe kan het ook anders? Niemand vangt de aandacht van de luisteraar beter dan Slug. De rapper vertelt straffere verhalen dan Nonkel Bob aan het kampvuur, met een beeldspraak die thuishoort in het canon van de poëzie.
Huisvader Slug is braver, klinkt het op fora en Facebook. Hoe dat? Het wel en vooral ook wee van de condition humaine wordt nog steeds onder de loep genomen. De ‘Apocalyps’, ‘Armageddon’ en de fles alcohol zijn nooit ver weg. Op ‘Pure Evil’ fileert Slug het machogedrag van flikken: ‘You should believe that I’ma leave an impression. Even if it means I gotta put my knee on your neck, man’. En zelf de klootzak uithangen is ook leuk: ‘I’ve been an asshole before it was fashionable. And when it’s out of style, I’ll be the last to know. And if Illuminati listenin’, I don’t wanna plateau. Who I have to blow to play the halftime show, huh?’.
Eveneens herkenbaar: het zoetzure sausje dat Slug zo graag serveert, waarmee de bittere smaak van melancholie verzacht wordt: ‘I remember when the whole world stank like an ashtray: yeah, the good ol’ days. I wanna laugh when somebody say ‘The Good Ol’ Days’. But they was good. Cause we did learn to look both ways.’ Of de scherpzinnige ironie die hij etaleert op –let op de titel en laatste zin- ‘No Biggie’: ‘I wanna put my DNA in your American pie. There’s no life after death, I’m not ready to die’.
Let wel: wie een nieuw geluid wil horen van de groep zal het op dit album niet vinden. De uitzondering die het akoestische ‘The Family Sign’ was, is ‘Fishing Blues’ niet. Producer Ant amuseert zich met slome kicks en snares die zachtjes de deining van Slug’s flow ondersteunen. Subtiel en puur zijn ze wel: de melodieën. Keurig ontgraat, waardoor de beats nog smakelijker in de oren liggen. Minimalistisch, dreigend, en met een tintelende spanning is ‘Seismic Waves’. Met Slug: ‘I used to think criticism was the definition, fish swimmin’ up a river, full of pessimism. I wanna catch one, bare handed. Clean it, cook it, and feed it to Lazarus.’
Ja, Atmosphere heeft weer eens een verleidelijk lijntje gegooid. Toehappen maar!
Apathy’s rap is geworteld in traditie. Ook op ‘Handshakes with Snakes’ eert hij relicten van het tijdperk dat hem muzikaal vormde: Nas’ ‘Illmatic’ en ATCQ’s 'Check The Rhyme' video.
Zijn eerste plaat ‘Eastern Philosophy’ lag pas in 2006 in de bakken. Maar daarvoor had hij al een hele weg afgelegd. In de vroege jaren negentig vormde hij met Open Mic en Reflex de ruggengraat van het Demigodz collectief. De jaren negentig zitten verankerd in Apathy’s DNA. In al zijn vezels en botten.
Met dat geluid als hoeksteen van zijn muziek, slaat de Connecticutter vlotjes alle trends over. De beats boomen en bappen als vanouds. Refreinen blijven uit den boze (‘I have a scrapbook full of rhymes without choruses’). En de verzen? Die ademen rapgeschiedenis, koesteren wrok voor Kendrick wanna be's en spuwen spijkerige humor: ‘I like clubs more than baby seals do’.
In interviews hamert Apathy geregeld op het feit dat er te weinig aandacht is voor de traditie van de muziek en de cultuur. Waar is de liefde? Waar is het respect voor vakmanschap? In het openingsnummer fileert hij amateur emcees die gokken op instant succes en de snelweg naar roem zoeken. Ook de huidige klederdracht krijgt van de roe: “Nowadays music sound so weird / Everybody clothes are tight, everybody got a beard.”
Maar 'Handshakes with Snakes' -wat bekt die titel lekker weg- is naast een aanklacht, vooral een ode aan een tijdperk, waarvan ook enkele zwaargewichten op dit album prijken: O.C., Ras Kass, of B-Real bijvoorbeeld. En ook: de betreurde Pumpkinhead ‘I’m the epitome of underground. I spit maggots and worms. I’m a heatwave so your ass gettin burnt.'
