"Als het product van ons werk door iedereen gekopieerd kan worden, wat is nog de toegevoegde waarde van een architect? Misschien is dat niet het bedenken van een generieke oplossing, maar gebruikers helpen inzicht te verwerven in hun vraagstelling en de keuze."
Een beschouwing over techniek en gebruiker in Open Source Architectuur door Dirk Follet.
Wikihouse stelt iedereen in staat een huis of een ruimte te ontwerpen, te downloaden, de onderdelen door een computergestuurd apparaat te laten maken en het zelf in elkaar te zetten. Voor het Rijnlands Architectuurplatform (RAP) in Leiden aanleiding om een reeks avonden te organiseren over zelfbouw, open source, innovatie in de bouw en ontwerp. De reeks opende met concept en achtergronden van Wikihouse. Democratisering in architectuur heeft een vaste plek in het hart van Dirk Follet. Vol goede moed ging hij erheen en leerde het meest van wat verzwegen werd.
Catherine Slessor citing Fran Tonkis on starchitects: 'The vision of the architect as a singular controlling intelligence is misguided. 'It imputes too much agency - and too much power - to the architect and designer and obscures the many other actors involved in the making of buildings and cities.' These might include bot only the financial sector, but also 'politicians, princes and crime bosses.' The abilities of architects to comprehend these contradictory forces will be crucial in shaping the cities of the future.' In: The Architectural Review, November 2013.
Dutch artist Florentijn Hofman was commissioned by the Burgers' Zoo in Arnhem, Holland, to create a site specific installation to celebrate its 100th anniversary.
Le Corbusier never had one of his designs built in the UK, but the closest thing to a British Corbusian building might be St. Peter’s Seminary in Cardross, Schotland. The building was designed by the Gillespie Kidd & Coia office and completed in 1966. One of head architects, Isi Metzstein, died last month, something I only found out after visiting the site last week.
What you find when you go there - hidden on a hilltop just outside of Cardross, west of Glasgow - is amazing and horrific at the same time. The majestic piece of modernist architecture, featuring many imaginative elements, was practically obsolete by the time it was completed. The catholic institutions had witnessed decline, and by the end of the 1970s only some 20 students attended the college.After merely twenty years of use as a catholic college, seminary and monastery, the structure was abandoned in the early 1980s.
Eerste John Rawls Lezing, Gent, 18 oktober 2012
Gepubliceerd op www.liberales.be.
De mensheid is altijd geconfronteerd met grote problemen die om een oplossing vroegen. Soms was er niets aan te doen, bijvoorbeeld een ijstijd. Soms wel, bijvoorbeeld een epidemie. Miljoenen mensen zijn omgekomen door oorzaken waar het menselijk handelen niets mee te maken had, zoals tsunami’s, vulkaanuitbarstingen, overstromingen. Miljoenen ook zijn omgekomen als gevolg van menselijk handelen, met name door oorlogen.
Inleiding
Sinds ongeveer het midden van de vorige eeuw doet zich een nieuw probleem voor: we vragen meer van de aarde dan die kan leveren. Steeds als een probleem een relatie heeft met menselijk handelen, moet de vraag worden gesteld hoe rechtvaardig dat handelen is. Dat geldt dus ook voor het menselijk handelen dat leidt tot uitputting van de aarde. Daarbij gaat het om nu levende mensen die misschien door die uitputting zwaarder worden getroffen dan anderen, maar zeker zijn ook in het geding de rechten van nog ongeborenen. Zij zullen het straks met minder natuurlijke rijkdommen moeten doen dan wij. Past onze handelwijze, als het gaat om die aardbewoners van de toekomst, in de theorie van rechtvaardigheid van John Rawls?
Uitputting van de aarde
Laten we ons eerst buigen over de vraag of het wel waar is dat we de aarde aan het verschralen zijn. Niet iedereen is daar van overtuigd, zelfs niet iedere natuurwetenschapper. In 1972 verscheen het rapport van de Club van Rome. Daarin werd gewaarschuwd voor het tempo waarin we grondstoffen aan het opgebruiken zijn, bijvoorbeeld kwik, tin, koper. Niet alle maar wel veel van de voorspellingen uit dat rapport worden bewaarheid of zijn het al. De boodschap was vooral: we kunnen niet doorgaan op deze voet, met deze groei, met deze verspilling. De waarschuwing is grotendeels in de wind geslagen.
Inmiddels is een nieuw probleem zichtbaar geworden en gegroeid, dat van de klimaatverandering door broeikasgassen. De CO2-concentratie in de dampkring stijgt snel. Uit een recente studie bleek dat China nu per inwoner evenveel kooldioxide uitstoot als het geval is in de Europese Unie. (1) Er is een direct verband tussen de concentratie van CO2 in de atmosfeer en de temperatuur, dat staat vast. Het IPCC (International Panel on Climate Change) van de VN is na jaren van zorgvuldige metingen tot de conclusie gekomen dat het verbranden van fossielen (kolen, olie, gas) zeer waarschijnlijk mede schuldig is aan het snel stijgen van de CO2-concentratie en dus aan de temperatuurstijging. Het is moeilijk om dat onomstotelijk te bewijzen. Ook oceanen geven CO2 af, en nemen het ook op. Het aantal variabelen is groot. Vijftig miljoen jaar geleden was de temperatuur op aarde veel hoger dan nu. Op Antarctica was in de zomer de temperatuur boven nul, er was veel minder ijs, de zeespiegel was tientallen meters hoger dan vandaag de dag, maar de CO2-concentratie was dan ook zeer hoog. Waar kwam die kooldioxide vandaan? Wellicht van vulkanische uitbarstingen, zeker is dat niet. Kortom, absolute zekerheden hebben we niet over de oorzaak van de veranderingen.
Maar uit peer reviewed artikelen van klimatologen, geologen, biologen, natuurkundigen, blijkt dat zo’n 95% van de natuurwetenschappers van mening is dat het verbranden van fossielen wel degelijk een belangrijke oorzaak is van de stijgende CO2-concentratie, en daarmee van een stijging van de temperatuur van de atmosfeer. (2) Dus zou je zeggen dat het verstandig is er bij het maken van beleid van uit te gaan dat ze het bij het rechte eind hebben. Tot dusverre blijkt uit de verslagen van de internationale politieke conferenties over klimaatbeleid niet dat ze dat doen.
Ons energiebeleid is te weinig duurzaam. Het komt er op neer dat we liever gebruik maken van de energie die de zon in vroeger tijden heeft geleverd, en die is opgeslagen in de vorm van olie, kolen, gas, dan dat we rechtstreeks gebruik maken van de energie die de zon nu dagelijks levert. Maar er is meer aan de hand. Bijvoorbeeld: we vissen de oceanen leeg. Industriële visserschepen halen met enorme netten vis op, die door een grote pijp aan boord worden gezogen, die vervolgens worden ingevroren en verpakt. Per tocht wel 5 miljoen kilo vis. Bijvangst, zoals haaien, roggen, schildpadden, worden dood teruggegooid in zee. Wereldwijd worden de oceanen volledig bevist of overbevist volgens een recent rapport van de Voedsel- en Landbouworganisatie FAO. (3) Het betreft 87% van de marine visbestanden. Volledig bevist betekent dat de vangst zeer dicht bij de maximale duurzame productie zit en niet mag worden uitgebreid Er is in Nederland nog 1% van de hoeveelheid paling die er was in 1950.
