Uitgelezen “Het bedrog van Göring” geschreven door John Kuipers. Den Haag, zomer 1941. Op een kille ochtend in augustus drijft een lichaam in de Hofvijver, vlak bij het Binnenhof. Het blijkt Joseph Foulon te zijn, een Brusselse kunstexpert die in opdracht van het Mauritshuis een recent opgedoken schilderij van Frans Hals onderzocht: Lachend meisje. Maar als de politie de zaak onderzoekt, blijkt het meesterwerk spoorloos verdwenen en vervangen door een vervalsing.
Rechercheur Charlie Swieninck, hoofd van het Bureau Bijzondere Delicten, wordt op de zaak gezet. Samen met kunsthistorica Rosalie Callenbach duikt hij in de schimmige wereld van kunsthandelaren, vervalsers en invloedrijke kopers. Wat begint als een moordzaak, ontvouwt zich al snel tot een gevaarlijk spel waarin hebzucht en macht een grote rol spelen.
Niet alleen het Mauritshuis had interesse in het werk, maar ook Hermann Göring, Hitlers rechterhand, wilde het schilderij bemachtigen. Terwijl de oorlog voortwoedt, blijken er meerdere partijen bereid tot alles om het kunstwerk in handen te krijgen. Swieninck en Callenbach raken verstrikt in een web van intriges, waarin niet alleen criminelen, maar ook de Duitse bezetter hun pad kruisen.
John Kuipers levert met Het bedrog van Göring een meeslepende historische thriller af, waarin feit en fictie op geraffineerde wijze samenkomen. Met een oog voor detail en een spannend plot weet hij de sfeer van het bezette Nederland overtuigend neer te zetten. Een aanrader voor liefhebbers van historische misdaadverhalen.
Een verzekeraar betaalde in 1991 losgeld voor een gestolen Frans Hals en Van Ruisdael. Nu zijn de kunstwerken opnieuw ontvreemd.
Op de overloop hoorde hij het hout kraken, voetstappen kwamen dichterbij. Samen met zijn vrouw zat hij rechtop in bed: plots ging het grote licht van de slaapkamer aan. Ze keken recht in de loop van een revolver. De overvaller waarschuwde: 'We komen de Frans Hals halen, draai je om, als je rustig blijft, gebeurt er niets, geen gein want er zijn vrouwen gegijzeld.'
Ze draaiden zich op hun buik, met hun handen gekruist op de rug. De polsen van het echtpaar werden strak vastgebonden. Verderop lag in een slaapkamer een andere bewoonster vastgebonden aan haar bed - met plastic tape over haar mond.
Onder bedreiging van een vuurwapen moest de beheerder - wiens polsen ondertussen vrijgemaakt waren - de alarminstallatie uitschakelen. Daarna liepen ze samen de trap af, richting de toegangsdeur van het museum. Binnen hing De twee lachende jongens van Frans Hals. Geschatte waarde: vijf miljoen gulden. Na enig gewrik kreeg de dief het schilderij van de wand. 'Ik neem ook de Jacob van Ruisdael mee,' riep hij zijn gijzelaar toe. Hij doelde op het schilderij Bosgezicht met bloeiende vlier van de Haarlemse kunstschilder. Op een onbewaakt moment zag de beheerder kans om de alarmknop in te drukken.
De politie spoedde zich richting het Hofje, maar was te laat. Via de tuindeur wist de man te ontsnappen; om de hoek stond een vluchtauto geparkeerd. De dief stopte de schilderijen in de kofferbak, waarna de wagen verdween in de nacht.
De verklaring die beheerder Jo Slieker aan de politie aflegde van wat er op die nacht van 13 oktober 1988 gebeurde in het Leerdamse museum Hofje van Aerden, leest als een misdaadroman. Alle ingrediënten voor een bestseller zijn aanwezig: een nachtelijke overval, drie mensen gekneveld, bedreiging met een vuurwapen, een rappe ontsnapping, twee Hollandse meesters gestolen en voor miljoenen guldens schade.
