almost home
I'd rather be in outer space đž

â
noise dept.
đ©” avery cochrane đ©”
đȘŒ
tumblr dot com
hello vonnie

â
No title available
EXPECTATIONS

Discoholic đȘ©
Three Goblin Art
2025 on Tumblr: Trends That Defined the Year
Show & Tell
taylor price
untitled
Keni

ellievsbear
wallacepolsom
seen from Pakistan
seen from Mexico

seen from South Africa
seen from Spain

seen from South Africa
seen from South Africa
seen from United Kingdom
seen from South Africa
seen from Kenya
seen from Spain
seen from Albania

seen from Ukraine
seen from Iraq

seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States
@capriolen
ARIE WIL ME HEBBEN
ARIE wil me hebben.
Komend jaar ga ik in zee met ARIE. Een heel jaar lang samen met ARIE.
ARIE en ik. Ik en mijn ARIE. ARIE is ontzettend stoer en dat ben ik ook. En ARIE is, net als ik, enorrrm gevoelig.
ARIE en ik, wij hebben een verhaal te vertellen. En daarom passen wij zo goed bij elkaar. Een jaar lang ARIE. Ik wil niets anders meer dan ARIE.
ARIE vlindert in mijn buik... ARIE, ARIE, ARIE....
ARIE is een opleiding van Markieza Academie voor Herstel en Ervaringsdeskundigheid. De afkorting staat voor Alternatieve Route Inzet Ervaringsdeskundigheid.
http://www.markieza.org/academie/h/1981/0/6699/rubriek--5/Alternatieve-Route-Inzet-Ervaringsdeskundigheid
Ik ben op weg hoor...
Denken in the 80's
Ik woon in het achterkamertje, boven. Beneden staat de boel op de kop, klussen. Isoleren, in de krochten van mijn huisje. Het moet klaar, want als ik ophoudt voel ik me zĂł shit. Daarom ga ik door, ook als de pijn in mijn arm onverdraaglijk wordt. Door en door en door.
âs Nachts ben ik bang. Op straat hol ik voor mijn leven. Als ik thuis kom heb ik mijn achtervolger afgeschud. Veilig naar boven, naar mijn achterkamertje. Ver weg van het gevaar. Een jointje maar weer, even ontspannen. Wat ik beleef kan niet, denk ik.
Dan is er het oog, ik zit voor de tv en wordt bespied. Stil blijf ik zitten, mijn hart klopt in mijn keel. Het oog mag niet weten dat ik hem zie. Er is niets aan de hand, denk ik, ik ben gewoon een beetje gek. Durf ik de tv uit te zetten? Ik doe het. Het oog blijft. Het oog blijft staren, beschuldigend.
Een vinger tast langs mijn hersenkronkels. Die vinger weet wat ik denk. Ik probeer 'gewoon' te denken. Ik denk om de vinger heen. De vinger is er niet, denk ik. Hij mag niet weten dat ik dat denk, denk ik.
Een praktisch ventjeâŠ
Mijn ouders zijn geboren in 1931 en 1933. Zij waren pubers toen de oorlog was afgelopen en groeiden op in Groningen waar het oorlogsleed gelukkig minder was geweest dan in het westen van Nederland. Toch was het ook in Groningen geen pretje. Mijn vaders oudste broer werd opgeroepen voor de arbeitseinsatz. Om eraan te ontkomen liet hij een vat jenever op zijn voet vallen, waardoor hij in het gips belandde en respijt kreeg. Na zijn herstel werd hij alsnog opgeroepen en zag hij zich gedwongen om onder te duiken. Oma schonk in overspannen toestand een ketel water leeg in de brandende kolenkachel. Er was tekort aan van alles en het dagelijkse leven was op allerlei manieren ontregeld. Mijn vader deed daardoor pas eindexamen voor de MULO toen hij bijna 19 was. Ook vlak na de oorlog was je nog bezig met jezelf staande te houden, er was nog zoveel op de bon en het hart van Groningen lag in puin. Nog steeds moest je overleven en er was maar weinig ruimte om stil te staan bij gevoeligheden.
