When Moiraine tells of fate being etched in stone versus gossamer...
Her relationship to Rand as simply Laman's niece feels truly gossamer next to his thousands of years of connection to Lanfear...
seen from China
seen from India
seen from China
seen from China
seen from Russia
seen from India

seen from China
seen from United States
seen from Malaysia
seen from Sri Lanka
seen from Belgium
seen from India

seen from Türkiye
seen from China
seen from Venezuela
seen from United States
seen from United States

seen from India

seen from Canada
seen from Canada
When Moiraine tells of fate being etched in stone versus gossamer...
Her relationship to Rand as simply Laman's niece feels truly gossamer next to his thousands of years of connection to Lanfear...
ken je het werkwoord “mieren”? met de betekenis van “prutsen, peuteren, friemelen”
voorbeelden: “loop niet zo te mieren!” “hij zit de hele tijd met zo’n stukje ijzerdraad te mieren”
ik ken het en gebruik het, ik ken het wel maar gebruik het niet, ik heb er van gehoord, ik heb er nog nooit van gehoord
ken je het werkwoord “mieren”? met de betekenis van “prutsen, peuteren, friemelen”
ik ken het en gebruik het
ik ken het wel maar gebruik het niet
ik heb er van gehoord
ik heb er nog nooit van gehoord
Aquabeads Insects 🐜 🐛🐞 🐝 🦋 🇳🇱 Wist je dat je met Aquabeads ook insecten kan maken? Van Aquabeads kan je echt alles maken wat je wil. Leg de Aquabeads in een patroontje (op het speciale legbordje) en spray er wat water overheen. De kleine pareltjes kleven door het water aan elkaar en na 10 minuutjes kan je de gemaakte vorm al van het bordje halen. Zo maak je eenvoudig leuke figuren om te gebruiken als sleutelhanger of als decoratie voor op kaarten, bloempotten, mobiles. om je cadeau extra mee te versieren en andere voorwerpen te verfraaien. Maar let op, decoraties maken met Aquabeads is verslavend! Wij konden het niet laten om deze week weer lekker creatief bezig te zijn met de pareltjes. In een mum van tijd heb je grappige figuurtjes gelegd, even sprayen en ze zijn superstevig! Meer ideetjes: creametkids.nl #deknutseljuf #creametkids #aquabeads #aquabeadskids #aquabeadsfun #aquabeadsart #creatief #creatiefbezig #creatiefbezigzijn #creatiefmetkinderen #creatiefmetkids #knutselen #knutselenmetkinderen #knutselenmetkids #insects #insecten #libellen #mieren #bijen #lieveheersbeestje #rupsje #vlinder #vlinders https://creametkids.nl/knutsels/aquabeads-insecten/ (clickable link in bio) (bij The Netherlands) https://www.instagram.com/p/CTRb-1XjiLU/?utm_medium=tumblr
I made some fan art but I'm too lazy to color it in anytime soon, so if you guys want to use them as coloring pages or assorted art bases, please be my guest. Min, Aviendha and Lanfear!
I've got screen shots a the moment, hopefully the quality is okay.
Meer problemen met meer poten - Flarden #10
[...]
Al hijgend haastte Filip zich de takken van de jonge boom op. De spin was vooruit gestoven en had hem beneden achtergelaten.
“Spiiin!” Kermde hij. “Waaacht!”
Filip was het niet gewend om zo’n grote planten te beklimmen. Voor de spin was het niets. Terwijl Filip omhoog kroop landde er een vliegende mier vlak voor hem op de tak.
“Rot op!” Riep Filip tegen de dar en het beestje vloog weer weg.
Hogerop, in de top van het boompje, zag hij de spin stilzitten.
“Spin!” Hijgde hij terwijl hij ze inhaalde. “Waarom zo’n haast?”
De spin bleef stil. Haar aandacht lag op iets dat ze in de verte zag. Toen Filip de spin bereikte, merkte hij een geluid op. De mierenmarsen! Nu kon hij ze zeker horen.
“Hé! Hoor je dat? Ik hoor de mieren.” Zei hij tegen de spin.
“Kijk.” Zei de spin.
Ze keek uit over de Stroom. Filip volgde haar blik. Hij zag het meteen. Iets groots was over de Stroom aan het bewegen.