Met landbouwgrond is ook veel aan de hand. Zo wil bijvoorbeeld de EU 10% van de motorbrandstof uit palmolie en dergelijke halen (vloeibare biobrandstoffen). De samenhang tussen energiemarkt en voedselmarkt veroorzaakt dan wel een nieuw probleem, en wel voor de voedselvoorziening. Het aantal hongerenden in de wereld lijkt op het ogenblik te stabiliseren op 16% van de wereldbevolking, terwijl de doelstelling van de VN was om voor 2015 het huidige aantal te halveren. (4) De voedselprijzen stijgen, landbouwgrond wordt onttrokken aan de arme bevolking.
Gedurende de miljarden jaren dat de aarde bestaat, zijn talloze geologische veranderingen opgetreden, waar mensen geen invloed op hadden. Ze deden zich o.a. voor door spanningen in de aardkorst, door aardbevingen, door vulkanische uitbarstingen, door inslag van meteorieten, door veranderingen in de activiteit van de zon, of door nog onbegrepen kosmologische gebeurtenissen. De soorten leven op aarde, planten en dieren, zijn dan ook gekomen en gegaan, o.a. door die geologische veranderingen. “Making novelties seems to be nature’s chief industry”, zei Havelock Ellis. Van alle soorten die er ooit zijn geweest, bestaat nu nog veel minder dan een procent. Maar sinds de industriële revolutie verdwijnen soorten zo´n duizend maal sneller dan voorheen en nieuwe soorten ontstaan lang niet in dat tempo. Men denkt dat van het aantal soorten dat er was in het jaar 1900 nog maar 15% over is. Deze vermindering van de biodiversiteit verontrust vele biologen, zoals in talloze gezaghebbende rapporten is te lezen.
Het recht van toekomstige generaties
Kortom, er zijn tal van aanwijzingen dat de aarde verschraalt en dat onze kinderen en kleinkinderen van minder aardse rijkdommen zullen kunnen profiteren dan wij. Is dat rechtvaardig? “Mensen kunnen geen mensen bezitten; en zo heeft ook geen enkele generatie het recht om te beschikken over generaties die nog moeten komen”, schreef Thomas Paine al meer dan 200 jaar geleden, zoals is te lezen in het boeiende boek over hem van Dirk Verhofstadt. (5)
John Rawls heeft een theorie van rechtvaardigheid ontwikkeld die, zegt hij, niet kan worden gefundeerd op een moreel vacuüm. Zoals axioma’s de basis zijn van wiskundige conclusies, moet een minimum aan morele consensus de grondslag vormen van conclusies over een rechtvaardige samenleving. Hij gaat er van uit dat mensen het vermogen hebben om redelijk en rationeel te zijn, op voorwaarde dat ze over fundamentele individuele vrijheden beschikken als verwervingskansen, prestige, en de maatschappelijke condities om zelfrespect te hebben. Hij vindt dit ‘primaire sociale goederen’. En dus moeten de sociale en economische instituties en de maatschappelijke uitgangspunten en instituties van de samenleving, zoals de grondwet, zo zijn ingericht dat de burgers over die fundamentele individuele vrijheden beschikken. (6)
Sociale instituties moeten in de eerste plaats rechtvaardig zijn, zoals denksystemen er in de eerste plaats op gericht moeten zijn om de waarheid te ontsluieren, zegt hij. Een theorie, hoe elegant en bondig ook, moet worden verworpen of herzien als hij onwaar is. Evenzo moeten wetten en instituties, hoe efficiënt en goed ze ook geregeld zijn, worden hervormd of afgeschaft als ze onrechtvaardig zijn. Moeten nu nog ongeborenen worden inbegrepen in deze theorie van rechtvaardigheid? Bij mijn weten heeft Rawls weinig geschreven over toekomstige generaties, maar het lijkt me in zijn theorie te passen om toekomstige generaties dezelfde rechten toe te kennen als de nu levende.
Want hij vindt dat de morele beginselen moeten worden gekozen onder de voorwaarde van een ‘sluier van onwetendheid’. Daarmee bedoelt hij dat mensen hun beginselen moeten kiezen alsof ze hun plaats in de samenleving niet kennen, noch hun maatschappelijke of sociale status, noch hun plaats in de tijd, dus in welke periode ze leven. Ze moeten doen alsof ze hun lot in de verdeling van natuurlijke gaven en vermogens niet kennen, en evenmin hun gezondheid of psychische gesteldheid. Alsof ze niet de specifieke omstandigheden kennen van hun eigen samenleving, noch de graad van beschaving en cultuur daarin. Alsof ze ook geen kennis hebben van de generatie waartoe ze behoren. Kortom, bij het bepalen van morele beginselen moet je er van uitgaan dat je zelf in ieder tijdperk, onder iedere omstandigheid, in iedere familie, met ieder willekeurig pakket aan eigenschappen en lichamelijke conditie in de tijd had kunnen zijn geplaatst. Welke morele beginselen zou je willen dat een samenleving hanteert als je zo willekeurig ergens in die samenleving terecht zou kunnen komen?
‘Geen kennis hebben van de generatie waartoe je behoort,’ noemt Rawls in zijn opsomming van de niet te weten zaken voor zijn sluier van onwetendheid. Het lijkt me dat je ervan uit mag gaan dat hij daartoe ook rekent het behoren tot een toekomstige generatie, nota bene ons eigen nageslacht. Het is niet makkelijk om van onze naaste te houden als van onszelf, maar hoe we van onze kinderen houden, komt toch dicht in de buurt. Wat moeten we doen om een rechtvaardige samenleving voor toekomstige generaties te garanderen, of ze minstens een kans te geven? Wij ontlenen onze welvaart aan de kennis die de mensheid heeft vergaard met hulp van het analytisch vermogen van onze hersenen, aan de energie van de zon en aan de rijkdommen van de aarde. De kennis van de mensheid neemt tot dusverre voortdurend toe, het einde daarvan is niet in zicht. De zon zal, zo mogen we verwachten, nog zo’n vijf miljard jaar doorgaan energie naar de aarde te stralen, dus daar ligt naar menselijke maatstaven geen probleem. Die energie moet wel nog worden omgezet in een voor ons bruikbare vorm, maar dat is technisch simpel. Het probleem is het slinken van de voorraad aardse rijkdommen.
Voor het fabriceren van ieder stoffelijk economisch product zijn grondstoffen nodig die de aarde levert: minerale, plantaardige, dierlijke grondstoffen. De voorraad is eindig. Binnen een eindig systeem stuit voortgaande groei onvermijdelijk op een grens. Als de groei exponentieel is, is de grens des te sneller bereikt. Ook dat is een natuurkundige zekerheid. Het was de essentie van de boodschap van de club van Rome. Maar we hebben een economisch systeem ontwikkeld dat is gebaseerd op groei. Als het systeem hapert – een stagnatie, een recessie – kennen de meesten van onze politici en economen maar één medicijn: herstel de groei, jaag de consumptie weer aan. Dat geldt onverminderd voor de economische crisis waar we nu inzitten. En even zeker is dat dit op den duur geen oplossing kan zijn.
