gareel
Er komt een vrouw binnen in de koffiebar. Even glipt de kou mee naar binnen, maar even snel verdwijnt die weer wanneer de deur gesloten wordt. De vrouw kijkt rond, overweegt de weinige lege zitplaatsen een voor een en beslist dan om het plekje bij het raam te claimen. Ze neemt een boek uit haar handtas. Het is een oud, veelgelezen exemplaar van een oud, veelgelezen werk. Ze bestelt een gewone, zwarte kop koffie en een stuk chocoladetaart bij de dienster die vriendelijk aan de tafel de bestelling noteert. 'Komt eraan, mevrouw', zegt deze, terwijl ze zich omdraait en doorloopt.
Hij heeft het allemaal gezien. Al een uur zit ook hij in deze koffiezaak. Hij is vaste klant, met vaste dagen en een vast tijdstip op die vaste dagen. De dames die de koffie bereiden kennen zijn naam en zijn vaste bestelling. Ze vragen niet eens meer wat hij wil: een korte hoofdknik met een geruststellende mondbeweging, al dan niet met even gesloten ogen geven aan dat zijn bestelling onderweg is. Hij ziet iedereen binnenkomen. Hij ziet ook iedereen telkens weer overwegen wat de beste plaats zou kunnen zijn. Hij zou iedereen ook steeds willen geruststellen, als dat niet zo arrogant zou klinken: 'De beste plaats is die waar ik al zit.'
Wat doet ze in het dagelijkse leven? Waar werkt ze, wie bemint ze, waarom komt ze hierheen? Het zijn vragen die hem de hele dag zouden kunnen bezighouden: erover nadenken, de vragen combineren met beelden die hij moeiteloos voor de geest kan halen, op die manier antwoorden trachten te formuleren en haar voorzien van zijn eigen verhaal. Is dat machtsmisbruik? In gedachten? Hij weet het niet. Gelukkig blijft zijn geest niet meer zo lang stilstaan bij deze overwegingen als vroeger. Destijds kon hij effectief een hele dag aan de slag zijn met het denken aan scenario's die nooit zouden bestaan. Nu weet hij dat er soms doorgelopen moet worden. 'Voor je kijken, doorlopen.' Het is bijna een mantra geworden.
Ze kijkt even op, drinkt van haar koffie en neemt de andere aanwezigen in de zaak in zich op. Iedereen lijkt druk bezig te zijn. Er staan laptops op de kleine tafeltjes, waardoor de bestellingen er soms omheen gepuzzeld moeten worden. Op andere tafeltjes liggen kranten, documenten, schriftjes en magazines. Wie is echt bezig met iets belangrijks? Wie doet maar alsof? Wie zit hier in dezelfde zorgeloosheid die zo goed bij het imago van deze koffiebar past? Haast onmerkbaar haalt ze haar schouders even op, waarna ze een hapje taart neemt en weer verder leest.
Natuurlijk heeft hij zijn blik afgewend toen hij zag dat ze opkeek; dat is maar zo beleefd. Ook hij zit nu, net als alle andere aanwezigen, in een houding die bezigheid uitstraalt. Voor hem op het tafeltje ligt ook een boek. Het is een nieuw exemplaar van een nieuw boek. Hij kocht het in het weekend, op zondag, toen hij in de voormiddag naar de boekenwinkel ging en in de namiddag naar het bos. Onwillekeurig denkt hij terug aan de wandeling die hij heeft gemaakt. Er waren veel mensen in het bos. Ze liepen braaf over hetzelfde pad, in dezelfde of in de tegenovergestelde richting als die van hem.
Uit het niets klinkt er een doffe knal. Niemand schrikt op, behalve hij en zij. De lezers lezen door, de laptopadepten blijven staren naar hun schermen en ook de barista's baristaën (baristen? baristeren? baristaaien?) vrolijk verder. Hij krijgt een vreemd gevoel in zijn maag en hij vermoedt dat het niet aan die derde kop koffie ligt. Wanneer hun geschrokken blikken elkaar ontmoeten, flitsen de vragen die hij zich in het bos stelde weer door zijn hoofd: wat gebeurt er met de plaatsen die we vergeten? Is een gebeurtenis wel gebeurd als niemand ze zich nog herinnert? Wie heeft het juiste pad bepaald?
En wie is toch die vrouw in dit bos? Of is dit toch een koffiebar? Maar hoe kon die boom hier dan omvallen?















