Ik ben opgegroeid in Groningen, binnenstad-zuid. Ik kan mij niet anders herinneren dan dat wij geen directe buren hadden, de aangrenzende panden waren gesloopt. En ook ons huis stond op de nominatie om afgebroken te worden. Her en der in mijn buurtje waren zulke gaten in de bebouwing, aan het Zuiderdiep en de Reitemakersrijge, in de Jonkerstraat en aan de Ganzevoortsingel. Begin jaren 70 ging de karakteristieke houten loods van de eierhal op de hoek van de Zuiderkuipen en het Zuiderdiep tegen de vlakte. Diverse plannen voor herinrichting van de gemeente passeerden de revue. In de jaren zestig wilde men een brede weg aanleggen van de Museumbrug naar de Vismarkt. Hiervoor zouden grote blokken huizen moeten verdwijnen om een recht tracé te realiseren. Begin jaren 70 wilde men de seks-industrie concentreren aan het eind van het Zuiderdiep in een groot Eros-centrum. Nadat uiteindelijk ook ons huis het veld had moeten ruimen heeft men daar de Academie Minerva gerealiseerd.
In de straatjes rondom ons waren ramen met rode lichtjes en aan de Reitemakersrijge 100 meter verderop was ‘de baan’ waar hoerenjongetjes hun klanten oppikten.
Als kind wist ik dit wel, maar het ging langs me heen, het maakte niet echt deel uit van mijn belevingswereld en het was vanzelfsprekend zoals het was. Net als koekbakker Knol, de garage van Bekkering en de Enkabéwinkel van Mw. Folkers, het was er gewoon. Ook verloedering en vervuiling hoorden bij deze buurt, regelmatig werd er afval gedumpt. Soms zaten er mooie dingen bij die ik dan kon gebruiken om bijvoorbeeld een hut te bouwen. Op de ‘puunhoop’ stookten we fikkies. Als we oud brood vonden gingen we dat dan roosteren. Met een vriendje vond ik een keer verfafval, blikken en kwasten. We gingen ‘schilderen’ op de ramen van een dichtgetimmerd pand. Onder de verf kwamen we thuis. Dit was de alledaagse wereld van de kinderen van mijn buurt. Er was niets, maar van niets maakte je wat.
Dat ik soms niet langs die prostitutie leefde, maar er daadwerkelijk mee in contact kwam had ik niet eens in de gaten. Ik kan me bijvoorbeeld ook niet herinneren dat er hoerenlopers waren. Die moeten er toch geweest zijn. Mannen die rondjes liepen of in hun auto voortdurend door hetzelfde straatje reden? Zo kwam ik ook thuis bij Rudie en Jan. Rudie woonde op de hoek van de Jonkerstraat in een oude bovenwoning. Het huis was armoedig en het rook er niet fris. Hij woonde er met zijn ouders en een jonger zusje. Vader deed niet veel meer dan aan zijn oude auto sleutelen. We speelden er nooit in huis, dat mocht niet. We werden er snel weer uitgebonjourd. Rudie zei dan: ‘Mijn moeder ligt op bed, ze is ziek’.
Jan woonde in de Ganzevoortsingel in een benedenwoning. Hij liet mij een keer zijn huis zien. Toen we in een kamertje stonden met een groot bed en een raam op de plaats waar hun voordeur gezeten had, zei hij: ‘Dit is de werkkamer van mijn moeder’. Ik vond het een vreemde opmerking, begreep het niet, maar ik vroeg ook niet wat hij bedoelde.
Misschien wel pas 20 jaar later drong tot mij door waarom de ene moeder altijd ‘ziek’ in bed lag en de andere moeder een slaapkamer als werkkamer had.