Ons economisch systeem belast de aarde nu al zwaarder dan de aarde aan kan. Dat vertaalt zich in stijgende prijzen van voedsel en grondstoffen. We kunnen het dagelijks waarnemen op de financiële pagina’s van de kranten. De Verenigde Staten zijn afgelopen zomer geteisterd door extreme droogte, waardoor de graanoogst erg heeft geleden. Dat leidt tot hogere graanprijzen op de wereldmarkten en daarvan zijn in de eerste plaats de armsten de dupe. Zo gaat het bijna altijd. Rampen van allerlei aard treffen de armsten in het algemeen veel ernstiger dan de rijken. De droogte in de VS is maar een voorbeeld, een teken. De Noordpool heeft sinds daar metingen over worden verricht nog nooit zoveel ijs verloren als afgelopen zomer, heeft de NASA bekend gemaakt. De oceanen verzuren, leert een recent rapport van de universiteit van Utrecht. Maar we willen de tekenen niet zien.
In juni jongstleden was er weer eens een klimaatconferentie van de VN. Opnieuw in Rio de Janeiro, waar in 1992 ook de eerste klimaatconferentie werd gehouden. Het resultaat was een vage slotverklaring, waarin nauwelijks meer stond dan een herhaling van de voornemens en beloften van 1992. De UNEP, dat is de VN-organisatie voor milieuthema’s, heeft een rapport uitgebracht - het GEO-5-rapport - waarin de situatie wordt samengevat (7). De conclusie van de UNEP was: ‘De overwinning van de term “Duurzame Ontwikkeling” is beter zichtbaar in onze retoriek dan in de werkelijkheid.’ Van de 90 milieudoeleinden die de wereld zichzelf had gesteld bleek onmiskenbare vooruitgang beperkt tot slechts vier gevallen. In de echt grote uitdagingen, zoals beperken van klimaatverandering, zit geen vooruitgang.
Waar ging het over? De rijke geïndustrialiseerde landen zeggen dat de dure maatregelen die nodig zijn om de planeet te beschermen alleen zinvol zijn en dat ze eigenlijk alleen bereid zijn die te nemen als ook de ontwikkelingslanden bij hun enorme groei rekening houden met het milieu. ‘Dat is best,’zeggen de arme landen, ‘als jullie het betalen, want jullie hebben het probleem veroorzaakt.’ Daar voelen de rijke landen weinig voor. Er stonden twee thema’s centraal in Rio: Een groene economie in de context van duurzame ontwikkeling en armoede bestrijding. En een institutioneel kader voor duurzame ontwikkeling. Die thema’s worden in de praktijk gereduceerd tot het begrip ‘groene economie’, en dat wordt dan weer ‘groene groei’. Gewoon doorgaan met de groei maar dan wat groener, wat hopelijk wat duurzamer is.
In het bedrijfsleven, ook vertegenwoordigd in Rio, zit veel beweging. Steeds meer ondernemingen zien in dat er wat moet gebeuren: ze willen wel, maar daarvoor is een gelijk speelveld nodig, anders redden de ‘groene’ ondernemers het niet. Ze willen richtlijnen en wetgeving van de politiek om zo’n gelijk speelveld te creëren. Wat dat aangaat is Rio 2012 totaal mislukt.
De aard van het probleem
Het probleem waar we mee kampen (we vragen meer van de planeet dan die aan kan) is zeer complex. Laat me drie aspecten noemen waardoor het zo complex is. (1) Het kan alleen op mondiale schaal worden opgelost. (2) Het zit niet in de genen van de mens om langetermijnbeleid te voeren. (3) Er is geen eensluidende wetenschappelijke analyse.
De mondiale schaal. De temperatuur van de dampkring trekt zich niets aan van landsgrenzen. Vervuiling van de atmosfeer evenmin. Er zijn eerder problemen geweest die de hele aarde betroffen, bijvoorbeeld de meteorietinslag waardoor o.a. een groot aantal diersoorten niet heeft overleefd. Daar hadden mensen niets mee van doen. Nu is er voor het eerst een probleem dat de hele globe betreft en dat weldegelijk door mensen wordt veroorzaakt. Dus wordt de hele wereld geconfronteerd met de vragen: Hoe lossen we het op? Wat is rechtvaardig? We kunnen opnieuw te rade gaan bij John Rawls. Zijn Theory of Justice heeft betrekking op een gesloten politieke gemeenschap, al hield hij zich al wel, zij het beperkt, bezig met de vraag onder welke omstandigheden een oorlog is gerechtvaardigd, zoals Percy Lehning in zijn instructieve boek over Rawls uiteen zet. (8) Jaren later, in de monografie The Law of Peoples ontwikkelt Rawls de rechtvaardigheidstheorie ook voor de internationale omgeving (9).
Rawls wil niets weten van de opvatting dat het slechts zou gaan om staten als amorele entiteiten die alleen rationeel hun eigenbelang nastreven. Zijn theorie betreft een internationale gemeenschap van volkeren, waarin sprake hoort te zijn van morele gelijkwaardigheid. Ook hier hanteert hij weer de ‘sluier van onwetendheid’: bepaal je morele gedrag alsof je niet weet wat de omvang van de natuurlijke hulpbronnen is en welk niveau de economische ontwikkeling in jouw land heeft, en wat het tijdsbestek is waarin je leeft. Dat is allemaal mooi, maar Rawls constateert dat er nu eenmaal geen gedeelde mondiale politieke cultuur is die inhoudt dat burgers van verschillende landen zich als ‘vrij en gelijk’ verenigd zien in één enkel wereldomvattend samenwerkingsverband ‘tot wederzijds voordeel’.
Lehning zegt dat nu eenmaal mondiaal niet het idee wordt gedeeld dat de verdeling van bijvoorbeeld natuurlijke hulpbronnen niet gebaseerd zou mogen zijn op factoren die vanuit moreel standpunt arbitrair zijn. Met andere woorden: Als land A meer hulpbronnen heeft dan land B, pech gehad. Niet dat Rawls dat een goede zaak vindt, hij constateert het als een gegeven. Dan ben je dicht bij de opvatting: land B moet zich niet bemoeien met wat land A doet met zijn natuurlijke hulpbronnen. Maar, als ik hem goed heb begrepen, keurt Rawls dat apert af. Het is in strijd met het principe gebaseerd op de ‘sluier van onwetendheid’. Want dat principe leidt tot een internationale samenleving van goedgeordende liberale volkeren die op grond van een overlappende consensus een aantal beginselen onderschrijven, zoals het nakomen van verdragen. Bij die beginselen hoort ook dat volkeren de plicht hebben andere volkeren bij te staan als die onder bepaalde ongunstige omstandigheden leven.
