Wolven en wat daarmee samenhangt.
Een fossiele kaak van een Canis lupus.
De wolf in Nederland
De laatste jaren is er nogal wat gedoe omtrent de wolf. Er heerst een soort van paniek omdat het roofdier zogenaamd terug is van weg geweest en dat we daar in ons land, om het zo maar te zeggen, geen plaats voor hebben.
Maar dat is natuurlijk de grootst mogelijke onzin. De wolf is namelijk helemaal niet terug van weggeweest, het dier is immers nooit weggeweest: het barst hier al minstens sinds de vroege middeleeuwen van de wolven. Grote, kleine, worstvormige, langharige, kortpotige, noem maar op. U kunt het zo gek niet bedenken of er is wel een wolf die aan de omschrijving voldoet. In 2017 werden er minsten anderhalf miljoen wolven in Nederland geteld. Weliswaar gingen die op een drietal na, allemaal als hond de boeken in, maar dat is slechts een semantische futiliteit.
Een soortnaam
Ergens in de 18e eeuw bedacht de Zweedse arts Carl Linnaeus dat het handig was de natuur wetenschappelijk te ordenen. Gevolglijk begon hij de levende natuur taxonomische in te delen en stelselmatig te voorzien van namen. Wetenschappelijke welteverstaan. Iedere soort in de juiste familie en met een unieke tweedelige Latijnse naam, waarvan de het eerste deel het geslacht en de tweede de soort aanduidt. Zo kreeg de wolf de naam Canis lupus
Een aantal fossiele hoektanden van Canis lupus.
Een soort
Om te bepalen wat een soort is, kun je, in de regel en zonder uitzonderingen bij zoogdieren, het beste kijken naar het resultaat van de voortplanting: alle individuen die zich onder natuurlijke omstandigheden onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen voortbrengen, behoren tot dezelfde soort.
De individuen binnen een soort vertonen genetisch grote overeenkomsten, morfologische is dit niet altijd het geval. Binnen een soort kunnen individuen soms behoorlijk verschillen qua kleur, vorm en formaat. Wanneer mensen met deze natuurlijke variatie ‘gaan lopen fokken’ kunnen deze verschillen enorm worden uitvergroot.
Canis lupus familiair
Doordat we met de Canis lupus ‘hebben lopen fokken’ zijn er variaties ontstaan die zelfs in de verste verte niet meer lijken op de wolf. U kent dat wel: de staart is in de krul, de snuit volledig plat, de poten ingekort of het geheel op zakformaat. Hoewel deze fenotypen verre van natuurlijk zijn, behoren ze nog steeds tot dezelfde soort. Wetenschappelijk dus Canis lupus. In de volksmond is dat niet het geval. Daar zijn het honden.
In de wetenschap wordt om toch onderscheid te kunnen maken tussen de echte wolf en een uit het gefokte assortiment, er familiair achter geplaatst. Dus: Canis lupus familiair. Waarbij de toevoeging aangeeft dat het een ondersoort betreft.
Een pathologische wervel van een Canis lupus.
Kwijlebal
Het verschil tussen de Canis lupus en de Canis lupus familiair zit hem naast de uiterlijke kenmerken vooral in het feit dat de een groot en boos is en de ander onze trouwste vriend. Als de boze wolf net zo’n grote kwijlebal was geweest als onze trouwe viervoeters. Dan was er van paniek geen sprake. Dan hadden we met z’n allen lopen blèren: kom maar bij het baasje! Dooie schapen of niet.
De binnenkant
Zo gemakkelijk als de hond en wolf op basis van gedrag en voorkomen zijn te onderscheiden (in de lastige gevallen, bij honden die nog sterk op de wolf lijken, kijkt u naar de staart, hangt die, dan is het een echte, staat hij in een krul, dan een hond), zo ingewikkeld is dat met de binnenkant. Als verzamelaar van fossiele botten loop ik daar maar al te vaak tegenaan. Bij elk fossiel dat ik determineer blijft de vraag onbeantwoord of het afkomstig is ik van een echte wolf of een vroeg klantaangepast model.
Maar… er is hoop. Eerdaags breng ik mijn vondsten weg voor onderzoek. Dat onderzoek moet onder andere uitwijzen of de botten van vroege honden zijn of toch van een echte wolf.
Diverse fossielen uit de poten van Canis lupus.