Het album is voorspelbaar dat wel. Wat kunnen we anders verwachten van iemand die trends veracht? Maar ‘voorspelbaar’ of ‘traditioneel’ hoeft niet saai te zijn. Laat Apathy maar mijmeren als dat voor weemoedige beats zorgt. Laat hem maar van jetje geven als dat venijnige flows oplevert. Laat hem zijn hart maar luchten als dat technisch hoogstaand gerijm met zich meebrengt. Ook na vijf albums op het palmares, blijft Apathy scherp en stekelig.
Op het randje. Net voor 2015- het jaar van King Kendrick- er de brui aangeeft, breien Murs en 9th Wonder een nieuw hoofdstuk aan hun avonturenbundel.
Onverwacht ook. Als in ‘niet aangekondigd’. Een nieuwe marketingtruc. Hoe minder de fans het album verwachten, hoe beter de ontvangst. Lijkt het wel. Dag sneak previews!
Maar ook onverwacht omdat Murs en 9th Wonder drie jaar daarvoor een punt zetten achter hun gezamenlijke odyssee met 'The Final Adventure'. Een schijnbeweging blijkt nu.
Vijf albums hadden ze uitgebracht. Vijf platen waarop ze telkens het beste van zichzelf gaven: coole, innemende verhalen over liefde en de hood, losjes gedrapeerd over soulvolle beats die de zielen beroerden.
‘Brighter Daze’ wijkt in geen geval af van die formule. Murs vertelt nog steeds verhalen als de beste. Weinig rappers weten een verhaal beter op te bouwen: qua spanning, associatie en perspectief.
Murs’ stem en karakter kidnappen je aandacht. Check ‘How To Rob With Rob’, een verhaal uit de ‘hood’ dat je meezuigt en verrast. Check ‘Love Murs’ of ‘Get Naked’, stuk voor stuk liefdesnummers verstoken van clichés, met een lach en een traan. De perfecte match: Murs’ liefdeslyriek en de dromerige beats van 9th Wonder.
‘Brighter Daze’ - gratis te downloaden trouwens- is een zeer welkome verrassing.
Waarom dit pas het eerste collabo album van Open Mike Eagle en Serengeti is, blijft ons een raadsel. De twee eigenzinnige dertigers die rap tot abstracte kunst verheffen, kennen elkaar sinds hun studententijd.
Ze maken dezelfde donkere, bitterzoete parels. Ze steken elkaar naar de troon met dezelfde cynische, ondoorgrondbare teksten. Maar slechts twee keer kruisten ze elkaars pad: op Eagle’s 'Universe Man' en 'Eastern Surgery'.
Een al even groot raadsel is het concept van dit album. Even spieken van het persblad leert ons dat de twee protagonisten al 14 jaar technieker zijn in een appartementsgebouw, waar rijk en arm samenhokt. En ‘all they do is talk shit’.
Beide heren peuteren in de diepste krochten van hun brein. En halen hallucinante hersenspinsels naar boven. 'I didn’t go to Disney. I was overfriendly'. De plaat wemelt van de raaskalderij. Coole onzin, dat wel. Ouwehoeren als de beste. ‘Takin you out dancing after that bagel.’ Do we mind? Tuurlijk niet. Wat is het leven anders dan onzin verkopen? Waarom is Pulp Fiction een meesterwerk? Waarom worden de films van Jim Jarmush bewierookt? En is Andy Kaufman’s leven verfilmd? Omdat onzin het dichtst staat bij de zin van het leven.
Er rollen geen verhalen door dit album, maar coole oneliners die blijven nazinderen. Geen herkauwde, ongeïnspireerde beeldspraakbrij, maar ongeëvenaarde, tot de verbeelding sprekende dialogen.
‘Na 10 jaar leggen we onze fans extra in de watten.’, moeten Gift Of Gab en Chief Xcel gedacht hebben. Een decennium na hun laatste plaat, de onvervalste klassieker ‘The Craft’, dropt het duo uit L.A. het eerste deel van een trilogie. Niet 1, niet 2, maar 3 platen. Het eerste deel ‘Imani vol. 1’ zet de toon: organische hip-hop, rijk aan instrumenten en tjokvol soul-, funk- en rootsinvloeden.