Het milieuprobleem is een mondiaal probleem. Dat wordt al lang onderkend. Er wordt geprobeerd het op te lossen door middel van internationale verdragen. Soms werkt dat. Het meest bekend is het succesvolle Montrealprotocol, waarin werd afgesproken om de uitstoot van chloorfluorkoolwaterstoffen in drijfgassen aan banden te leggen, om de aantasting van de ozonlaag tegen te gaan. Het protocol ging op 1 januari 1989 in werking en over de hele wereld heeft men er zich aan gehouden. In 1992 is in Rio een Wereldklimaatverdrag opgesteld. In 1997 is dat in Kyoto aangevuld met gedetailleerde afspraken over de reductie van broeikasgassen. Maar in 1992 zei de Amerikaanse president George Bush senior dat hij bereid was mee te werken aan duurzame ontwikkeling, alleen moest men wel goed begrijpen dat de American way of life, dus de grondstoffen- en energieverspillende levenswijze van de Amerikanen, niet ter discussie kon staan.
Het is onmogelijk dat iedere aardbewoner het welvaartsniveau van de gemiddelde Amerikaan bereikt – zoveel kan de aarde eenvoudigweg niet leveren – dus betekent die uitspraak dat Bush er geen moreel probleem in zag dat de verschillen permanent zouden zijn. Ik denk dat Rawls dat ook als onvermijdelijk zag, en wellicht ook moreel verdedigbaar vond, maar dat de afspraken in het milieuverdrag van 1992 niet worden nagekomen, daar kan hij niet mee hebben ingestemd (De VS hebben het Kyotoprotocol overigens niet ondertekend.). Het probleem kan alleen mondiaal worden opgelost. Dat uitgangspunt ligt aan de basis van de klimaatconferenties, maar de offers die voor de oplossing worden gevraagd, worden door de politiek nog niet geaccepteerd. Vaak zijn oplossingen pas mogelijk na een ramp. Een ramp is gewoonlijk een krachtiger argument dan honderd gedegen studies. Het aantal natuurrampen neemt aanwijsbaar toe, (geen wonder: een warme dampkring bevat immers meer energie dan een koele), maar gevreesd moet worden dat zo lang rampen niet met name rijke blanke mensen treffen, het effect nog gering zal zijn.
Het zit niet in de genen van de mens om langetermijnbeleid te voeren. In de miljoenen jaren die het heeft geduurd voordat de primaat mens zich had ontwikkeld, is zorg voor de lange termijn niet aan de beurt gekomen. Om te overleven moest er ‘hier en nu’ voedsel zijn, en veiligheid, en de mogelijkheid om de weerloze nakomeling te beschermen. In de Darwinistische mechanismen speelt zorg voor de lange termijn geen rol. Onder andere daardoor hebben heel wat diersoorten hun eigen ontwikkeling niet overleefd. We kunnen die zwakke plek in onze genen dagelijks constateren. We hebben alles over voor ons kind, maar zorgen voor een leefbare aarde, waar ons kind een groot belang bij heeft, ontsnapt aan onze aandacht, dat brengen we niet op. We erkennen moeiteloos dat toekomstige generaties rechten hebben, maar we handelen er niet naar.
Ik denk dat de ontwikkelingsgeschiedenis van onze genen de meest fundamentele verklaring is voor onze onmacht om een lange termijnbeleid te voeren. Om te overleven voor een individu, of voor een soort, is het veel belangrijker om te reageren op direct gevaar dan op gevaar op de lange termijn. Harvard professor Dan Gilbert constateerde in dit verband al enkele jaren geleden dat we nauwelijks op gevaar reageren als dat niet komt van andere mensen. Dat is evolutionair bepaald. (10) In de laatste fase van de ontwikkeling van de primaat mens zijn de hersenen van die primaat zodanig gegroeid en hebben ze zich zodanig ontwikkeld dat analytisch denken mogelijk is geworden. Echter, de grotere denkkracht die we nu hebben wordt bij ons handelen, ons reageren op gevaarlijke ontwikkelingen, het nemen van beslissingen op allerlei terreinen, lang niet altijd ingeschakeld. ‘Ik moet er een nachtje over slapen’, zeggen we en de volgende morgen nemen we een besluit op gevoel, zonder dat daar een nachtelijke analyse aan te pas is gekomen. Heel veel van wat we doen, doen we gevoelsmatig, niet anders dan andere primaten, hoe vaak schakelen we het analytische vermogen van onze hersens eigenlijk in? Maar die capaciteit hebben we wel, ook een product van de evolutie. Met hulp van die analytische capaciteit moet het mogelijk zijn tot een beleid te komen dat onze nakomelingen, die dezelfde rechten hebben als wij, een leefbare aarde biedt.
Er is geen eenduidige wetenschappelijke analyse. Het weer is een gesteldheid van de atmosfeer op een beperkt gebied, de temperatuur aldaar, de vochtigheid, de windkracht en -richting, de bewolking. Het klimaat is de gemiddelde gesteldheid van de toestand van de atmosfeer, van het weer dus. Er wordt veel gemopperd over de weersverwachting, maar een feit is dat die enorm is verbeterd, onder andere door de waarnemingen per satelliet en doordat ingewikkelde differentiaalvergelijkingen door computers kunnen worden opgelost. Maar het blijft lastig om het weer te voorspellen, omdat het aantal variabelen groot is. Vaststellen wat het weer is op een bepaald moment is eenvoudig (simpele metingen) en ook een langjarig gemiddelde van een voorbije periode is dus eenvoudig en nauwkeurig te bepalen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor veranderingen van het klimaat. Maar de oorzaak van veranderingen, dat is wat anders. Die is afhankelijk van talloze variabelen waarvan op hun beurt de oorzaak van verandering dan weer moet worden gekend.
De oorzaak van de klimaatsverandering die de laatste halve eeuw wordt gemeten is dan ook niet onomstotelijk vastgesteld. Daarover bestaan verschillen van mening tussen wetenschappers. Dat is niets ongebruikelijks. Opmerkelijk is echter dat ook vele niet-wetenschappers, of niet-natuurwetenschappers, zich een oordeel permitteren. Er wordt door niet-wetenschappers steeds minder onderscheid gemaakt tussen strikt wetenschappelijke discussie en maatschappelijke respons. Een voorbeeld. Stel een klimaatwetenschapper zegt: ‘De temperatuur van de atmosfeer stijgt onder andere door antropogene factoren,’ (het verbranden van fossielen) en hij voegt er aan toe: ‘dus moeten we meer gebruik maken van de energie die de zon dagelijks naar de aarde straalt.’ Dan kunnen klimaatsceptici hem aanvallen op het tweede deel van zijn bewering, die niet wetenschappelijk is maar politiek. Dit soort vervuiling van het debat tref ik veel aan.
Hoe dat ook zij, de belangrijkste conclusies in verreweg de meeste van de peer reviewed artikelen over klimaatverandering wijzen in de richting van antropogene invloed op de temperatuurstijging, maar er blijven tegenwerpingen komen, ook wetenschappelijk gefundeerde. Wat te doen? Je zou zeggen: neem het zekere voor het onzekere. Als er misschien een bom in je huis ligt, betreed je dat huis even niet. Als er tien procent kans is dat een brug instort, wie rijdt er dan nog overheen? Je kunt ook je toevlucht nemen tot een veel beproefde methode van toekomstvoorspellers, namelijk de Delphi-methode.