“Is dat –“ Vroeg Filip.
“Een tak.” Zei de spin.
Op de maat van de mierenmarsen werd er een lange boomtak over de Stroom heen geschoven. In kleine schokjes kroop het langzaamaan naar de overkant van de Stroom toe, om een brug te vormen. De tak zelf en alles er rondom krioelde van de mieren. Filip had geen woorden voor wat hij zag gebeuren. Hoe kon het dat zo’n kleine wezens zo’n grote dingen konden verplaatsen?
De spin had er wel woorden voor.
“Ik haat ze, die rotmieren.” Grommelde ze.
“Die tak is al bijna helemaal tot de overkant geschoven. Nog eventjes en ze kunnen allemaal in één keer oversteken!” Zei Filip.
“Inderdaad. Waar wij uren over gedaan hebben, gaan zij binnen een paar minuten doen. Dit is heel slecht nieuws.”
De spin gaf Filip een serieuze blik. “Ze gaan ons inhalen.”
“Ik begrijp het niet.” Zei Filip. “Zo snel kruipen mieren toch niet? Het duurde ons zo lang om de Stroom helemaal tot hier te volgen. Hoe hebben zij het zo snel gedaan?”
“Ze hebben de stroom helemaal niet gevolgd.” Zei de spin geïrriteerd. “Ze hebben ons gevolgd! Terwijl wij eerst onze tijd hebben verspild met langs het water te kruipen, zijn zij gewoon in een rechte lijn op ons af gekomen. Zij hoeven geen tijd te verdoen met over hindernissen te geraken. Dat doen wij al en dan hoeven zij ons enkel nog te volgen.”
“En dat kunnen ze, dankzij hen!” Zei de spin.
Ze wees naar de groep van mierendarren die hen vanop een aanliggende tak zaten te stalken.
“We moeten de mierenlegers weer kwijtspelen.” Zei Filip.
“We kunnen de mierenlegers nooit kwijtspelen zonder eerst hun verkenners kwijt te spelen.” Zei de spin al denkend. “Die vliegende mormels zijn hun ogen. Het is aan hèn dat we echt moeten ontsnappen.”
Filip zag dat de spin gelijk had. Zolang de vliegende mieren bij hen waren, zouden de legers altijd hun exacte positie weten en konden ze makkelijk bochten afsnijden. Pas als de verkenners de legers niet meer konden vertellen waar ze waren, zouden ze weer vertraagd worden.
[...]
“Ik heb een idee, maar het is een risico.” Zei [de spin].
“Wat dan?”
“Dit is het Braamwoud. Je kent de verhalen. De bodem, onder het braam, is als een doolhof. Beestjes geraken er constant in verdwaald. De snelste weg is natuurlijk langs de boomtakken maar als we door de braamstruiken gaan, hebben we een grotere kans om die vliegers kwijt te spelen. Het risico is dan wel dat we zelf kunnen verdwalen.”
“Niet alleen dat.” Zei Filip. “Maar er zijn ook veel roofdieren onder de begroeiing!”
De spin lachte. “Maak je daar geen zorgen om. Het grootste gevaar in het braam zouden spinnen moeten zijn. En ik ben een spin.”
“Jagen spinnen dan niet op elkaar?”
“Zeker.” Zei de spin. “Maar ik weet hoe spinnen denken. Ik maak me geen zorgen om de kannibalen van dit wilde oord. Wij zijn slimmer dan hen.”
Filip dacht na, zijn blik gefixeerd op de brug die de mieren voor hun ogen aan het maken waren.
“Ik denk dat jouw plan een goed plan is.” Zei hij dan.
“’Tuurlijk is het een goed plan.” Zei de spin.
Er klonk gejuich in de verte. De brug was af. Een dikke stroom van mieren begon de tak op te kruipen om over te steken.
“Komaan.” Zei de spin. “We moeten maken dat we hier weg zijn.”
Zonder waarschuwing greep ze Filip vast en tezamen gleden ze per spinnendraad naar beneden. Ze landden op een braamtak. De darren landden ook achter hen in de verte, nog steeds aan het stalken. Filip en de spin kropen verder naar beneden, naar de bodem van het bos. Het werd er steeds donkerder. De dikke bladeren van de struiken hielden al het licht tegen en schiepen een wereld van eeuwige schemer.