De comeback stond drie jaar geleden gepland. Maar Gift Of Gab’s nieren staken daar een stokje voor. De gezondheidsproblemen van de tongacrobaat bleken een reden te meer om de fans te verwennen. En dat hoor je: uit de teksten klinkt een hoop dankbaarheid en positivisme. ‘The Sun’, met Imani Coppola, en ‘We Did It Again’, maken je dag goed. 'That Night’ feest harder dan gelijk welk Blackaliciousnummer.
Veel water is er niet onder de brug gestroomd sinds het eerste album ‘N.I.A.’ uit 1999. Dat betekent echter niet dat ze even ver staan als in de vorige eeuw. De productie is tot in de puntjes, de sound meer geslepen, maar de rest is hetzelfde gebleven. Het bewijst hoe progressief hun muziek toen al klonk.
Hopen hip-hop-artiesten smokkelen de laatste jaren een rist aan instrumenten, arrangementen en refreinen binnen in hun muziek. Blackalicious deed het al in de jaren ‘90.
Opvallende gasten zijn de ongekroonde roergangers van het rapgenre The Watts Poets en de Belgische afro-pop zangeressen van Zap Mama. De ideale compagnons voor een warm, authentiek album dat uitblinkt in ‘live’-gevoel'.
‘Imani vol. 1’ verrast weinig maar klinkt tijdloos en verdomd goed. Met nog twee albums op komst, mogen de fans nu al in hun handen wrijven.
Vrijheid. Geen makkelijk onderwerp voor een langspeler. Jedoch: een klein kunstje voor Jamall Bufford. Met rake observaties en biografische flarden, legt hij de verschillende interpretaties van ‘vrijheid’ op tafel. Iedere track kan gelinkt worden aan het thema. De ene song schurkt er wat dichter aan dan de andere –Buff rapt over vanalles- maar dat zorgt voor een veelzijdig geheel.
Deze plaat ligt makkelijk in het oor, met toegankelijke teksten en een optimistische ondertoon.
‘This music makes it sound more dramatic than it really was’, nuanceert Jamall Bufford het verhaal in ‘Memories’, een biografisch nummer met droefstemmige piano. Het onderstreept Bufford’s relativerend vermogen. De rapper, ook bekend van zijn tijd bij Athletic Mic League, staat sinds jaar en dag bekend voor zijn ‘coolness’. Ondanks de scherpe teksten, slaagt Buff erin zijn boodschap op een luchtige manier te verpakken.
Niet dat er kapot gerelativeerd wordt. ‘Freedom is not worrying what the police will do to me on any given day’, klinkt het in datzelfde ‘Memories’. Het zijn er de tijden niet voor om ludiek te doen. Ook openingsnummer ‘Freedom Is Free’ (‘we zijn slechts vrij als we vrij zijn in ons hoofd’) en de single ‘Today’ -met buddy Magestik Legend- verwoorden verdomd goed de onvrede die leeft in de Amerikaanse samenleving.
Dat de plaat makkelijk in het oor gaat liggen, is ook met dank aan Kensaye’s veelzijdige productie. ‘Don’t Make A Sound’ is minimalistische elektronica, ‘The Right Time’ is jazzy boombap, en ‘New Tonight’ is –jawel- een housenummer (Buff komt uit de buurt van Detroit).
Een rijk geschakeerd palet van zwoele baslijnen, prikkelende pianoriedels en zweverige synths vormt de perfecte habitat voor Jamall’s strakke, enigmatische flow.
Met de Londense producer Kensaye heeft de Michigan MC een overzeese soulmate gevonden, geheel in de traditie van de producers waarmee hij voorheen al werkte: 14KT, Waajeed of Black Milk.
Blueprint’s vierde album brengt meer moois van de man die zich met ‘Adventures In Counter Culture’ voorgoed onder onze aandacht rapte. In ‘King No Crown’ gaat de artiest uit Columbus, Ohio door op zijn gekend elan.