Het is een onderzoeksmethode waarbij men aan een groot aantal deskundigen vraagt welke toekomstverwachting ze hebben op een bepaald gebied. In dit geval zou de vraag kunnen zijn of ze verwachten dat door menselijk handelen de temperatuur op aarde gevaarlijk snel en tot een gevaarlijke hoogte zal stijgen. De antwoorden worden terug gekoppeld naar andere experts, waarna in een aantal rondes een bepaald toekomstbeeld ontstaat. Naast de in het bedrijfsleven veel gebruikte scenariomethode is het vaak een nuttig hulpmiddel gebleken om een voorspelling te doen over het effect op de toekomst van iets wat we doen. De toekomst voorspellen doen we overigens allemaal, iedere dag, bij ieder besluit dat we nemen: Ik voorspel dat we vanavond gasten hebben, dus ik schil wat meer aardappels.
De verantwoordelijkheid van de natuurwetenschappen
We vragen meer van de aarde dan die kan leveren. De verantwoordelijkheid van de natuurwetenschappen ten aanzien van dit probleem is groot. Want (1) Het is de wetenschap die de enorme groei van productie en consumptie mogelijk heeft gemaakt. (2) Wetenschap heeft veel meer inzicht in de processen, de gevaren, de mogelijkheden, de oplossingsrichting, dan bijvoorbeeld de politiek. (3) Wetenschappers zijn ook staatsburgers, en net als iedereen hebben ze dus de taak om de samenleving, dus de politici, te waarschuwen voor de gevolgen als het beleid niet verandert.
De invloed van de resultaten van wetenschap en techniek op het reilen en zijlen van de huidige samenleving is evident. Voedselvoorziening, gezondheid, communicatie- en verplaatsingsmogelijkheden, in het algemeen de welvaart, voor een groot deel danken we die verworvenheden aan wetenschap en techniek. De beslissing over de manier waarop nieuwe kennis of nieuwe producten worden gebruikt, neemt de wetenschap in het algemeen niet. Dat gebeurt door de wisselwerking van bedrijfsleven en consument, met randvoorwaarden die de politiek stelt. Als het gaat om wapens nemen politici en militairen de besluiten over ontwikkelingen die W en T mogelijk hebben gemaakt. Ik verwijs kortheidshalve naar de discussie over de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in 1945: natuurkundigen maakten de bommen, Truman nam het besluit ze te gebruiken. Over de verantwoordelijkheid van de natuurkundigen in deze zaak is naderhand veel gediscussieerd.
Wetenschappers zijn het best toegerust om te beoordelen wat de gevolgen van het gebruik van hun ontdekking kunnen zijn. We hebben de samenleving zo ingericht dat politici vooral bezig zijn met de korte termijn. Verkiezingen staan altijd voor de deur en als een politicus bij verkiezingen verliest kan hij het door hem juist geachte beleid niet voortzetten. De media drukken hem met zijn neus op de feiten van de dag. Soms de waan van de dag. Zijn kiezers zijn veel meer geïnteresseerd in de broodprijs nu dan in de toestand van de aarde over dertig jaar. Daar komt nog bij dat handelen met het lange-termijn-belang in het hoofd, niet in de menselijke genen is vastgelegd. Wetenschappers echter zijn per definitie analytici. Zij kunnen door de aard van hun werkwijze niet alleen eventuele gevolgen van het gebruik van hun ontdekkingen tot op zekere hoogte voorzien, maar ook kunnen zij beter dan de meesten het ware van het minder ware of onware onderscheiden. Ze zijn beter dan enige andere maatschappelijke groepering toegerust om een scenario voor de toekomst maken.
Wetenschappers, staatsburgers als ieder ander, maar toegerust met meer kennis, hebben daardoor extra verantwoordelijkheid, en die hebben ze te dragen. Als ze zien aankomen – en de meesten van hen zien het aankomen – dat het mislukken van de klimaatconferentie in Rio, het niet uitvoeren van internationale verdragen, het falen van klimaatbeleid in het algemeen, verpaupering van de aarde tot gevolg zal hebben en mensenlevens gaat kosten, dan hebben ze de plicht als staatsburgers om van zich te doen horen, veel luider en dringender dan ze tot nu toe doen.
Het probleem onder ogen zien
Aan het eind van de jaren twintig van de vorige eeuw luidde een beurscrisis het begin in van vele jaren schrijnende werkloosheid en economische neergang. Strengere eisen aan en toezicht op banken, samen met de totstandkoming van de Keynesiaanse economie, hebben toen een oplossing gebracht. Vijf jaar geleden heeft weer een financiële crisis het begin ingeluid van een periode van economische stagnatie. Maar het probleem heeft een wezenlijk andere component dan dat van tachtig jaar geleden: het begint duidelijk te worden dat de vraag naar grondstoffen het aanbod begint te overstijgen. De aarde is nu eenmaal een eindig systeem. Het stijgen van de prijzen van grondstoffen en voedsel is misschien van tijdelijke aard, maar het zal zich bij voortgaande materiële economische groei in de toekomst structureel gaan voordoen: een gevolg van het overvragen van de aarde.
Vorige maand waren er in Nederland verkiezingen voor de Tweede Kamer. In de verkiezingsstrijd presenteerden lijsttrekkers in verschillende toonaarden de manier waarop ze Nederland door de crisis gingen helpen. Niet één lijsttrekker heb ik horen analyseren wat de oorzaak is geweest van de crisis, een analyse die toch aan de basis hoort te liggen van het bedenken van een oplossing. Ik heb niet gehoord dat de crisis is ingeluid door het neoliberale gebrek aan regulering van de banken. Evenmin heb ik gehoord dat de ongecontroleerde uitbuiting van de aardse rijkdommen de crisis verdiept. Rawls ging ervan uit dat mensen weldegelijk redelijk en rationeel kunnen handelen, maar dat er dan wel aan enkele voorwaarden moet zijn voldaan. Hij voegde eraan toe dat je redelijk en rationeel handelen alleen kunt verwachten in een goedgeordende samenleving. En ook dat een minimale eis is voor het goedgeordend zijn van een samenleving dat de fundamentele vrijheidsrechten voor alle mensen er goed in zijn geregeld. Kortom, we weten dat er nog een lange weg is te gaan voordat er op de hele wereld aan die voorwaarde is voldaan.
Handelen mensen redelijk en rationeel in een zoals door Rawls bedoelde goedgeordende samenleving? Ik vrees dat een dosis scepsis hier op z’n plaats is. We moeten constateren dat hebzucht een grote plaats inneemt bij het handelen van mensen. In de jaren zeventig gingen Nederlanders nog naar het Malieveld om te protesteren tegen de neutronenbom, de apartheid in Zuid Afrika, om zich uit te spreken voor of tegen kerncentrales. Veertig jaar later, nu we veel rijker zijn geworden, gaan de enkele demonstraties die nog worden gehouden over geld. Studiefinanciering. Wie betaalt de kinderopvang. Naarmate de welvaart groeit, neemt de solidariteit af. Redelijk en rationeel handelen? Jaagt de neo-liberale politiek die al enkele tientallen jaren in veel industrielanden de overhand heeft, de hebzucht van mensen aan? Meer en meer zien we ook de fact free policies de kop opsteken. My mind is made up, dont confuse me with the facts. Die houding wordt door sommigen serieus verdedigd.