Ze kwamen terecht op een donkere zanderige bodem, omsingeld door kronkelende doorntakken. Vanaf het moment dat ze daar stonden was Filip al niet meer zeker welke kant ze eigenlijk op moesten. De grote bomen en struiken die rondom hen stonden waren weg, net als de lucht en de zon. In alle richtingen zag Filip niets anders dan braam. Braam, braam en meer braam. De spin leek het gelukkig wel nog te weten.
“Deze kant op.” Zei ze.
Ze kropen de schaduwachtige wildernis in en de vliegende mieren volgden voorzichtig vanop de bladeren boven hen.
- - -
Eindelijk weer een nieuw hoofdstuk af. 7600+ woorden. Het heeft mieren, duizendpoten en emotionele gesprekken. Al dat je maar van een hoofdstuk kan willen ;) Ik zat veel te lang vast met dit hoofdstuk en het was frustrerend. Maar ik ben blij dat ik er nu voorbij ben en ik ben al met een vaartje aan het volgende hoofdstuk begonnen dus het ziet er naar uit dat ik dan toch nog dit boek ergens tijdens mijn leven zal afkrijgen. Hoera!
Do not drop anything. Do not get anything wet, especially the ones with red markings. And for the love of God, if one of the glass vials breaks, run like the world behind you is ending, because it will be.
Duo (chp. 13)
After Dark by Mieren (FF.net) Gundam Wing – Teen/Mature #Horror #Supernatural #Alternate Universe #Incomplete
How much is known about the colonies or the pilots? What about the scientists they serve?
Note: This work is potentially abandoned, so if you know not being able to finish a story will bother you, you might want to avoid.
Insecten bij de poort
Anvel sliep in vrede. Ze rustte onder de zuilen van goudgekleurde steen. In het magische lichtgroene licht van mythische paddenstoelen. Bovenop de zachte bloembladeren van de edelweiss. Bij het zachte geklater van een jonge ondergrondse bergstroom. Anvel was lid van een merkwaardig ras, een ras van kleine mensjes die ver weg van ons leefden in het legendarische Groten. Groten, een eenvoudige wereld van velden, bossen, bergen en de simpele beestjes die daar leefden. Anvel’s soort had veel namen. Feeën, elfjes, kabouters,… Maar zij noemden zichzelf de Orn. Een oud volk dat van de sterren was gekomen en magie naar de wereld van Groten had gebracht. Voor jaren leidde Anvel een eenvoudig en rustig feeënleven in de legendarische Orn-stad onder de berg waar de rivier ontsprong. Ze was niet zomaar een fee. Ze was een prinses en op een dag als ze haar vleugels kreeg, zou ze de koningin van de Orn worden. Tot dan regeerde haar broer - Erhen – in haar plaats over de stad. Tot dan was haar leven zorgeloos. Ze leefde met de feeën in de geheime stad in de grot. Ver weg van de vijandige duistere feeën die ooit op Groten leefden. Ver weg van de gevaarlijke geleedpotigen die in de wildernis leefden. Ze leefde. Ze sliep. In vrede.
Tot als -
“Insecten bij de poort!”
Het klonk door het hele paleis. Als een waarschuwing. Een noodkreet. Anvel werd er door gewekt. Eerst wist ze niet zeker of ze het wel echt gehoord had. Misschien was het nog een deel van de zachte droom waaruit ze was gewekt. Wat zou het dan ook kunnen betekenen? Insecten? Insecten waren al jaren zo’n zeldzaam voorkomen, dat het makkelijk was om te vergeten wat ze nu ook al weer waren. Of ze wel werkelijk bestonden. Versuft bleef ze rechtop op haar rustplek zitten. Ze deed geen poging om op te staan, in feite was ze van plan om zo meteen weer verder te slapen. Maar ze ging nog net niet terug liggen omdat ze even dacht iets te horen. Vage echo’s. Het rommelige geluid van strijd. Talloze voetstappen die het plein op stormden. Zwaarden die op elkaar insloegen. Muren die omver vielen. Maar het klonk zo zacht. Het klonk zo ver weg.