Op 27 mei van dit jaar werden dezelfde doeken opnieuw uit het Hofje ontvreemd. Dit keer verliep het zonder gewelddadigheden. De politie vermoedt dat de daders gericht naar de meesters op zoek waren: andere, meer waardevolle werken bleven onaangeroerd. Voor de rechercheurs zijn er slechts twee aanknopingspunten: de lijst die verderop in een heg werd teruggevonden en een donkere Mercedes of BMW die 's nachts met hoge snelheid en gedimde lichten werd gesignaleerd. Zolang het onderzoek nog loopt, doet de politie geen verdere mededelingen. Ondanks alle aandacht, ook in het televisieprogramma Opsporing Verzocht, kunnen de rechercheurs alleen maar gissen naar de vraag waarom de dieven gericht zochten naar de Frans Hals en de Van Ruisdael.
Vrouwenhofje
Het idee voor een Hofje was afkomstig van Maria Ponderus (1672-1764), de vrouw van Pieter van Aerden, een Haagse notaris en procureur. Na zijn overlijden in 1719 liet Van Aerden een aanzienlijke erfenis achter voor zijn echtgenote. Die bestond uit geld, een schelpenkabinet en een zeventiende-eeuwse schilderijencollectie. Om de arme familietak te ondersteunen, liet Ponderus uit liefdadigheid in Leerdam een hofje bouwen. In de buurt van het Zuid-Hollandse plaatsje woonden veel bloedverwanten en de bevriende Oranjes stelden een kavel ter beschikking. Op de ruïnes van een middeleeuws kasteel in Leerdam werd het Hofje gebouwd. In het complex kwamen vrouwen te wonen die aan allerlei eisen moesten voldoen: ze moesten lid zijn van de familie, vrijgezel, protestants en van onbesproken gedrag. Dat is met de jaren aardig veranderd; nu geldt alleen nog dat de vijf vrouwen die er wonen een smetteloos verleden moeten hebben. Als ze toch over de schreef gaan, komt de binnenvader die het vrouwenhofje beheert in actie. Boven hem staat de beherend regent, de directeur van het Hofje. En op een afstandje wordt hij op zijn beurt weer gecontroleerd door enkele regenten, een soort commissarissen.
De Regentenkamer vormt het hart van het Hofje, dat sinds enkele jaren een museum heet. In de ruimte kwam de schilderijencollectie van de Van Aerdens te hangen. Die bestaat uit zeventiende-eeuwse doeken van onder meer de stillevenschilder Cornelis de Heem en van Hendrick Dubbels, die winterse taferelen en landschappen schilderde. Een privéverzameling die beroemd is in kleine kring. De twee lachende jongens van Frans Hals is zelfs wettelijk beschermd, zo belangrijk is het schilderij voor het Nederlandse culturele landschap. 'Een voorwerp van bijzondere cultuurhistorische betekenis', volgens de Wet tot behoud van cultuurbezit waar het schilderij onder valt. Met die wet poogt de Nederlandse staat particuliere kunsteigendommen te behouden. Alleen als de minister toestemming geeft, mogen ze bijvoorbeeld aan het buitenland verkocht worden.
Bewaarkosten
In augustus 1991 kwamen de werken terug naar het museum. Er is destijds door een anonieme verzekeraar een half miljoen gulden 'bewaarkosten' betaald aan tussenpersonen die in ruil daarvoor de Frans Hals en Van Ruisdael teruggaven. Deze term was van de hand van toenmalig minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin. Als antwoord op Kamervragen van de PvdA en GroenLinks liet de minister weten dat alleen een niet nader bekende verzekeringsmaatschappij deze 'bewaarkosten' had betaald, en dus niet justitie of het ministerie van Cultuur (WVC) zoals talloze andere bronnen melden. Van de daders was echter nog geen enkel spoor. 'Een mistige zaak,' noemt een oud-wethouder van Leerdam de losgeldaffaire.
De huidige directeur van het Hofje, Maarten Kruyswijk, probeert elk verband tussen de roof van nu en die van drieëntwintig jaar terug de kop in te drukken. 'De roof was zinloos, want de schilderijen zijn onverkoopbaar. Ze zijn overal bekend en staan bovendien geregistreerd als gestolen,' zegt hij in een reactie.