Max Weber vond al dat de politiek niet aan de leiband van feiten mag lopen. Mijn gevoel is dat de discussie over maatschappelijke ontwikkelingen tussen politici, burgers en wetenschappers vaak onzuiver is door de veelheid aan, en veelkleurigheid van de media. Een wetenschapper zegt op de televisie niet gauw - en terecht - dat hij iets zeker weet. De burger denkt dan: ‘Dus de wetenschap weet het ook niet.’ ‘Uw mening is er dus een van velen,’zegt de politicus, voor wie het standpunt van de wetenschapper slecht uitkomt. Waarmee een fact free policy z’n gang kan gaan. Er is iets voor te zeggen dat het visionaire politieke debat niet te zwaar belast wordt met wetenschappelijke feiten, maar als een politicus de feiten niet wil weten voordat een concrete beleidsmaatregel wordt genomen, dan zijn we niet meer bezig met redelijke en rationele mensen in een goedgeordende samenleving.
Mogen we hopen dat de juiste maatregelen voor hen die na ons komen, zullen worden genomen op grond van de rechtvaardigheidsprincipes van Rawls? Dat zou mooi zijn, maar misschien was dit concept van Rawls wel meer fact free dan redelijk en rationeel. Want als de negatieve gevolgen van ons handelen nu zich gaan manifesteren in natuurrampen, hoe redelijk en rationeel blijven we dan? Sprekend over toekomstige generaties zegt Rawls dat elke generatie niet alleen de verworvenheden van cultuur en beschaving moet bewaren en de gevestigde rechtvaardige instituties intact moet houden, iedere generatie moet ook in iedere periode een redelijk bedrag aan reëel vergaard kapitaal opzij leggen. We moeten sparen voor de toekomst. Dat past in het concept dat we de aarde steeds beter, steeds bewoonbaarder moeten maken.
Dat is juist voor wat betreft kennis. De aarde is in een bepaald opzicht wel degelijk beter geworden: een tweedejaars student natuurkunde nu weet meer van natuurkunde dan het genie Newton heeft geweten. En toch was de man zijn tijd honderd jaar vooruit. Er is ook steeds meer land ontgonnen, er zijn meer fabrieken gebouwd, de ruimte is verder verkend, enzovoorts. Vanuit dat gezichtspunt vond Rawls het sparen voor de toekomst geen echt probleem, want hij vond waarschijnlijk dat toekomstige generaties voldoende toegenomen voordelen zouden hebben die zouden opwegen tegen vrijwel alle huidige offers. Met meer kapitaal en betere technologie zal het mogelijk zijn alle mensen te onderhouden.
Deze denkwijze past in de overwegingen die hebben geleid tot de BTW, belasting op de toegevoegde waarde. Ik denk overigens dat we inmiddels moeten overstappen op een belasting op de afgenomen waarde. Een afname van de beschikbaarheid van grondstoffen waarmee een product is gemaakt. In die filosofie zou een nieuw product moeten worden belast, de reparatie van een kapot product niet. In tegenstelling tot Rawls denk ik dat het een enorm probleem wordt om in 2050 negen miljard mensen veiligheid en een redelijke mate van welvaart te bieden. Als je meer van de aarde vraagt dan hij kan leveren, doe je het tegenovergestelde van sparen, dan ben je aan het potverteren.
Maar ik ben het volstrekt met Rawls eens dat redelijk en rationeel handelen een vereiste is die alleen kans heeft in een goedgeordende samenleving met vrijheidsrechten. Rechtvaardigheid en vrijheidsrechten, ze zijn bij Rawls nauw verbonden. Zijn eerste beginsel van rechtvaardigheid luidt in een eerste formulering: ‘Elke persoon dient een gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide stelsel van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar stelsel van vrijheden voor anderen.’ De politiek zal er nog een tijd druk mee zijn om gelijke fundamentele vrijheden in het hier en nu te realiseren. We moeten vrezen dat fundamentele vrijheden voor de nu nog ongeborenen voorlopig onvoldoende aan de beurt komen. Moeten zij die na ons de aarde gaan bewonen de mogelijkheid hebben om te kunnen genieten van een redelijke mate van biodiversiteit? Van oceanen die nog visrijk zijn? Van landbouwgronden die nog vrucht dragen?
Daar zegt de theorie van rechtvaardigheid van Rawls ja op. Maar de realiteit laat zien dat de politiek er voorlopig nog niet aan toe is de daarvoor noodzakelijke maatregelen te nemen. Er is nieuw beleid en een anders gerichte economie nodig. Dat zal moeilijk te verwezenlijken zijn, op grond van de bovengenoemde argumenten. In mijn ogen gaat zuiver liberalisme in de eerste plaats over geestelijke vrijheid, vrijheid van denken en van meningsuiting. Economische vrijheid staat al gauw de vrijheid van anderen in de weg, dus economische vrijheid zal in onze complexe wereld altijd gepaard moeten gaan met een marktmeester die onrechtvaardigheden opspoort en nog liever voorkomt.
Laat de politiek zich te weinig gelegen liggen aan de wetenschap? Voor mij is het meer de vraag of wetenschappers voldoende beseffen welke verantwoordelijkheid ze dragen voor de samenleving, of ze naast een wettenschappelijke taak ook hun taak als staatsburgers zien om politici tot de juiste beslissingen te brengen. Ik besef dat het lastig is en in zekere zin onnatuurlijk voor wetenschappers. Een politicus moet overtuigend overkomen, een wetenschapper voelt zich prettig bij zijn twijfel. Maar toch moet er iets gebeuren.
Een voorstel: Ik zou willen dat wetenschappelijke verenigingen van klimatologen, geologen, natuurkundigen, biologen, en anderen bij voorbeeld volgend jaar op een en dezelfde dag op meerdere plaatsen in de wereld een internationaal congres houden waarin ze een redelijke mate van consensus vinden over de noodzaak om de economische inrichting van de samenlevingen te veranderen. Dat zou wellicht indruk maken op politici en economen. Het zou een aanzet kunnen zijn tot verandering van beleid door politici. Het kan economen er toe aanzetten te bedenken welke alternatieven er zijn voor de groei-economie waar we ons nu aan vast lijken te klampen, het type economie dat zijn houdbaarheidsdatum vrijwel heeft bereikt.
Ik pleit voor een actievere rol van de wetenschappers, die het eerst en het best de problemen voor toekomstige generaties kunnen overzien. Ik vind dat ze uit hun veilige ivoren torens moeten komen en als staatsburgers op de barricaden moeten, in het besef dat hun kennis niet alleen hun eigendom is, maar toebehoort aan de hele gemeenschap. Waar kennis groeit, groeit verantwoordelijkheid.
Jan Terlouw
Voetnoten
(1) Planbureau voor de leefomgeving, Lange termijntrend in Mondiale Co2-emissies, rapport 2012.
(2) Helden uit Noodzaak, Paul Gilding, mauritsgroen.mgmc
(3) Rapport van de Landbouw- en Voedselorganisatie FAO, 2012.
(4) Zie bv.het kennisdossier van NCDO, voedselzekerheid, globaliseringsreeks 2.
(5) Het liberale denken van Thomas Paine, Dirk Verhofstadt (red.) Houtekiet 2009, ISBN 978 90 8924 089 7
(6) Een theorie van rechtvaardigheid, John Rawls, Lemniscaat 2006,ISBN 978 90 477 0160 6.
