Zonder angst voor het lek
Voor het literaire festival Nieuwe Types sprak Micha Wertheim in juni de Staat van het Verhaal uit, een bergrede over hoe het gesteld is met het verhaal in het huidige klimaat, en hoe de toekomst eruit ziet. Die toekomst is nu. Het Wintertuinfestival draait om de Vrije Lezer, om lezen als daad van verzet en om de stem van de lezer, dus vroegen we drie lezers om een reactie. Je leest ze de komende weken op het digitaal festivalcentrum. De eerste kwam van Nikki Dekker, nu is het woord aan Yvonne Zeegers.
Zonder angst voor het lek Afgelopen zomer appte een vriend mij dat hij na het lezen van Lolita uit zelfbescherming niet meer op speelplaatsen durfde te komen. Hem kennende en zonder na te denken ging ik ervan uit dat het hier ging om een grapje. Ik vraag mezelf vaak af of er in elk grapje een kern van waarheid schuilt. Het is een vraag waar ik mezelf regelmatig mee in de vingers snij, want tot op welke hoogte hebben de woorden ‘het was maar een grapje’ nog betekenis? Een grap kan schrijnend zijn wanneer deze zo nauw verbonden is met jouw werkelijkheid dat het moeilijk is om nog te kunnen lachen.
Fictie en kunst zijn iets anders dan grapjes maken. Toch denk ik bij het lezen van de stukken van Micha Wertheim en Nikki Dekker terug aan ‘de kern van waarheid’ van het grapje en de woorden van Wertheim:
Kunst is, buiten onze fantasie en onze dromen, de enige plek waar we onbezwaard mogen toegeven aan lusten en agressie.
Gaf mijn vriend met zijn grapje toe dat ook hij een man is met onderdrukte lusten en agressie, waaraan bij het lezen van Lolita onbezwaard toegegeven mag worden?
Personage vs. mens Er zijn zoals Dekker benoemt vele manieren om naar het werk van Nabokov te kijken. Fictie zou geen grenzen mogen hebben, wanneer er een duidelijk onderscheid bestaat tussen feit en fictie. En hier ligt volgens mij het probleem in de staat van het verhaal van Wertheim. Je kan de muren van het fort van de fictie met man en macht beschermen, maar wanneer de gedragingen van ‘feit’ zo onvoorspelbaar zijn, is het misschien tijd voor andere verdedigingstechnieken en definities. Het spijt me, Wertheim, maar ook jij kon niet voorzien hoe onvoorspelbaar en lelijk ‘feit’ zou worden.
Dekker erkent de zorg die Wertheim lijkt te hebben over de vermenging van feit en fictie. Hij illustreert deze onder andere aan de hand van een artikel van Peter Zantingh waarin het seksistische gedrag van een CEO wordt vergeleken met een fictief personage op televisie. Het fictieve personage zou niemand echt beschadigd hebben, en kan daarom niet vergeleken worden met de CEO. Dekker vraagt zich vervolgens af wanneer je echt bent, welke mensen betekenis hebben in jouw wereld; mensen die echt bestaan, maar die jij niet kent, of fictieve personages?
Het fictieve personage van Zantingh is natuurlijk niet echt schuldig. Maar fictieve personages kunnen je wel raken, aldus Dekker.
Zwarte Piet, De Smurfen, Pippi Langkous – dat zijn mensen die ons allemaal raken, die ons op een of andere manier hebben gevormd, en die betekenis geven aan onze cultuur – en ‘echt mensen beschadigd hebben’. Dergelijke fictieve personages zijn misschien wel ‘echter’ dan mensen die echt bestaan.
Post-truth Dat fictieve personages echter zijn dan mensen die in de echte wereld rondlopen, zoals Dekker zich afvraagt, geloof ik niet. Ik geloof wel dat er in de echte wereld waarheden aan het licht komen die onze wereld op de kop zetten en chaos veroorzaken. Zowel feit als fictie begeven zich dan ook in deze chaos. Neem nu het #metoo-debat. Hierin is de echte wereld niet dichterbij de fictieve wereld komen te liggen, maar komt de waarheid eindelijk boven water drijven. Een waarheid die we misschien al weerspiegeld zagen in ‘fictie’. Sterker nog, echte mensen overstijgen zo nu en dan fictieve personages in zogenaamde ongeloofwaardigheid, omdat ze zo dichtbij komen. We gebruiken niet voor niets beeldspraak als: ‘ik leef in een droomwereld’ of ‘dit lijkt wel een nachtmerrie’. In deze chaos moet een aantal fictieve personages net als echte mensen soms boete doen.
De term ‘post-truth’ zwerft al enige tijd rond in het politieke debat en sijpelt vanuit hier ook door naar de filosofie, wetenschap en de kunsten. We zouden ons bevinden in een tijdperk waar in de politiek “objectieve feiten minder van invloed zijn op de vorming van de publieke opinie dan een beroep op emotie en persoonlijke overtuigingen” (aldus NRC). Niet alleen fictie, maar ook ‘feit’ staat dus onder druk. Stiekem wil ik geloven dat deze chaos geen bedreiging vormt, maar een soort ultra-waarheid voortbrengt. Feit en fictie kunnen hier allebei aan bijdragen. Niet door te focussen op nep als eigenschap of deugd, maar door te kijken naar de boodschap.
