Daar, in die mist. Op de heuveltop en omgeven door wolken. Daar staan de hond en zijn man. Turend in de verte. Turend naar mij. Plots staat de hond voor mij. Zijn ogen zijn of vermist, of te diep weggezakt in zijn kassen om er kennis van te nemen. De hond huilt naar een maan die er niet is, en zegt: “De negatieve spanning komt uit het ondergrondse, waar de laatste adem opgeslagen wordt.” De man die de hond toebehoort is slechts een stip in de verte, een oneffenheid. En dan besef ik het me. Ik ben die man.
Daar, in die nevel. Op de bergtop en omgeven door wolken. Daar staan de hond en zijn man. Turend in de verte. Turend naar mij. Plots staat de hond naast mij. Zijn ogen zijn of vermist, of te diep weggezakt in zijn kassen om er kennis van te nemen. De hond lacht naar een maan die er niet is, en zegt: “De negatieve spanning komt uit het binnenste, waar de laatste adem weggeblazen wordt.” De man die de hond toebehoort is slechts een stip in de verte, een vervulling. En dan besef ik het me. Ik ben die hond.
Daar, in die nacht. Op de heuveltop en omgeven door bliksem. Daar staan de hond en zijn man. Turend in de verte. Turend naar mij. Plots staat de hond op mij. Zijn ogen zijn of vermist, of te diep weggezakt in zijn kassen om er kennis van te nemen. De hond verlangt naar een maan die er niet is, en zegt: “De negatieve spanning komt uit het schaduwrijk, waar de laatste adem nagebootst wordt.” De man die de hond toebehoort is slechts een stip in de verte, een reflectie. En dan besef ik het me. Ik ben niets.