Rond 1950 waren Piet en Marie jongvolwassen, tijd voor wederopbouw en het sparen voor een uitzet. Zij scharrelden 6 jaar met elkaar, aan en uit ging het voordat zij trouwden. Beiden werkten in de zaak van hun ouders. Marie in de chocolaterie van Oma van Weert, Piet in het cafĂ© van Opa Otto. Beiden deden hun best om vakdiplomaâs te behalen zodat zij samen een eigen bedrijf konden opstarten. In die naoorlogse tijd was het leuk om uit te gaan, overal klonk Amerikaanse muziek. Uitgaan en dansen gaf het gevoel van nieuw verworven vrijheid. Maar ondanks die pret was het een tijd waarin je niet mocht zeuren en hard moest werken.
Eind 1955 trouwden mijn ouders, het was een moetje want mijn zus kwam er aan. Tijdens de bevalling kreeg mijn moeder trombose, een ernstige complicatie. Greetje was echter een gezonde baby, maar mijn moeder kreeg toch het advies om niet weer zwanger te worden. Toch wilden zij graag nog een kind en 5 jaar later besloten zij het risico maar voor lief te nemen.
Op zaterdag 28 april 1962 werd Oma Otto 65. Die avond ook begonnen de weeĂ«n. Mijn vader had zijn kroeg vol zitten en vond het maar een âslechte planningâ. Baby Pieter werd geboren in kraamkliniek âHuize Tavenierâ, zoals duizenden andere Groningers. Het was een paar minuten voor middernacht. Dat Oma jarig was op de 28ste en kleine Pietertje daar nu bij kwam vonden mijn ouders maar onpraktisch. In overleg met de arts werd zijn geboortetijd verschoven naar een paar minuten over twaalf. Zo hoefden ze niet twee verjaardagen op één dag te vieren. Gewoon handiger voor de hele familie.
Piet en Marie werkten hun hele leven hard. Praktisch zijn, niet zeuren en niet teveel gevoeligheden bleken ook handige opvoedmethoden. Zo werden ook Greetje en haar jonge broertje grootgebracht. Aanpakken en niet zeuren! Alleen zo kun je iets bereiken in het leven! Piet had zelfs een gevleugelde uitspraak als er eens iets gevoeligs ter tafel kwam: âJe hebt een dak boven je hoofd en je hebt te vreten, dus wat wil je nou nog meerâŠ?â
Ik begrijp die pragmatische levenshouding van mijn ouders best. Zij moesten gewoon keihard werken om het hoofd boven water te houden. Voor hen was er niet veel te kiezen. In hun jonge jeugd leerden zij al een oorlog te overleven en later moesten ze zorgen dat er weer brood op de plank kwam en hard werken voor de toekomst. Stilstaan bij allerlei gevoeligheden waren een belemmering in hun vooruitgang.
Maar ik ben opgegroeid in een andere tijd, ik ben van een andere generatie. Een tijd met provoâs, hippies, punks en skinheads. Een tijd ook met gastarbeiders, boterbergen, democratisering en zo veel mogelijk consumeren als je op kunt. En ook een tijd van individualisering, bewustwording, stilstaan bij je gevoel. En mogen zijn wie je bent.
Overleven heb ik ook geleerd. Het overleven van mijn opvoeding, welteverstaan. Jarenlang heeft het me achtervolgd. Het presteren; het niet boos mogen worden maar de verstandigste moeten zijn en het eindeloze aanpassen aan alles en iedereen. Ik heb het gedaan. Om te overleven.
Maar nu wil ik zijn wie ik ben.