(7) United Nations Environment Program, GEO5-rapport, juni 2012
(8) Rawls, door Percy B. Lehning, Lemniscaat 2006, ISBN 90 5637 798 1
(9) The Law of Peoples, John Rawls, Cambridge Mass. Harvard University Press.
(10) Marco Visser in Trouw van 26/7/12 over Dan Gilbert en zijn uitspraken over de evolutionaire oorzaken van ons negeren van het klimaatprobleem.
Interessante lezing van Willem Schinkel op RUIMTEVOLK Expeditie 2012. Over het eigenaarschap van de ruimte, het belang van de utopie en de verschuiving van de dominantie van het private naar de dominantie van het publieke.
Klinkt lichtelijk naar de colleges van Michiel Dehaene over theoriën die terug te vinden zijn in: Heterotopia and the City, Public space in a postcivil society (2008).
Onderstaand betoog werd geschreven voor D66 talentstimuleringsprogramma Route66 in november 2012.
Het moge algemeen bekend worden verondersteld dat we in Nederland buitengewoon gehecht zijn aan een planmatige aanpak van onze ruimtelijke ordening. Iets om trots op te zijn. Het heeft ons schitterende en over het algemeen zeer leefbare steden gebracht, waarin een ieders belang keurig is afgewogen in de gemaakte keuzes. Het heeft ons echter ook de stad van vandaag gebracht. Een stad die verlamd lijkt door een vastgelopen woningmarkt en een vrijwel volledig gecommercialiseerde bouweconomie waarin het zo goed als onmogelijk is nog een nieuw project gefinancierd te krijgen.
Mijns inziens schreeuwt deze situatie om een verfrissende dosis menselijke schaal in onze ruimtelijke ontwikkeling. Deze menselijke schaal staat op enorme afstand van de schaal waarop wij op dit moment onze wijken vernieuwen of nieuwbouwprojecten realiseren. Een vreemde dynamiek van politiek en economisch gewin is de motor achter die ontwikkelingen. Met het wegvallen van het economische gedeelte van die motor, mag het politieke deel zich grondig herbezinnen. Als het niet de grote ontwikkelaars en beleggers meer zijn die investeren in de kwaliteit van de steden, wie zijn het dan wel? Ook vanuit dit rationele perspectief pleit ik voor de menselijke schaal. De schaal van individuen en groepen individuen die hun eigen stad maken.
U zult begrijpen, dit is alleen mogelijk met een enorme mate van deregulering. Alleen mogelijk als een bedrijventerrein uit het verleden gemakkelijker een buurt met gemengde functies kan worden. Alleen mogelijk als mensen daadwerkelijk zelf kunnen kiezen waar ze wonen en waar ze werken, waar ze een school stichten en waar een winkel kan komen. Een verdichting van de stad betekent minder ruimte om auto’s te parkeren. Moeilijk te verkopen in Nederland, tenzij je in overweging neemt dat een multifunctionele ontwikkeling ook minder auto’s vraagt.
Als mensen zelf hun plek in de stad kiezen en de plek van hun voorzieningen in de stad bepalen, als de daadwerkelijke vraag bepaalt waar wel of niet winkels komen, dan zal de bewoner zich meer herkennen in zijn eigen leefomgeving. Waarschijnlijk zijn geen twee straten in een nieuwe wijk dan meer hetzelfde, en waarschijnlijk veranderen twee straten die nu nog hetzelfde zijn door het eigen initiatief van gebruikers tot twee onderscheidende plekken. Het lokale initiatief stimuleert eigenheid en identiteit, herkenbaarheid, oriëntatie en binding met de leefomgeving.
Geef een schoolbestuur (een stichting of vereniging) zelf het geld om te voorzien in een nieuw gebouw. Geef ze het liefst ook enige vrijheid om zelf de plek te kiezen. Ze zullen met een minimaal budget iets geweldigs maken. Omdat ze het kunnen doen op die plek waar die school daadwerkelijk hard nodig is, en omdat ze vanuit het draagvlak in de buurt met gemeenschappelijke inspanningen meer voor elkaar kunnen krijgen met minder geld. Gewoon door zelf te doen wat zelf kan. Omdat mensen het belang inzien van de ontwikkeling en omdat het niet ‘een school’ maar ‘hun school’ is.
Als het gaat om woningbouw zijn er de voordelen van het collectief ontwikkelen, om de eenvoudige reden dat dit de kosten drukt en in een verdichtende context technisch noodzakelijk kan zijn. De financiering van dergelijke projecten vraagt niet meer om grote investeerders maar slechts om de optelsom van de financiering van individuele woningen. En om een flinke dosis lef. En natuurlijk kun je niemand het recht ontzeggen om een goede woning te ontwikkelen voor iemand anders, als hij daar het talent voor heeft. Maar waarom zou iemand een dergelijk bouwwerk nog kopen zonder te weten welke kwaliteit hij precies mag verwachten? Als je in dit toekomstbeeld een goede projectontwikkelaar bent, dan ben je waarschijnlijk in staat om éérst te bouwen en vervolgens een bewezen goed product te verkopen.
Het lijkt wellicht of de rol van de overheid in mijn toekomstvisioen verdampt is. Het tegendeel is echter waar. De overheid zou zich moeten bezighouden met precies dat wat de overheid ook deed in de periode dat de steden ontstonden die we nu zo waarderen. Veel historische binnensteden zijn het resultaat van heel veel eigen initiatief, eeuwen lang over elkaar heen gestapeld, in combinatie met een overheid die het strikt noodzakelijke deed: zorgen dat pleinen en straten open bleven en dat de bouwwerken aan enige randvoorwaarden voldeden om praktische problemen en al te onveilige of ongezonde situaties te voorkomen. Dit is een werkelijke regie van de ruimtelijke ordening. Een regie waarin voor de grote projectontwikkelaar dezelfde spelregels gelden als voor de individuele burger en de kansen gelijk zijn.
Met slechts de helft van bovenstaande toekomstdroom zou Nederland al veranderen in een land dat niet planmatig is maar wel gestructureerd. Geen land dat bedacht is op basis van abstracte regels en onbegrijpelijke principes, maar een leefomgeving die ontstaan is aan de hand van het gedrag van een collectief van individuen: de maatschappij. Natuurlijk is België daarin niet ons zaligmakende voorbeeld, maar wie goed kijkt herkent wel het individu, de menselijke schaal, herkenbaarheid en eigenheid in dat wat daar gebouwd wordt. De samenhang beperkt zich tot wat men onderling afspreekt, collectief ontwikkelt of die zaken die afgedwongen worden door ruimtelijke minimumeisen die de overheid stelt.
Met een gezonde dosis Belgische toestanden kunnen we onze ruimtelijke ordening transformeren van een ongelukkig huwelijk van pseudodemocratisch, inspraakgestuurd NIMBY-denken met de macht van grote investeerders naar een prettig samengaan van overheidsregie en de kracht van het ondernemende individu.