Maar kunstroof loont, blijkt uit verschillende zaken uit het verleden. Zo werden in 1990 uit het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch drie Van Goghs gestolen. Vier jaar na dato kwamen de twee nog altijd vermiste doeken - de andere was eerder achtergelaten in een kluisje - terug na bemiddeling van de advocaat Vincent Kraal. Zijn cliënt, de inmiddels geliquideerde vastgoedbaas Kees Houtman, was in een hasjzaak veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf. Het Openbaar Ministerie had vier jaar geëist en ging in hoger beroep. Houtman was bang dat hij jaren langer achter slot en grendel moest. Hij had de twee Van Goghs uit het Noordbrabants Museum via via in handen gekregen, en hij wilde ze best inleveren als het OM zijn hoger beroep zou intrekken. Deal, dacht justitie. En de Van Goghs kwamen terug naar Brabant.
Net als bij het Leerdamse Hofje wordt in legio andere zaken losgeld betaald, beweren beveiligingsexperts en criminologen. Onder wie ook de advocaat en onderzoeker Edgar Tijhuis, die sinds jaren onderzoek doet naar kunstroven. 'De dieven wenden zich in dit soort gevallen rechtstreeks tot de eigenaar of diens verzekeraar en eisen daarbij losgeld voor de veilige terugkeer van de gestolen werken. Dit wordt wel "artnapping" genoemd.' Volgens Tijhuis is slechts een topje van de ijsberg bekend: er zijn talloze gevallen waarover niets in de krant komt te staan. 'In de schaarse literatuur hierover wordt vaak aangegeven dat kunst bijvoorbeeld in een kluisje op het station opduikt. Onduidelijk is dan wat er is gebeurd, maar het is niet onaannemelijk dat er dan losgeld is betaald voor teruggave.'
Beul van Baarle-Nassau
Hoe ging dat in 1988 bij het Hofje van Aerden, de enige zaak waar in Nederland losgeld is betaald én persaandacht voor was? Wie waren de daders ? En hoe heeft de politie uiteindelijk de gestolen schilderijen teruggekregen?
Aanvankelijk was de politie hoopvol gestemd: er was landelijke media-aandacht, tientallen tips stroomden binnen en een speciaal rechercheteam van twintig man werkte aan de zaak. Maar zonder resultaat, niemand kon worden opgepakt. 'We zaten op een dood spoor,' vertelt Bert Diesveld, toenmalig hoofdrechercheur bij het Leerdamse korps. 'Na een paar maanden vermoedden we dat enkele Arabische oliesjeiks achter de roof zaten. Maar dat bleek uiteindelijk ook op niets uit te lopen.'
In datzelfde jaar werden het Kröller-Müller Museum en het Stedelijk Museum beroofd, en in 1990 ook het Noordbrabants Museum. De roof in het Noordbrabants Museum bleek verband te houden met die in Leerdam. Via geluiden uit het criminele circuit was de politie erachter gekomen dat de daders van beide roven in dezelfde hoek moesten worden gezocht.
In 1992, drie jaar na de roof, konden uiteindelijk twee verdachten worden opgepakt nadat een goede bekende van de daders uit de school was geklapt. Dat was de vriendin van de hoofdverdachte, Marie Louise J., die de vluchtauto bestuurde waarmee de dief uit Leerdam was verdwenen. Gerrit Behm, oud-rechercheur in Leerdam, verhoorde de Amsterdamse vrouw samen met een collega: 'Ze was onderzoektechnisch een zeer plezierig contact. Buiten dat we een klik hadden, gaf ze belangrijke informatie over de roof.' Aan de rechtbank vertelde ze talloze details van de voorbereiding tot aan de uitvoering van de roof. Helmut van der S., verdachte en inmiddels haar ex-vriend, was woedend: 'We praten hier over een aan cocaïne verslaafde prostituee,' zei hij tegen de rechter. De vrouw was doodsbang en dook onder. De advocaat van de verdachte deed er alles aan om Marie Louise J.'s geloofwaardigheid in twijfel te trekken, maar tevergeefs. Op de rechter maakte alles weinig indruk, hij achtte de verdachte schuldig.