En binnenkort wordt ik 52. Op 28 april. Of toch op 29 april? Nou ja, ik vier het op 24 mei, heel praktisch, omdat alle weekenden al vol zitten. Drie keer jarig dus de jaar. Je moet je een beetje aanpassen, hĂš?
MIJN MOEDERS WERKKAMER
Ik ben opgegroeid in Groningen, binnenstad-zuid. Ik kan mij niet anders herinneren dan dat wij geen directe buren hadden, de aangrenzende panden waren gesloopt. En ook ons huis stond op de nominatie om afgebroken te worden. Her en der in mijn buurtje waren zulke gaten in de bebouwing, aan het Zuiderdiep en de Reitemakersrijge, in de Jonkerstraat en aan de Ganzevoortsingel. Begin jaren 70 ging de karakteristieke houten loods van de eierhal op de hoek van de Zuiderkuipen en het Zuiderdiep tegen de vlakte. Diverse plannen voor herinrichting van de gemeente passeerden de revue. In de jaren zestig wilde men een brede weg aanleggen van de Museumbrug naar de Vismarkt. Hiervoor zouden grote blokken huizen moeten verdwijnen om een recht tracé te realiseren. Begin jaren 70 wilde men de seks-industrie concentreren aan het eind van het Zuiderdiep in een groot Eros-centrum. Nadat uiteindelijk ook ons huis het veld had moeten ruimen heeft men daar de Academie Minerva gerealiseerd.
In de straatjes rondom ons waren ramen met rode lichtjes en aan de Reitemakersrijge 100 meter verderop was âde baanâ waar hoerenjongetjes hun klanten oppikten.
Als kind wist ik dit wel, maar het ging langs me heen, het maakte niet echt deel uit van mijn belevingswereld en het was vanzelfsprekend zoals het was. Net als koekbakker Knol, de garage van Bekkering en de EnkabĂ©winkel van Mw. Folkers, het was er gewoon. Ook verloedering en vervuiling hoorden bij deze buurt, regelmatig werd er afval gedumpt. Soms zaten er mooie dingen bij die ik dan kon gebruiken om bijvoorbeeld een hut te bouwen. Op de âpuunhoopâ stookten we fikkies. Als we oud brood vonden gingen we dat dan roosteren. Met een vriendje vond ik een keer verfafval, blikken en kwasten. We gingen âschilderenâ op de ramen van een dichtgetimmerd pand. Onder de verf kwamen we thuis. Dit was de alledaagse wereld van de kinderen van mijn buurt. Er was niets, maar van niets maakte je wat.
Dat ik soms niet langs die prostitutie leefde, maar er daadwerkelijk mee in contact kwam had ik niet eens in de gaten. Ik kan me bijvoorbeeld ook niet herinneren dat er hoerenlopers waren. Die moeten er toch geweest zijn. Mannen die rondjes liepen of in hun auto voortdurend door hetzelfde straatje reden? Zo kwam ik ook thuis bij Rudie en Jan. Rudie woonde op de hoek van de Jonkerstraat in een oude bovenwoning. Het huis was armoedig en het rook er niet fris. Hij woonde er met zijn ouders en een jonger zusje. Vader deed niet veel meer dan aan zijn oude auto sleutelen. We speelden er nooit in huis, dat mocht niet. We werden er snel weer uitgebonjourd. Rudie zei dan: âMijn moeder ligt op bed, ze is ziekâ.
Jan woonde in de Ganzevoortsingel in een benedenwoning. Hij liet mij een keer zijn huis zien. Toen we in een kamertje stonden met een groot bed en een raam op de plaats waar hun voordeur gezeten had, zei hij: âDit is de werkkamer van mijn moederâ. Ik vond het een vreemde opmerking, begreep het niet, maar ik vroeg ook niet wat hij bedoelde.
Misschien wel pas 20 jaar later drong tot mij door waarom de ene moeder altijd âziekâ in bed lag en de andere moeder een slaapkamer als werkkamer had.
