De vraag komt in verschillende gedaanten. Net als u krijg ik ze geregeld. In de eenvoudigste vorm luidt ze: ‘Hoe gaat het?’ Maar er zijn varianten. Van de meest Vlaamse, ‘Oewist?’, tot de kortste, ‘En?’
Daartussenin kan van alles. ça va? çavakkes? Nog nieuws? Alles goed? Allemaal goei? Of: Hoe staat het? En de vrouw en de kinderen? Of: Nog iets meegemaakt?
Of: Zeg ne keer. Zoals kardinaal Danneels tegen een pedofilieslachtoffer.
Die laatste versie kwam plotseling van een verre vriendin uit een ver verleden in een ver land. En even plotseling klonk ze vreselijk dichtbij, urgent en ernstig. Ik heb naar waarheid geantwoord. Enkele schermen en uren lang. Ik schrok ervan, ook van mezelf.
Het was even geleden. Dat ik niet gewoon had gezegd: ‘Goed’. Of: ‘ça va’. Of: ‘Mager en gezond, hè’. Om me ervan af te maken.
Het was ook even geleden dat ik de vraag ernstig nam. Gewoonlijk steek ik of iemand anders bijvoorbeeld zijn duim in de lucht, ten teken van: alles kits? En het leven gaat voort, achter onze vrolijke duimen.
Misschien was het de verte die me spraakzaam maakte en me mijn tijd deed nemen. Ik wist dat de verte zou luisteren. We zien elkaar hooguit eens om de tien jaar van nabij. Dat is iets anders dan hoewistermee op het voetpad.
Natuurlijk is dat voetpad niet de plek noch de verte om de vraag eens naar waarheid te beantwoorden. Het is daar altijd werkdag of weekdag.
Toch overkomt het me tegenwoordig vaker, om het zelfs op het voetpad eens te zeggen, of doodserieus te vragen, hoe het gaat. Laten we gaan zitten op een dorpel, ik heb wat letterkoekjes op zak, en vertel eens.
Natuurlijk doe ik dat niet. Volgende week zouden ze oversteken, als ze me zien komen. Op weg naar de krantenwinkel, waar het niet goed gaat met de voorpagina van de wereld.
En toch, dus, overkomt het me tegenwoordig vaker. Het zal de leeftijd zijn. Alles is de leeftijd.
Pakweg om de tien jaar verandert sluipend de toon van de vraag: hoe gaat het? Ik stel ze nu anders dan op 20 of 33. Ik kan ze nog wel even luchtig opwerpen als toen, maar de inzet is gewijzigd. Zeg ik nog eens kwinkslags ‘oewist?’, dan zingt het nu toch dwingender.
Nu kan de vraag zelfs op het voetpad al te laat zijn, want misschien gaat het niet meer. Wegens kankers, hartfalen, menopauzes of domweg weemoed.
Nu gaat de vraag stilzwijgend steeds vaker over onze slijtende lichamen, over de voorbije toekomst, bij de sombersten al over het pensioenfonds en de rolstoel en, in stilte, over onze verwondingen.
Maar zelden geven of vragen wij een duidelijk antwoord. Op onze voorpagina’s gaat het totterdood goed met ons. Mager en gezond, hè. Maar intussen.
Intussen weet ik het niet. Hoe het écht gaat met de meesten om mij heen. En omgekeerd. Voor hetzelfde geld slaapt er iemand onnoemelijk alleen naast mij. Of in mij.
En ik weet wel, het is allemaal formule, beleefdheid, omgang, en we mogen niet klagen. Wij varen wel. En we kunnen niet elke dag op het voetpad ons hart luchten. Het plaveisel zou kromtrekken van schaamte.
Maar waarom had ik die verte nodig? Is het dichtbije te dagelijks, te bijziend, te kwetsbaar, domweg te vlakbij? Too close for comfort. Waarom weet nu alleen die verte werkelijk hoe het met mij gaat? En omgekeerd. Want ook daar gaat het zo. Zo liet de verte weten.
Soms baart het me zorgen. Soms zie ik ineens, haast als in een visioen, verbijsterend veel eenzaamheid om me heen. Op het voetpad, achter de vrolijke duim, in een zoen, zelfs in de vriendelijke groet van een mail. In geliefde lichamen, in snelle ontmoetingen, maar ook in tragere samenkomsten.
Zelden weet ik wat ik moet geloven.
Gaat het met iedereen zo dik oké als met mij? Nu ik het eindelijk eens uitgesproken heb, tegen de verte. En ik ineens wat lichter lijk te bewegen in het dichtbije. Zolang het duurt.