De in Duitsland geboren Van der S. werd in datzelfde jaar tot vier jaar en zes maanden gevangenisstraf veroordeeld. Zijn medeverdachte Adrie B., een Beverwijkse tapijthandelaar, kreeg vier jaar wegens uitlokking van de roof. Van der S. ging daarna nog veel vaker de gevangenis in. Hij bleek ook een van de daders te zijn van de roof in het Noordbrabants Museum. Samen met zijn Zeeuwse handlanger Jo de M. had hij de Van Goghs meegenomen uit 's-Hertogenbosch.
Overigens was dat nog maar kinderspel vergeleken met wat hij in de Belgische Kempen uithaalde. In 1999 viel hij samen met een andere handlanger zes kapitale villa's binnen waar zij telkens een vrouw verkrachtten voor de ogen van hun vastgebonden man. Een gruwelijke zaak die tot veel ophef leidde in België. Sindsdien staat hij daar bekend als 'de Beul van Baarle-Nassau'. Helmut van der S. werd in 2002 veroordeeld tot dertig jaar cel.
Bruinsma's laatste wens
De gestolen doeken kregen na de roof een nieuwe bestemming: de georganiseerde misdaad. Niemand minder dan topcrimineel Klaas Bruinsma had er via een buitenlandse hasjtransactie de hand op weten te leggen. Doordat de tegenpartij niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen, werden de schilderijen als handelswaar gebruikt. Dat vond Bruinsma helemaal niet erg. Hij omringde zichzelf graag met een intellectueel aura; 'de Dominee' hield van klassieke muziek en las de werken van grote denkers.
In juni 1991 kwam abrupt een einde aan het leven van Bruinsma. Voor het Hiltonhotel in Amsterdam werd hij geliquideerd. Zijn oude meesters kregen daarna een andere eigenaar, zijn Chileense bodyguard Charlie da Silva, de man die in 2003 tijdens een televisieuitzending van Peter R. de Vries Mabel Wisse Smit afschilderde als maffialiefje van Bruinsma. De Zuid-Amerikaan verkeerde jarenlang in kringen rond 'die Lange', zoals hij hemzelf noemde, en ze leerden elkaar goed kennen toen hij werkte op de Neeltje Jacoba.
'Als laatste wens,' zei Da Silva achteraf, wilde Bruinsma de gestolen doeken teruggeven aan het Hofje om te voorkomen dat cultuurhistorisch erfgoed verloren zou gaan. Omdat Bruinsma veel geld had verloren bij de hasjdeal, zou hij er geld voor willen terugzien.
Of dat inderdaad Bruinsma's laatste wens was, zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar het voorstel kwam in de zomer van 1991 terecht op het bureau van Ton Lith, leider van het IRT-team dat de georganiseerde criminaliteit moest bestrijden. Samen met twee teamleden ging hij de gesprekken aan met de zogenaamde 'tegenpartij' - Lith wil niets over hun namen kwijt. Voor die onderhandelingen was afstemming met de verzekeraar nodig, die met losgeld op de proppen zou moeten komen. Het IRT-team stond tijdens de hele operatie ook nauw in contact met het Openbaar Ministerie. 'Zij hebben op hun beurt weer overleg gevoerd met het departement van Justitie. Wie precies toestemming gaf, weet ik niet,' zegt Lith.