Dan plots werden de deuren van haar slaapkamer met veel geluid opengeslagen en stormden er feeën binnen. Ze hadden hun zwaarden getrokken en hun angst was zichtbaar.
“Prinses!” riep Erhen, die vanachter de soldaten tevoorschijn kwam. “De stad wordt aangevallen! U moet vluchten!”
Anvel werd bruusk recht getrokken, en de andere feeën begeleidden haar in alle haast de kamer uit.
“Wacht!” riep Anvel terwijl ze door de gangen liepen. “Ik begrijp het niet! Wat gebeurt er?”
“We worden aangevallen.” Zei Erhen.
“Door wie? Zijn de Ikral terug?”
“Nee. We weten het niet. Het is geen vijand die we kennen. Het zijn geen feeën.”
“Geen feeën?!” vroeg Anvel verward.
Ze wist niet wie buiten de duistere feeën ooit deze stad zou aanvallen.
“Een leger van insecten is zonet de poort binnengestormd.” Zei Erhen.
“Insecten?! Bedoel je de monsters van de oppervlakte?”
“Ja!”
Anvel keek Erhen vol van verbazing aan, maar Erhen keek terug en ze begreep al snel dat niemand goed wist wat er aan het gebeuren was.
“Maar -“ zei Anvel “- hoe zijn ze hier beneden geraakt? Hoe zijn ze door de poort geraakt? De feeënstad is al jaren veilig weggeborgen van de buitenwereld!”
“Het ging heel snel.” Zei Erhen “Het ene moment wisten we dat de poort werd aangevallen, het andere moment stormden ze al binnen.”
De feeën liepen door de troonzaal. De troonzaal was leeg. Zelfs de standbeelden hadden de kamer verlaten.
“Waar zijn de Wachters naartoe?” vroeg Anvel.
“Ze werden geactiveerd toen de poort werd doorgebroken. Ze zijn weggevlogen.”
“Dus ze zijn niet meer versteend?”
“Nee, op dit moment zijn ze buiten de aanvallers aan het bevechten.”
Ze liepen de troonzaal uit, en naderden de balkons die uitkeken over de hele stad.
“Dan zijn we toch veilig?” Vroeg Anvel hoopvol. “De Wachters hebben de kracht van het reuzenbloed, het zou wel honderd insecten vereisten om een Wachter te verslaan.”
“Dat is het probleem prinses.” Zei Erhen “Ze zijn met z’n duizenden gekomen.”
Toen liepen ze langs de balkons en Anvel zag het tafereel met haar eigen ogen. Een stroom van donkere wezens marcheerde uit de duisternis, door de poort, de stad in. Hun wapengekletter en oorlogsliederen galmden door de hele grot waarin de stad lag. De legers volgden de straten van de stad niet. In plaats daarvan kropen ze over de gebouwen heen. Ze klommen over de muren. Ze kropen de ramen binnen. Ze liepen ondersteboven langs de onderzijden van versperde bruggen.
“Bij alle hemelsterren, wat voor insecten zijn dat?” vroeg Anvel geschrokken. “Het is net een echt leger. Ze vechten als soldaten maar ze kruipen als beesten.”
“Het zijn mieren.” Zei Erhen. “Velen van hen dragen zelfs wapens. Speren, zwaarden en schilden. We weten niet wie hun wapens gesmeed heeft. Dit zijn geen gewone oppervlaktemonsters. Ze hebben dit gepland. Het is beter voorbereid dan de aanvallen van onze aartsvijanden, vele jaren geleden. Om één of andere reden willen deze mieren echt de stad doen vallen.”
“Ik wist niet dat insecten zich zo konden gedragen.”
“Het kan ook niet dat zulke primitieve dieren dit zomaar doen.” Zei Erhen vast overtuigd. “Het moet wel feeënwerk zijn. Iemand heeft deze mieren hier tot aangezet.”
Buiten het paleis was de stad een echt slagveld geworden. Gewapende feeën probeerden de mieren tegen te houden maar de insecten overtroffen hen in hun aantallen. De feeën werden omsingeld en langs alle kanten aangevallen. De mieren kropen over hun dode lichamen heen. Lichtstralen vanop het paleis vuurden meedogenloos naar de troepen en de geraakte insecten knetterden terwijl ze in verkoolde brokken uit elkaar vielen. Maar zelfs deze vernietigingswapens waren niet genoeg om de binnenkomende stroom van mieren te vertragen.