Geëngageerd, gefocust, onverschrokken, sluipt Blueprint door deze plaat. Een sluipschutter is hij. Met woorden als munitie. Traag suizen zijn verzen over strompelende, hypnotiserende kicks. Blueprint oreert en inspireert.
Voor je er erg in hebt, zit je ondergedompeld in zijn teksten. Neem de titelsong bijvoorbeeld: een trage maar zinderende beat duwt de met emoties doordrongen raps zachtjes vooruit, en laat ze uitmonden in pure catharsis. In een waarlijk magistraal eerste couplet fileert hij de nare bijwerkingen van het menselijk streven. ‘Subject indigenous to genocide and slaughter, I’m living in a village named in that man’s honor, Southside Columbus’.
Blueprint speelt met existentiële begrippen als tijd en vrijheid alsof hij Sartre of Camus zelf was. ‘Never more sure is where I’m supposed to be. I’m the youngest out of four. Momma could have stopped at three’.
Blueprint is een denker. Dat buit hij uit om clichés met de grond gelijk te maken. ‘I’m not a thug, I’m a black intellectual. Some people only hear me if I’m violent or sexual.’ In deze tijden van onlusten met de politie, prikkelt hij zachtjes het zwarte bewustzijn. Met songs als ‘Black Intellectual’, ‘They Like Power’ en ‘My Generation’ fluistert hij de zwarte gemeenschap moed en daadkracht toe. ‘Be the leaders, we were destined to be’.
‘King No Crown’ is gemaakt tijdens een moeilijke periode in de rapper’s leven. Broer ziek, vader ziek, vriend Eyedea overleden. Het leverde de persoonlijke songs ‘Live For Today’ en ‘Great Eyedeas Never Die’ op. Vandaar de eerder donkere toonzetting: grommende synths en duistere basslines spoken door het album.
Maar toch: ‘King No Crown’ is een spel van licht en duister. Er klinkt ook hoop: ‘Maybe My Generation’ met ‘compagnon de route’ Illogic spoort aan tot een betere toekomst en ‘Persevere’ geeft al wie het moeilijk heeft een ferme por in de rug; ‘recognize that the reason that you’re here, is only cause you figured out a way to persevere’.
Dit album neemt je mee op sleeptouw: het pakt je in met persoonlijke verhalen, en prikkelt je innerlijke Luther King met rake observaties. Blueprint slaagt erin om de lat weer wat hoger te leggen. Door zijn gedrevenheid, zin voor innovatie, en intellect.
Als u gelooft dat de overheid het goed met u voor heeft. Als u denkt dat Facebook niets van u weet. En u zich nietsvermoedend kan laven aan de natuurlijke bronnen dezer wereld. Dan zal dit album op uw maag liggen.
We staan er erger voor dan u gisteren dacht. De onheilspellende, inktzwarte synthesizers, als dreigend onweer, kondigen net geen Apocalyps aan. Maar het weze duidelijk: de wereld staat er niet al te best voor.
‘The Great Year’ is een nieuw hoofdstuk van The Black Opera’s strijd tegen de gevestigde orde. Dat klinkt ambitieus. Maar we hebben het er wel voor: rappers die zich helden wanen en niets minder dan een betere wereld najagen. De heldenlyriek, ontsproten uit een ver verleden van onderdrukking en juk, de culturele knipogen en religieuze referenties. Het zorgt voor ijzersterke songs als ‘God Speed’ (‘I’m ready to die for what I believe in’), ‘Golden Silence’ (‘can’t sleep untill my n***** come alive like Lazarus’), en ‘Charachter Assassination’: ‘where is the heart without imagination, when life imitates art, that’s emancipation’.
In tegenstelling tot vorige albums, geen spoor van Apollo Brown, Astronote of Nick Speed. Geen nood: jonge hond Arjun Singh neemt de hoofdrol op zich en smokkelt handig trap-invloeden binnen, die goed bij de sfeer van het album aansluiten. Verder: de soulvolle pianoriedel van Tall Black Guy, Afrikaanse ritmes van Jansport J en onversneden boombap van Waajeed.
