Nar
en de nar die zich aan de dingen was gaan hechten, onthechtte zich dus verscheurde hij zichzelf en wierp alle flarden weg de nar die zich verscheurd had en had weggeworpen, raakte gehecht aan de mensen, dus hij verwierp zichzelf en maakte zich los van hen en de nar die zich had loggemaakt en had verworpen verbond zich met een reep licht die hij van een straal water griste die van geen zoogdier hield en van geen vissen, virussen of volgens trok zich in het donker terug en zo maakte de nar plaats voor zon, maan en sterren, voor de dingen en dieren, en voor de mensen schiep hij ruimte om zich narrig aan dat al te hechten
Hans Groenwegen