Politiek gevaar Het is onvermijdelijk dat wanneer de werkelijkheid je bekruipt, wanneer politieke en/of maatschappelijke problemen zo persoonlijk zijn geworden, dat ook kunst je op deze plek raakt. Deze plek kan bestempeld worden als een overgevoeligheid, te identiteitsgebonden, maar kan ook leiden tot bewustwording.
De absurditeit van de werkelijkheid lijkt de kunsten, zoals Wertheim deze graag ziet, in de kiem te smoren, maar ik vind hoop in het zoeken naar de echtheid van fictie. Ik zou willen dat Dekker haar angst en woede na het lezen van Lolita wel kan uiten zonder dat ze bang hoeft te zijn dat ze fictie niet begrijpt, want zoals Wertheim zelf betoogt:
Kunst en fictie gaan altijd over onszelf.
Ik ben het eens met Wertheim dat dit niet hoeft te betekenen dat kunst ook politiek relevant zou moeten zijn. Ik ben van mening dat kunstenaars niet moeten werken op basis van een politieke agenda of niet per definitie activistisch of progressief hoeven te zijn. Maar wat als mijn dromen en verlangens nu samenvallen met mijn politieke idealen? Wat als ik een roman schrijf waarvan de inhoud mijn feministische agenda, die erg fantasierijk te noemen is, symboliseert? Is het dan geen kunst meer? Ik laat me graag troosten door kunst, maar waar Wertheim stopt bij het volgende...
Wie beweert dat kunst de wereld kan verbeteren onderschat wat kunst ons te bieden heeft. Kunst kan ons niet redden, kunst kán ons troosten, en ons verzoenen met het feit dat we niet te redden zijn.
... zou ik graag een stukje verder willen gaan. Ik weiger me neer te leggen bij ‘reddeloosheid’. In het amorele universum waar Wertheim het over heeft, moeten makers vrijuit onderzoek kunnen doen naar morele vragen zonder dat hier consequenties aan vast zitten. Zo’n onderzoek kan ik prachtig vinden, maar ook aanstootgevend. Nogmaals, ik weiger dan mijn schouders op te halen.
Het diepste diepe Bijzonder vind ik het dan ook dat Wertheim betoogt dat kunst nutteloos zou moeten zijn. Naar mijn idee heeft kunst een inherente maatschappelijke waarde, politiek of niet:
Makers, programmeurs en producenten vallen over elkaar heen om te verklaren hoe geëngageerd en politiek relevant hun voorstellingen zijn. Terwijl het nut van kunst nu net is dat ze nutteloos is. Of laat ik zeggen: dat ze nutteloos zou moeten zijn.
Kunst kan onmogelijk nutteloos zijn, want wanneer jouw kunst de wereld ingaat weet je niet bij wie het terechtkomt. Het nut van literatuur, theater of welke vorm van kunst ook zit hem in dat het mensen raakt. Dat een bundeling van woorden de kracht heeft om zich in mijn zenuwstelsel te nestelen. Dat ik juist ga nadenken, roepen, lachen, huilen of stilval. Dat ik anders naar de werkelijkheid leer kijken, deze werkelijkheid complexer maak door kunst te beleven. Alleen zo kan ik feit en fictie met elkaar laten verzoenen. Door te onderzoeken hoe ook fictie onze feitelijke wereld vormgeeft.
Misschien heeft Wertheim gelijk en doe ik het fout, onderschat ik kunst. Misschien had ik met mijn wens de wereld om mij heen te begrijpen geen cultuurgeschiedenis moeten studeren, maar politieke geschiedenis, geen filosofie of genderstudies, maar rechten of journalistiek. Misschien had ik dan niet de behoefte gehad om door de chaos van de werkelijkheid met al haar verschillende weergaves mijn weg te vinden, maar had ook ik geloofd in het belang van een strikte scheiding tussen de ouderwetse definities van feit en fictie.
Toch ben ik blij dat ik een vrije lezer ben. Blij dat ik mijn wereld vorm kan geven door onder andere de echtheid van fictie te onderzoeken: de ultra-waarheid te vinden in het verlangen van de mens die de kunstenaar zo goed kan vastleggen. Ik wil best een dagje zwemmen in dat fictieve zwembad van Wertheim, en durf dan heus met mijn politieke idealen van de hoogste duikplank in het diepste diepe van het zwembad te springen zonder bang te zijn voor het lek. Ik durf me te begeven in het ‘amorele universum’, omdat ik verantwoordelijkheid neem over wat ik lees en het nut van kunst durf te benoemen.
In het kader van het Wintertuinfestival lanceert Wintertuin een digitaal festivalcentrum: een online platform met iedere week nieuwe themagerelateerde content in allerlei vormen. Informatie over het volledige festivalprogramma en de kaartverkoop kan worden gevonden bij de Festivalbalie.