Pompende ader in de nek. Een meeslepend mimespel dat een onverzadigde drive verraadt. Een tattooloze hand in de lucht die het publiek bezweert. In de achtergrond: een producer -netjes in het pak- die zich in een cultfilm waant. En zich kostelijk amuseert met een DJ die zich in Wonderland waant.
Atmosphere speelt ten dans. Een ervaring zoals je er geen twee hebt op een jaar. De spits van het driekoppig team uit Minnesota, Slug, bespeelt het publiek zoals Santana zijn gitaar. Hij strooit met complimentjes ‘I’m gonna take some of this good energy and take it along with me for the rest of the tour’, blijft nederig ‘We’re just part of the sum’, en plaatst bedenkingen bij zijn doen en laten: ‘I realize I ask you a lot to put your hands in the air’, om dan met een knipoog te besluiten: ‘That’s not an apology, that’s an observation.’
Aan het “einde” van het optreden, wil Slug toch nog even doorgaan: ‘I don’t come here that often’. Romantici als we zijn, trappen we daarin. Het is ook waar: Atmosphere staat niet elk jaar in een Belgische zaal. En Slug breit nog een warm stuk aan de avond -freestyle incluis.
Hoewel ze net een ronkend album afleverden, passeerden heel wat oudere nummers de revue: ‘Trying To Find A Balance’, ‘Tattoo On The Back Of Her Hands’, ‘God Loves Ugly’, ‘Lovelife’, ‘God’s Bathroom Floor’, ga maar door… Jammer -naast het feit dat Ant Corona drinkt in plaats van een plaatselijk brouwsel. Maar een bewijs dat hun songs staan als een huis. En het is er prettig wonen.
Atmosphere overstijgt tijd en genre. Bewijs: het diverse publiek. Vrouw naast man, jong naast oud, pet naast muts, baggy naast stretch. De muziek blijft bekoren, ook anno 2014. Hoe kan het ook anders? Zelfs het marketing team achter Lady Gaga zou nooit op het concept ‘God Loves Ugly’ zijn gekomen.
Mooi, toch? Hoe iemand zijn eigen wereldje bijeen kan rappen? Open Mike Eagle, de rijzende ster van de Hellfyre Club uit L.A., is een stijlstroming op zich.
Eagle observeert zijn omgeving –van hood tot internet- en vertaalt ze naar zijn eigen fantasierijk. Vaak cryptisch, maar altijd cool. Vaak cynisch, maar altijd clever. ‘You could use Facebook and learn gang signs’, grapt Eagle.
Met een scheut humor van de bovenste galg -check ‘Informations’ met Kool A.D. van Das Racist- vult de West Coast woordkunstenaar hoogstpersoonlijk een leegte in, die ontbreekt in het huidige raplandschap.
‘Dark Comedy’ is zwarte humor met een twist, op een bedje van zweverige synths, die vaak strompelen, maar nauw aansluiten met de neuzelende flow van de gastheer.
Het album is niet onvergetelijk en strompelt wat naar het einde toe, maar onderstreept wel het eigenzinnige schrijverstalent van de rap nerd par excellence. 'Dark Comedy' kruipt genadeloos onder de huid.
Passie en gedrevenheid, authenticiteit en idealisme: het zijn de hoge waarden die het opus van Blueprint krikken. Muziek is religie, een levensdoel. Muziek moet perfect zijn, en een klankbord op de maatschappij. ‘I’m a writer that uses rap to comment on my timeframe’, rapt de Ohio rapper/producer. Rap boft, want Blueprint houdt de lat hoog.
Maar op zijn eigenzinnige manier slaagt hij er toch in om een oud recept nieuw leven in te blazen. De manier waarop hij een James Brown loop manipuleert, spreekt boekdelen. Of luister hoe strak de gospel zich vastklemt op een simpele drum loop in ‘Perspective’, een lied waarin Blueprint zijn grenzeloos, solidair hart laat zien. Blueprint is een apostel, die het goede woord predikt. Het goede woord hip-hops.
‘I’m at the point of no return, too deep in it’. Guru wist het, Killer Mike weet het, Blueprint bevestigt: ‘rap is religie’.