Volgens mij moeten we een keer ophouden ons te laten verleiden uitspraken te doen over hoe Nederland er over tien jaar bij ligt, of hoe de stad van de toekomst eruit ziet. Architecten zijn geen helderzienden. Natuurlijk moet je trends en ontwikkelingen extrapoleren en daar adaptieve plannen voor maken. Maar tegelijkertijd leert de ervaring dat er ook gebeurtenissen aankomen die je absoluut niet van te voren kunt voorspellen en die een des te grotere impact hebben. Om ‘the impact of the highly improbable’ te kunnen opvangen moet je je concentreren op robuuste en flexibele open plannen, in plaats van op dat ene vernieuwende idee van de toekomst. Vernieuwing met als enige doel vernieuwing doet volgens mij niet ter zake. Evolutionaire vernieuwing vind ik veel interessanter. Innovatie is volgens mij eerder de verlichting van het (niet meer) bekende in een nieuwe context. Daarom is het ook zo belangrijk om zelf en als organisatie te blijven leren, je aan te passen en te veranderen.
Rick ten Doesschate, 'Keerpunt, geen crisis', nederlandwordtanders.nl.
De vetkaars
Het siste en sputterde, terwijl de vlammen de ketel verhitten; het was de wieg van de vetkaars – en uit de warme wieg kwam een schitterende kaars voort; zo stevig, smetteloos wit en slank gevormd, deed hij iedereen die hem zag geloven in beloften van een lichte en stralende toekomst – beloften waarvan iedereen overtuigd was dat hij ze zou waarmaken.
Het schaap – een schattig schaapje – was de moeder van de kaars en de smeltkroes was zijn vader. Van zijn moeder had hij zijn stralend witte lijf en besef van levendheid, maar van zijn vader had hij een hunkering naar het vlammende vuur, dat hem uiteindelijk door merg en been zou gaan en levenslang voor hem zou branden.
Zo was hij geboren en gegroeid; en zo stolde hij met de beste en helderste verwachtingen in zijn bestaan. Daarin ontmoette hij vele vreemde schepselen, waarmee hij zich inliet, omdat hij het leven wilde leren kennen – en wellicht om de plek te vinden waar hij het best zou passen. Maar hij had te veel vertrouwen in de wereld die alleen om zichzelf gaf, en helemaal niet om de kaars. Een wereld die de waarde van de vetkaars niet kon bevatten, en hem daarom alleen in zijn eigen voordeel poogde te gebruiken, en daarbij de kaars verkeerd beetpakte; zwarte vingers lieten grotere en grotere vlekken achter op zijn ongerept witte onschuld die uiteindelijk vervaagde, compleet bedekt onder het vuil van de wereld om hem heen die veel te dichtbij was gekomen; veel dichterbij dan de kaars kon verdragen, onbekwaam als hij was in het onderscheiden van vuil en zuiverheid - hoewel hij helder en onaangetast bleef van binnen.
Valse vrienden ontdekten dat ze zijn binnenste niet konden raken, en smeten hem als onbruikbaar ding geïrriteerd ter zijde.
De beduimelde buitenkant hield al het goede bij hem vandaan - bang als men was om besmet te raken met vuil en vlekken - en ze bleven weg.
Dus daar stond die arme vetkaars, alleen en verlaten, zich geen raad wetend. Afgewezen door het goede, realiseerde hij zich dat hij slechts een werktuig was geweest om de verdorvenen vooruit te helpen. Hij voelde zich ongelofelijk ongelukkig, omdat hij zijn leven had geleden zonder er verder mee te komen - feitelijk had hij wellicht zelfs de mooiere delen van zijn omgeving bedoezeld. Hij kon niet inzien waarom hij ooit gemaakt was of waar hij thuishoorde; waarom hij op deze aarde was neergezet - misschien uiteindelijk zichzelf en anderen te gronde richtend.
Steeds vaker, en dieper en dieper, dacht hij na -maar hoe meer hij zichzelf beschouwde, hoe moedelozer hij werd, want hij zag niets goeds, geen betekenis voor hemzelf, geen doel voor het bestaan dat hem was meegegeven. Alsof een zwart masker ook zijn ogen had bedekt.
Maar toen ontmoette hij een klein vlammetje, een tondeldoos. Die begreep de kaars beter dan vetkaars zichzelf kende. De tondeldoos doorzag hem scherp - en dwars door de buitenste laag heen - en van binnen vond hij zo veel goeds. Hij kwam dichterbij en er was een helder vooruitzicht in de kaars - hij ontbrandde en zijn hart smolt.
De vlam lichtte op, als een vreugdefakkel bij een gezegende bruiloft. Fel licht stroomde uit over de omgeving, de weg vooruit verhelderend voor zijn naasten - zijn echte vrienden - die nu de waarheid konden vinden in de gloed van de kaars.
Ook zijn lijf was stevig genoeg om de brandende vlam te voeden. Druppel na druppel, als kiemen van nieuw leven, dropen vol en rond omlaag, het oude vuil met hun lichaam afdekkend.
Ze waren niet alleen de lijfelijke maar ook de geestelijke afstammelingen van het huwelijk.
En de vetkaars had zijn plek in het leven gevonden - en laten zien dat het een echte kaars was, en bleef vele jaren schijnen, voor zijn eigen genoegen en dat van de schepselen om hem heen.
These are some wonderful paintings by George Shaw, which show English suburbian landscapes, in a beautiful naturalist style. I only got to know them this week, when a professor from Lincoln University came to speak about his childhood memories in...
Al zo lang ik me kan herinneren ben ik me sterk bewust van schoonheid en lelijkheid. Schoonheid is een glibberig onderwerp. Zoals iedereen weet verzanden discussies over mooi en lelijk al snel in het betrekken van door de persoonlijke smaak geconstrueerde esthetische stellingen. Beauty is in the eye of the beholder, zogezegd. Toch bestaan er onmiskenbaar zaken waarover een opmerkelijke consensus bestaat: ik heb bijvoorbeeld nog nooit iemand ontmoet die de Amsterdamse grachten lelijk vindt. Het lijkt mij overduidelijk dat er zoiets als universele schoonheid bestaat. Dat blijkt ook uit onderzoeken die gedaan zijn naar de appreciatie van menselijke gezichten.
Twee weken geleden bezocht ik mijn schoonouders. Ze bewonen een maisonnette boven een winkelpleintje aan de Pieter Calandlaan in Osdorp. Het pleintje kent een aantal via drooglopen verbonden kiosken en wordt daarom gezien als een bijzonder voorbeeld van naoorlogse architectuur. Ik ken mensen die het complex van winkels en woningen mooi vinden. Ik ken ook mensen die het pleintje heel erg lelijk vinden. Waarin verschilt de waardering voor de grachtengordel nu van die voor de Calandlaan?
"Pure schoonheid is namelijk niet per se iets nastrevenswaardig. De mens raakt snel verveeld, heeft een voortdurende behoefte aan ontregeling en wil zich onderscheiden door het toe-eigenen van het afwijkende."
"Al hun cultureel kapitaal belet de fine fleur van ontwerpers, kunstenaars en intellectuelen niet om zo dicht mogelijk op de universeel schone grachtengordel te kruipen. Een modernistisch winkelpleintje tot monument laten verklaren is één ding, er zelf ook dag in dag uit op uitkijken is weer iets heel anders."
stille revoluties @stillerevoluties - Tumblr Blog | Tumgag