Dat gesprek ging gepaard met een hoop herrie, bevestigen bronnen bij politie. Losgeld betalen aan criminelen zonder ook maar één dader in handen te krijgen, was not done. Maar omdat de Frans Hals voor de kunstwereld té belangrijk werd geacht, kreeg Lith van bovenaf groen licht. Losgeld was niet langer taboe, een top secret operatie was begonnen. Da Silva raakte bloednerveus omdat hij wist dat de meeste losgelddeals voor criminelen eindigen in een fiasco (lees: celstraf). Uit vrees om 'gepiepeld' te worden, betrok hij misdaadjournalist Peter R. de Vries bij de onderhandelingen - ze kenden elkaar van een vorige zaak. De eerste afspraak vond plaats in het Postillion hotel Bunnik. Op die zondagavond van 25 augustus 1991 reed De Vries eerst een paar rondjes op het parkeerterrein van het hotel; hij vertrouwde de zaak niet. Toen de kust veilig was, parkeerde hij zijn auto en liep hij door naar een afgehuurd zaaltje. Bij binnenkomst zag hij naast Da Silva drie politiemensen zitten die vooralsnog lijdzaam wachtten. Hun ongeduld groeide echter met de minuut. Vooral toen de misdaadjournalist alle ins en outs van de deal wilde weten; dat ging ze een brug te ver: 'O, nee! Dat denk ik helemaal niet! Dat is nergens voor nodig. Ik ga hier geen interview geven,' zou Lith hebben gezegd. Lith zelf ontkent dat de misdaadjournalist bij de onderhandelingen aanwezig was.
Om te voorkomen dat ze hem na afloop heling of een ander strafbaar feit zouden aanwrijven, wilde De Vries zwart-op-wit garanties zien. Aan tafel ontstond groot tumult, schreef De Vries naderhand in Aktueel. 'De commissaris schuift zijn stoel met een ruk achteruit. "Geen sprake van!" zegt hij gedecideerd. En vervolgens werpt hij een woedende blik op X. (Da Silva, BvD) en zegt: "Dit was niet de afspraak!"' Da Silva is net als Lith boos: 'Dit begrijp ik ook niet. Je had alleen gezegd dat je hem wilde spreken en nu moet je ineens een brief hebben.' De gemoederen liepen hoog op, waarna Lith de tegenpartij onder druk zette: 'Dit wordt niks zo, X.! Dit was ook niet de afspraak.' Waarna De Vries ervoor kiest om niet langer mee te doen. De politie en Da Silva sluiten alsnog een deal: een half miljoen voor twee Hollandse meesters, die samen miljoenen guldens waard waren.
Losgeldonderhandelingen
De politie riep de hulp in van het Frans Hals Museum. Dat moest als dé kenner op het gebied van oud-Hollandse meesters de echtheid bepalen van de terug te krijgen doeken. Uiteindelijk vroeg de directeur van het museum zijn Frans Hals-expert Ella Hendriks om bij te springen. Hendriks: 'Met niemand mocht ik over de zaak praten, zelfs niet met mijn directe collega's. Van de zaak wist ik alleen om welke schilderijen het ging en dat de politie elk moment kon bellen om mij op te pikken, verder helemaal niets.'
Na een mislukte poging waarbij de tegenpartij 'zenuwachtig' werd, kwam op donderdag 29 augustus 1991, enkele dagen na de losgeldonderhandelingen, opnieuw een telefoontje.
Hendriks: 'Ik was 's ochtends een schilderij aan het restaureren, toen ik gebeld werd. Binnen een kwartier zou de politie voor de deur staan. Twee agenten haalden mij toen op in een gepantserde wagen met geblindeerde ramen.' Een van hen was rechercheur Diesveld, die later die dag bij de verzekeraar het koffertje met losgeld zou ophalen. De deal vond plaats in een 'woonwijk' langs 'een snelweg': de betrokkenen willen de precieze locatie niet bekendmaken. Sommigen weten het simpelweg niet, zoals de uit Groot-Brittannië afkomstige kunsthistorica: 'Ik was pas enkele jaren in Nederland.'
Op het politiebureau in Utrecht zaten acht politiemensen in een hot center waar ze wachtten op wat zou gaan komen. 'Wij stonden voortdurend in contact met de wagen, waarin twee collega's en de kunsthistorica zaten. De spanning was te snijden,' beschrijft Diesveld.