OPRUIMEN
Bijna negen jaar geleden verbrak ik mijn relatie. Al die jaren stonden er nog spullen van mij in Friesland bij Jelke. We hadden er beiden geen last van, want hij heeft een groot huis en het meeste staat op zolder. Maar onlangs vond ik dat er aan die situatie toch een eind moest komen. Het voelt alsof ik nog steeds een beetje woon in dat huis zolang er nog allemaal spullen van mij staan. Zo langzamerhand wil ik opruiming houden. Al die jaren is die rommel er blijven staan, ik had er geen plek voor en ik had het niet nodig. Maar het was ook een manier om verbinding te houden met de man met wie ik niet verder kon, maar van wie ik ben blijven houden. Ik ben niet meer bang dat ik Jelke hierdoor kwijt zal raken, we zijn goede vrienden gebleven. En ook die prachtige plek in Friesland die we samen hebben opgebouwd zal altijd een vertrouwde plek blijven om terug te keren.
Afgelopen zaterdag kwam Jelke bij mij en ik had hem gevraagd zo veel mogelijk mee te nemen. Zes grote dozen pasten er in zijn auto. Alles zat dik onder het stof, dus begon ik die middag met een sopje de spullen één voor één uit te pakken. Ik was mijn verleden aan het uitpakken.
Dozen met knipselmappen die ik in Groningen heb ingepakt voordat ik met Jelke ging samenwonen. Vijf verhuizingen geleden. Mijn gedachten gaan terug naar 1996. Ik zie haarscherp voor me hoe ik afscheid neem van het huis waar ik dertien jaar met tegenzin heb gewoond. Het was het huis van mijn Oma en hoewel ik het helemaal gestript heb, heb ik me nooit vrij gevoeld van de âerfelijke belastingâ. In dat huis heb ik mijn diepste depressies doorgemaakt. Niet door dat huis natuurlijk, maar door hoe ik in het leven stond. Ik sloot die periode af door met Jelke te gaan samenwonen in zijn huis in Drachten. Heftig verliefd.
Een doos met antieke spullen uit de nalatenschap van mijn ouders. Het huis van mijn ouders hebben we leeggehaald in 1993. Ik zie voor me hoe ik met Greetje de spullen aan het verdelen ben, om de beurt iets pakken wat we willen hebben. Ik zie voor me hoe we beiden vol schieten bij het zien van al die oude kerstballen uit onze jeugd. Ik zie mezelf nog met kloppend hart naar huis fietsen over de Oostersingel nadat ik in een geldkistje met 10.000 gulden heb gevonden. Ik zie voor me hoe we allebei, nadat we al die spullen mee naar huis hebben genomen, tussen meubelstukken en snuisterijen van mijn ouders, in een soort museum wonen. En ik zie voor me hoe we allebei in de jaren erna veel van die spullen wegdoen in een poging om los te komen van het verleden.
Nog meer bij elkaar gegaarde prullaria, een verzameling blikjes en doosjes, creatieve uitingen uit mijn schooltijd, fotoalbums en oude post. Opgespaarde memorabilia om houvast te geven aan mijn leven. Maar het is het houvast van toen. Van veel dingen weet ik niet wat ik er nĂș mee moet, ik heb ze al die jaren niet gemist, de vraag is wat wil ik echt houden en hoe kom ik van al die overbodige zooi af. En ik begin me af te vragen wat de waarde is van al die spullen die ik nu om me heen verzameld heb. Ze lijken zoveel belangrijker dan die spullen van toen. Maar wanneer heb ik die niet meer nodig? Wat is de waarde van het hebben van spullen?
