Aanwezig zijn alle cliënten van de open afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis, inclusief de onwelwillenden, de bekvechtende en sluipende mede patiënt. De meeste mensen hebben kleren aan, boterhammen op. Sommige een halve liter vla. Ik sta.
De oudere mensen zitten en ik heb niet zo’n behoefte om mij in deze bevolkte huiskamer te settelen. Mark en ik willen best rondhangen in die huiskamer, als het er maar rustig is.
Alle behandelaren en veel verpleegkundigen staan voor de tv. Zelfs de psychiaters zijn er en de klinisch psycholoog.
Ik moet een beetje lachen, om hoe serieus ze zijn.
De teamleider verteld dat een cliënt dood is en ervoor gekozen heeft om een einde aan haar leven te maken.
De patiënt mensen schrikken. De behandelaren kijken als roofvogels naar ons. Ik besluit te slikken, al mijn emotie weg te drukken en stoïcijns voor mij uit te staren.
Ik hoef geen speciale aandacht. Ik wil geen speciale aandacht. Ik ga niet huilen zoals de anderen of bleek geschokt stilstaan.
Aan mij vraagt niemand of ik naar de dagtherapie kan. Bij de eerste de beste mogelijkheid ga ik naar mijn psychose-gevoelige huiskamer waar de rust heerst, omdat stemmen daar al voldoende spreken in ons hoofd.
Ach ja en dat het meisje dan dood is, vind ik erg voor haar vriendje echt waar. Ik voel me wel schuldig dat ik zo pinnig dacht over hun omhelzing op de bank in de huiskamer waar geen familie en vrienden mogen komen in hun laatste week van haar bestaan.
Ik had haar willen redden, zoals ik altijd mensen red. En diertjes die ook.
‘We moeten vooral bij elkaar blijven nu,’, zei de teamleidster alsof we op speurtocht gingen door het bos.
‘Ik blijf bij niemand’, dacht ik en ook: ‘Toedeledokie nut van deze hele opname. Je gaat hier dus wel dood en niemand die het in de gaten heeft.’
Maar ik ging niet dood. Separeer cel een keer of twee, intensive care, groene muren, een kunststof plaat van een bos aan de muur. En camera’s die vierentwintig uur per dag draaien.
Zelfs daar was een rookhok. Twee volgens mij, misschien drie maar ik heb me daar niet zo in verdiept. Dat een rookhok zo relevant kan zijn voor iemands welbevinden wist ik ook niet eerder, vandaar.
Leven is het meervoud van lef.
Waarmee ik niet beweer dat zij geen lef had, want dat had ze wel. Dubbele miljoen dosissen. Ik snap dat je rustig word van het plannen van je eigen dood. Soms is dat de enige uitweg die je ziet. Bij mij is het doodgaan niet voltooid. Bij haar wel.
Ik snap ons allebei en vind ons allebei kanjers. Het is alleen zo jammer dat ik haar dat niet meer kan vertellen.