Hendriks: 'Eenmaal bij het huis aangekomen, liepen twee agenten (van het IRT-team, BvD) naar binnen waar twee mensen met de schilderijen wachtten. Ik bleef in de auto, omdat het te gevaarlijk was. Bang was ik niet echt, omdat de agenten gewapend waren. Het klinkt heel idealistisch, maar vanuit mijn vakgebied wilde ik koste wat kost de schilderijen terugkrijgen. Van de politie hoorde ik dat ik slechts tien minuten de tijd had. De dieven waren zo zenuwachtig dat ze elk moment de deal konden afbreken. Ik moest dus heel vlug bepalen of de werken echt waren. Toen ik het schilderij in handen kreeg, zag ik meteen dat het een Frans Hals was. Dat bleek uit de manier waarop het schilderij aangespannen was: aan de randen van het schilderij kun je zien of het met touwtjes vastgemaakt is, wat een typisch zeventiende-eeuwse schilderpraktijk is. Daarna reed de auto met de schilderijen terug naar het politiebureau.'
Bij terugkomst van de in doeken gewikkelde schilderijen, vierde men op het bureau een feestje. Overal waren lachende gezichten te zien, opluchting alom. Er werden foto's gemaakt als presentje voor de kunsthistorica. Op een ervan is te zien hoe agenten nieuwsgierig De twee lachende jongens bekijken.
Op dezelfde dag belde Da Silva met De Vries om een advertentie te plaatsen in weekblad Aktueel, waarvan hij de hoofdredacteur was. Een week later viel te lezen: 'De laatste wens van een piraat is vervuld. Leerdam, dacht je dat ik niet wist hoe belangrijk ze voor jullie waren? Arrigato - Klaas Bruinsma.'
De schilderijen werden na de overdracht door Behm en Diesveld naar Leerdam gereden, waar ze veilig werden opgeborgen in een kluis op het bureau. Op maandag, enkele dagen later, werden het echtpaar Slieker, die bij de roof gekneveld waren, en Aernout Tukker, de toenmalig beherend regent, gevraagd om naar het bureau te komen. 'We zijn op mijn kamer gaan zitten,' beschrijft Diesveld. '"Er is goed nieuws, de schilderijen zijn terug," vertelde ik. Ze vielen van verbazing zowat van hun stoel af. Slieker dacht altijd dat hij verdacht werd van de roof, terwijl hij zich eigenlijk als held had gedragen tijdens de overval. We liepen daarna naar boven, waar hij de schilderijen voor het eerst na jaren weer terug zag. Hij was helemaal van de kaart, begon de stukken te omhelzen en gaf iedereen zoenen.'
Frappant
Eind goed, al goed. Althans, zo leek het. Maar de schilderijen zijn opnieuw verdwenen. Tot grote verbazing overigens van de meeste betrokkenen van toen. Zij wisten ondanks alle persaandacht niets van de recente roof of hadden nooit durven denken dat zoiets opnieuw zou kunnen gebeuren. 'Ik hoor nu pas voor het eerst dat de schilderijen weg zijn, zeer frappant,' reageert de toenmalige korpschef verbaasd als hij wordt geconfronteerd met de laatste inbraak. Zijn voormalige kompaan Behm hoorde van een van zijn collega's over wat er tijdens die meidagen in Leerdam was gebeurd: 'Ik dacht: ze zijn weer vrij. Dat blijkt dus niet zo te zijn, maar er moet een link zijn met de oude zaak. Dat kan niet anders. En dat heb ik ook gezegd tegen de rechercheurs die nu met de zaak bezig zijn.'
Met de kanttekeningen van criminologen in het achterhoofd roept dat de vraag op of het allemaal verstandig was, onderhandelen met de duvel en zijn ouwe moer. Dezelfde ingewijden tonen zich eensgezind in hun antwoord: ja. Spijt van hun rol bij de losgeldaffaire hebben ze niet, het was een 'legitieme actie' om 'belangrijk cultuurhistorisch erfgoed terug te krijgen', zeggen ze. Lith: 'Ik heb geen spijt. Voor mij was de Leerdamse zaak een bijzonder geval.'
Maar wat als straks de schilderijen opnieuw tegen losgeld worden aangeboden? Gaat de verzekeraar of het museum dan opnieuw door de knieën? De meeste betrokkenen willen daar niet over speculeren. De beherend regent van het Hofje houdt echter alle opties open: 'Ik sluit het betalen van losgeld niet uit. Wij hebben er alleen zelf geen geld voor. Dat is uiteindelijk aan de verzekeraar om over te beslissen.'