Mijn knipselverzameling van Groningen is een feest om weer in huis te hebben. Mappen vol met op straat en datum gesorteerde krantenknipsels, het oudste knipsel dateert uit 1970. Toen was ik acht. Nog steeds heb ik een warm hart voor Stad en Ommeland en ik ben trots dat ik destijds zoveel tijd en energie gestoken heb in het vastleggen van een stuk geschiedenis. Ik werd geraakt door die werkstukjes van school, ik wist niet meer dat ze er nog waren. Een gefiguurzaagd ei met een kuiken erop: Vrolijk Pasen. Een Sinterklaas tekening met mijn pasfoto erop en een slecht gelukt gedichtje. Een straatje in Oost-Indische inkt en ecoline, met plezier gemaakt op de MAVO.
En dan die oude post: Jan schrijft in augustus 1993 dat hij net weer terug is uit het âwildeâ Afrika, waar hij zich erg thuis heeft gevoeld. Hij vraagt of we nog naar Brugge gaan. En hij vraagt of ik het weekend bij hem kom eten om dingen te plannen. Hij sluit af met: Zoân vakantie is goed tegen de depressie. Liefs en tot gauw. Ben ik dat weekend bij hem geweest? Zijn we ooit nog naar Brugge geweest? Ik weet het niet meer.
Gnossienne No. 5 by Erik Satie (1866 - 1925). Performed by Brian Hanke.
Nawoord
Die middag fietste ik in de winterschemering vanuit Haren terug over de Hoornsedijk. Het dijkje slingert zich door één van de mooiste stukjes natuur van de stad Groningen, aan de ene kant oude meanders van de Drentse A, aan de andere kant poldergebied langs het Paterswoldsemeer. Gedachten dwarrelden als spaghetti door mijn hoofd. Ondanks het halfdonker stopte ik bij een bankje en at een paar boterhammen, ik had even een moment van rust nodig. Ineens zag ik een helder beeld voor me, een boek met in de eerste hoofdstukken een paar ontmoetingen tussen William en mij, beelden: de Genestetstraat, zijn olijfkleurige huid, een jointje draaien, aan het ontbijt in een koffiebarretje met verse jus, flarden van gesprekken, het rijtje detectives aan het hoofdeind van zijn bed, samen eten op de slaapbank en natuurlijk Erik Satie. Vervolgens zie ik de hoofdstukken die ik heb uitgerukt omdat ik zijn betrokkenheid en vriendschap niet aan kon. En dan nog meer uitgerukte hoofdstukken veroorzaakt door zijn abrupte dood. Wat mij nu nog restte was het nawoord.
Ja, dat was wat ik deze middag gedaan had. Samen met zijn moeder en jongste broer Philip had ik het nawoord gelezen. Aspecten van Williamâs leven, fotoâs, een in memoriam van de KLM en zijn rouwkaart. Hoewel het al 18 jaar geleden was, zag ik het verdriet en gemis en ik zag de kracht van het âverder moetenâ. Nu ik hier zat wist ik eigenlijk niet wat ik te brengen had, zo nu en dan vroeg ik iets, maar eigenlijk liet ik het maar een beetje gebeuren. Toch ook erg onder de indruk, dat ik hier nu zat en dat ik deze ontmoeting aanging. Aan het eind van het gesprek vroeg Philip of dit bezoek voor mij zin had gehad. Ik kon alleen maar zeggen dat ik blij was dat we een paar emoties hadden kunnen delen.
Ik heb een paar weken nodig gehad om de betekenis van deze ontmoeting te doorgronden. Ik heb geprobeerd op deze manier afscheid te nemen van iemand die al 18 jaar dood is. Maar meer nog heb ik geprobeerd verantwoordelijkheid te nemen voor iets wat ik als een pijnlijk gemis in mijn leven ervaar. Ik weet dat ik niet anders kon op dat moment: de angst om mensen van mij te laten houden; de angst om ze vervolgens weer te verliezen. Het heeft me achtervolgd in mijn leven. Meer vriendjes zijn op die manier gekomen en gegaan.
Maar dat het nu anders is, dat zou ik William graag nog zeggen.