Ook de ontwaakte Wachters hadden geen genade voor de aanvallers. De gevleugelde insect-achtige oerwezens landden op de gebouwen en bruggen en versperden de weg voor de legers die er door wilden. Naar elke groep mieren die dichterbij kwam, hielden ze krachtig uit met hun lansen en zo gooiden ze de kleine aanvallers de lucht in. Een grote bereden loopkever die uit de poort kwam en de hoofdbrug op stormde, werd plots doorboord toen een Wachter er bovenop stortte en zijn lans met legendarisch veel kracht de aarde in boorde. Zelfs de wespen waar sommige mieren op reden, werden uit de lucht geslagen. Ze werden midden in hun vlucht in twee stukken gekliefd door de machtige slagen van de meedogenloze Wachters.
Maar de mieren waren zelfs de Wachters te slim af. Sommige rode mieren schoten mierenzuur naar de Wachters die de weg versperden, en het brandde door hun pantser heen. Dan begonnen de vleugels en poten van de Wachters het te begeven en vielen ze neer waarna ze bestormd werden door de mieren, en ze langzaam gedood werden met talloze zwaardsteken en insectenbeten.
“Waar gaan we heen?” Vroeg Anvel terwijl ze met de andere feeën verder de trappen afliep.
“We kunnen nergens meer heen.” Zei Erhen. “Onze enigste optie is om weg te vluchten door de onderaardse gangen aan de kant van de avond.”
“Waar gaan die gangen heen?” vroeg Anvel.
“Omhoog, naar de oppervlakte. Ze werden jaren geleden gegraven voor in het geval dat de Ikral ooit zou binnenvallen.”
“Naar de oppervlakte?! Maar daar komen de insecten vandaan!”
“De mieren zijn langs de andere kant binnengevallen en de gangen zijn goed afgesloten, we zullen ze niet tegenkomen.”
“Maar wat doen we als we eenmaal op de oppervlakte zijn? Feeën zijn al jaren niet meer op de oppervlakte geweest!”
“Geen idee. Overleven!”
“Maar daarboven is geen beschaving, geen bescherming, niets! Enkel de wildernis en de monsters die daar leven.”
“We hebben geen andere keus! Als we hier blijven zullen de mieren u vermoorden.” Zei Erhen heel serieus. “Zonder onze toekomstige koningin, zijn de Orn-feeën verloren!”
Het was dus een daad van wanhoop. Ze waren aan het vluchten, maar ze konden nergens naartoe. Voor de feeën was de laatste veilige plek op de hele wereld, aan het wegvagen.
Ze liepen het paleis uit, over een reeks van bruggen in de richting van de zonsondergang. Onder hen klonk het getik van honderden mierenpoten die over het steen liepen, en de strijdkreten van een aantal dappere feeën die tevergeefs probeerden de mieren van het paleis weg te houden. Erhen wees in de verte terwijl ze renden.
“Die brug daar gaat naar de oude mijnen, daar is ook de uitgang. De mijn is afgedekt, enkel feeën kunnen er binnen.”
Ze liepen verder. Achter hen klommen de mieren de muren van het paleis op. Het was geen veraf gebeuren meer. Ze kropen het paleis binnen en draafden door dezelfde gangen waardoor Anvel nog geen minuut geleden had gelopen. De mieren hadden zich al bijna over de hele stad verspreid. Ze doodden niet meer alleen feeënsoldaten, nu gingen ze ook achter de burgers aan.
Anvel, Erhen en de groep soldaten bereikten de laatste brug. De brug leidde naar een gat in de rotswand. Het was er te donker om te zien waar de brug eindigde. De brug leek gewoon in de duisternis te verdwijnen. Toen de feeën over de brug liepen en de duisternis naderden, kwam de duisternis plots tot leven. De schaduwen op het einde van de brug begonnen te bewegen.
“Kijk uit!” riep Erhen. “Er zit iets!”