William
In 1981 was ik negentien. Ik woonde inmiddels twee jaar op kamers in Coevorden en deed de opleiding Verpleegkundige A in het kleine lokale ziekenhuis. Twee jaar daarvoor was ik uit huis âgevluchtâ, ik voelde me ongewenst, onwelkom. Het was een moeizame tijd. Ik had het idee dat het leven pas echt zou âbeginnenâ als ik het huis uit was, maar ik kwam mezelf enorm tegen. Ik was gesloten en voelde me nog steeds ongewenst. Mijn homoseksualiteit was een hot item, het was de reden dat ik het ouderlijk huis had verlaten. Ik was zo bang om afgewezen te worden dat ik het nergens ter sprake durfde brengen. Eens in de twee weken kon ik wat druk van de ketel laten. Ik logeerde dan thuis, maar bracht het grootste deel van mijn tijd door in het COC. En op zaterdagnacht ging ik dan stappen in homodisco The Mac. Dan mocht ik even mezelf zijn.
In de zomer van dat jaar ging ik op vakantie. Alleen. Ik had inmiddels een auto en met mijn kampeerspullen achterin ging ik op pad. Na wat omzwervingen kwam ik in den Haag. Ik was van plan om den Haag voor een paar dagen als uitvalsbasis te gebruiken. Ik was een jonge homo, alleen op vakantie en op zoek naar avontuur. Amsterdam lokte! Daar ontmoette ik William. Het was meer dan een vluchtige ontmoeting. Na het eerste contact nam hij mij mee naar huis. Ik was onder de indruk van hem en zelfs zijn kamer, driehoog-achter, vond ik leuk. We aten samen en ik bleef slapen. Met hem rookte ik mijn eerste jointjes en ik vond het ontzettend stoer. We ontbeten in een koffie barretje, we haalden mijn spullen op van de camping, zaten bij een garagebedrijf te wachten tot een kleine reparatie aan mijn auto gefikst was en liepen uren door Amsterdam terwijl hij, als een volmaakte gids, vertelde over de geschiedenis van grachten, gebouwen en gevelstenen. Hij liet me kennis maken met muziek van The Boys Town Gang en Eric Satie, een wereld van verschil.
Na deze vakantie hadden we zo nu en dan nog contact, ik bezocht zijn nieuwe huis in Landsmeer. Hij nam me eens mee naar zijn ouders in Haren. Het laatste contact hadden we eind 1983. Mijn Oma was overleden en ik woonde in haar huis terwijl alle spullen er nog in stonden. Het ging niet goed met me: opleiding niet afgemaakt, ontslagen, moeder ernstig ziek, geen plannen om iets met mijn leven te doen. Ik voelde me opgelaten.
Vandaag is het 3 januari 2014, ik zit in de trein naar het noorden. Een weekend Groningen, logeren bij mijn zus Greetje.
Mijn leven is heel wat kanten opgegaan sinds William. Vrijwilligerswerk gedaan bij het COC, opleiding DTP, opleiding kok, gewerkt als kok, relatie van 10 jaar gehad, droomboerderijtje verbouwd. In Groningen, Coevorden, Friesland, Utrecht gewoond, en nu in Zeist. Ook veel uren in de kroeg doorgebracht, veel drank, veel drugs en wilde nachten. En altijd voelde ik me onzeker, voelde ik me telkens weer ongewenst. Ik hoorde er niet bij, en daardoor schiep ikzelf een enorme afstand.
Maar er is veel veranderd, gestopt met drank en drugs. Onder ogen zien waar ik vandaan kom, waarom ik ben zoals ik ben, acceptatie en staan voor wie ik ben en wat ik vind.
Sinds 2 jaar probeer ik contacten van vroeger te herstellen. Ik heb na 30 jaar weer een paar ontmoetingen gehad met Ronald, mijn coming out maatje uit mijn COC tijd. Het contact met Greetje heeft veel meer diepte en continuĂŻteit zonder dat ik steeds weer wegduik. Ook William heb ik geprobeerd terug te vinden. Via Facebook, Linkedin en Google. Ik zou hem graag nog eens ontmoeten, vragen hoe het hem vergaan is, hoe hij onze ontmoetingen ervaren heeft en of hij destijds een oogje op mij had. Maar ik heb hem niet gevonden. Wel vond ik een persoon met dezelfde achternaam in Haren. Ik kan me niet voorstellen dat William niet op internet te vinden zou zijn, hij had internet vast omarmd. Zou dit betekenen dat hij er niet meer is? Ik heb het een poos weggedrukt, ik wilde het niet weten.
Maar op een dag draaide ik weer eens muziek van Satie. Het raakte me en op dat moment besloot ik dat telefoonnummer in Haren te bellen. Ik kreeg geen gehoor, maar âs avonds werd ik teruggebeld door een dame. Onzeker deed ik mijn verhaal. Toen kwam de bevestiging: âJa, William is mijn zoon en hij overleed in 1995 aan AIDS.â We praatten wat over de jaren â80 en ik vertelde wat over mezelf en hoe ik mensen op afstand hield. Zij was blij dat er na zoveel jaren nog eens iemand vroeg naar haar zoon: âIedereen gaat door met zijn eigen leven, dat is ook goed, maar ik denk nog iedere dag aan Wil.â
Vandaag zit ik in de trein naar Groningen en morgen bezoek ik in Haren een moeder van 92.
Hechte familie
Als kind heb ik me altijd een buitenbeentje gevoeld, ik voelde dat ik er niet echt bij hoorde. Dat gevoel had ik binnen ons gezin en binnen de familie had ik dat al helemaal. Al die vreemde ooms en tantes, neven en nichten die ik maar zelden zag en waarvan ik niet wist wat ze dachten en voeldenâŠ
Toch, als we op de feestdagen bij Opa en Oma kwamen, en de hele familie was er, hing er een sfeer van verbondenheid, een hechte familie. Wij Ottoâs hoorden bij elkaar! Die uitbundigheid voelde niet oprecht, geforceerd. Op zulke dagen voelde ik me extra verloren. Ik was stil en eenzaam.
Vandaag kreeg ik een mailtje van Greetje, mijn zus, zij is de meest sociale van ons twee. âFamily Mattersâ schrijft ze boven haar mailtje. Een kort mailtje: familiedrama in een paar zinnen. Gebeld door een neef: of Greetje wist dat een tante was overleden, inmiddels al anderhalf jaar geleden. Een nicht ligt in een verpleeghuis na een hersenbloeding. Hijzelf heeft trammelant met ex en kinderen en heeft de kerstdagen in zijn eentje doorgebracht. Ăn hij was pas geopereerd aan huidkanker.
Ik hoorde er niet bij, dacht ik! Maar als ik dit soort nieuws tot me laat doordringen vraag ik me af wie er eigenlijk wel bij hoorde. Die hele hechte familie, die verbondenheid, dat familiegevoel. Met het verscheiden van de voorgaande generatie is die idee-fixe mee gestorven. Ik heb het nooit gevoeld, maar blijkbaar hebben de neven en nichten het ook nooit gevoeld. Want wij houden zelfs de illusie niet meer hoog. Wij zien elkaar nooit. Zelfs niet op een begrafenis en sturen niet eens kaartje als onze moeder is overleden. En ziekte en leed wordt in eenzaamheid uitgezeten. En ik ben één van hen.
Wås één van hen, hoop ik. Want inmiddels weet ik wel wat verbinding inhoudt, met Greetje, Dirk en nog een paar mensen. Een pril begin, maar ik begin het te leren. Om van een ander te houden, moet je eerst van jezelf durven houden.
Geen Kind Meer
Je leeft je eigen leven wat zij er ook van vindt Je bent al lang geen kind meer al blijf je ook haar kind Je wilt 'r over praten, maar niet op haar manier Je zult haar best verdriet doen maar niet voor je plezier Wat moet je nog met haar en met haar ouderlijk gezag En dan opeens dan is 'ie er, die dag De dag waarop je moeder sterft, dat jij wordt losgelaten En al haar eigenschappen erft, in meer of mindere mate De Scherpe tong, de bokkenpruik, de humorvolle vrouw Die zullen ze dan binnenkort herkennen gaan in jou En hopelijk ook de andere kant, de aardige, de zachte Maar of je die hebt meegeerft valt nog maar af te wachten De dag waarna de rest een kwestie wordt van tijd en pijn De dag waarna je nooit meer kind zult zijn Wat de laatste jaren fout ging komt dan niet meer terecht En wat je nog wou zeggen blijft eeuwig ongezegd De machteloze frasen van je genegenheid Het leven voor haar zo moeilijk was en ook dat 't je spijt De dingen die je lang niet zeggen kon en zeggen wou En dan zo graag nog 1 keer zeggen zou De dag waarop je moeder sterft, de dag die al je dagen Van dan af aan wat grijzer verft, al hou je niks te klagen Je hebt je goeie vrienden nog, die staan je ook dichtbij En als je soms wat aandacht wil dan staan ze aan je zij Maar niemand zal meer weten hoe je met je pop kon spelen En niemand zal nog ooit je vroegste vroeger met je delen De dag waarna je nooit meer kwetsbaar wezen kan en klein De dag waarna je nooit meer kind zult zijn
Karin Bloemen
(zojuist in de top 2000, moest het even delen...)
Hij bedoelt het niet zoâŠ
Mijn vader was een norse, gesloten man. Maar zo nu en dan gaf hij wel zijn mening. Over mij zei hij dan bijvoorbeeld dat ik een slappeling was, een mietje of een moederskindje. Als ik nieuwe kleren had, dan zei hij dat hij de stof mooi vond en er wel een onderbroek van wilde hebben. Als ik met mijn rapport thuis kwam dan vond hij altijd dat het wel beter kon, die 5 moet van je rapport af en ook die 6 voor rekenen kan wel hoger. Als ik lang haar wilde, dan kreeg ik vijf gulden in mijn hand gedrukt voor de kapper en zei hij: âJe bent toch geen provo.â
Vaak was ik in zoân situatie teleurgesteld, verdrietig of voelde machteloze woede. Mijn moeder probeerde me dan te troosten: âHij bedoelt het niet zo hoor.â
Ik heb één goede herinnering aan mijn vader, ik denk dat ik een jaar of acht was. Hij had een café en als ik dan om 7 uur in pyjama goedenacht kwam zeggen dan ging hij acrobatiek met mij doen. De klanten zaten aan de bar en ik klom via zijn knieën en heupen op zijn schouders. Hoog torende ik boven alles uit en iedereen keek bewonderend naar me. Ik was trots op mijn stoere vader en het kunstje dat we samen deden. Iedere avond weer totdat ik te zwaar werd.
Toen ik zeventien was kwam ik uit de kast met mijn homoseksualiteit. Mijn vader zei: âDat kan niet. Als jij denkt dat je op je zeventiende al weet dat je homo bent dan ga je mijn huis maar uit.â Ik was woedend, radeloos, machteloos, sloeg de woonkamerdeur achter me dicht, vluchtte naar mijn kamer en lag jankend op bed. Na een poosje kwam mijn moeder boven. Ze zei: âMaar hij bedoelt het niet zo hoor.â
Beiden zijn allang dood. Zo nu en dan zou ik ze nog eens willen zien. Ik zou ze willen laten weten dat ik nog besta, dat het zelfs goed met me gaat. En ik heb nog één vraag: âHoe bedoelde je dat nou, Pa?â
Landgoed Heidestein, mijn 'overbuurman'.
2013, 2014, 2015...
Dat je mag zijn wie je bent...
Dat je mag doen wat je wilt...