De feeën stopten en voor hen maakte een groep van zwarte mieren zich los van de schaduwen. De insecten stapten het licht in en alle voorste mieren zetten tegelijkertijd hun schilden neer op de grond. Ze wezen hun speren naar de feeën. Ze hadden zichzelf zo uitgelijnd dat er plots een muur van soldaten voor de feeën stond. De feeënsoldaten haalden Erhen en Anvel in om ze te beschermen van de mieren, maar ze stonden met een handvol feeën met zwaarden tegenover een ondoordringbare militaire formatie. Anvel keek terug naar het paleis. Ze zag hoe de mieren ook al over de bruggen achter hen kropen. Nog heel even en ze waren omsingeld. De mieren hadden hun enigste uitgang geblokkeerd. Dan sloegen de mieren synchroon hun wapens tegen de grond. Ze stapten wat naar voren. Dan sloegen ze opnieuw, en gingen ze verder vooruit. Ze bleven slagen, op de maat. Zo marcheerden ze vooruit. De muur van schilden en speren kroop langzaam dichterbij.
“Kom maar op!” Riep één van de soldaten tegen de mieren terwijl ze dreigend dichterbij kwamen. Het was dapper bedoelt, maar kwam dwaas over.
“Kom maar op vuile monsters! Verwrongen beesten van de oppervlakte! Jullie kunnen niet tegen de grootsheid van feeën op!”
De mieren sloegen hun wapens nog één keer hard tegen de stenen ondergrond, en dan kwamen ze plots tot stilstand.
“Grootsheid?!” klonk er over de groep mieren heen.
De feeën wisten niet wie het woord had. Het was een onbekende en onmenselijke stem die sprak.
“U weet niets van grootsheid af, elf!” Sprak de vreemde stem. “U praat en handelt misschien als een nobele, maar diep van binnen denkt u toch als een dier!”
Over de zijkant van de brug kroop een enkele mier de andere mieren voorbij. Ze kroop weer bovenop de brug en ging vlak voor de muur van schilden staan. De mier ging op haar twee paar achterpoten staan, zodat ze op dezelfde hoogte als de feeën stond, en zodat ze oog in oog met de feeënsoldaat was die zonet geroepen had. Het was pas toen dat de mier opnieuw sprak en de feeën zagen hoe haar insectenmonddelen de woorden vormden, dat de feeën het geloofden.
“Ik zie nergens grootsheid in dit ondergrondse gewelf!” sprak de mier. “Ik zie een stad die stervende is! Ik zie de overblijfselen van een ras die van de wereld wegvluchtte in plaats van voor zijn bestaansrecht te blijven vechten! Keer u om en zeg dat u hetzelfde ziet, of geef toe dat u blind bent als een dier!”
De soldaat wist niet wat antwoorden op de pratende mier.
“Ze kunnen praten!” zei Erhen volverbaasd. “Ze praten zoals wij praten! Hoe kan dat?! Het zijn maar insecten!”
De mier kantelde haar kop, en hoewel het moeilijk was om er zeker van te zijn, keek ze Erhen’s richting uit.
“En u!” zei ze tegen Erhen. “Durft u ook de spot te drijven met het Rijk, terwijl diens legers uw thuis vernietigen?”
Erhen wist ook niet wat hij moest terug zeggen. “Het Rijk?” vroeg hij verward.
“Het Rijk!” sprak de mier. “Het Rijk Der Mieren, gezaaid door ZOON vanuit Invus uit de ochtend, bestaande uit dertien nesten, geregeerd door negen koninginnen en de Heer Van Het Duister, de Profeet Van De Opstand! Het Mierenrijk! De temmers van beesten, vuur en water! Tegenstander van de Orde en de ware heerschappij die Groten toebehoort!”
De mieren achter haar sloegen tegen de grond en een strijdkreet klonk. Erhen wist niet wat hij er van moest denken. Waar in godsnaam was die mier over bezig? Hij keek angstig achter zich, waar een tweede muur van mieren de andere kant van de brug begon af te sluiten. Verward vroeg hij:
“Hoe zijn jullie hier geraakt? Enkel feeën kunnen door de gang die naar buiten leidt!”
“Wij hebben geen elfjes nodig om onze gangen voor ons te graven!” Sprak de mier. “Wij zijn geboren in de aarde. Uw toevluchtsoord, is onze thuis. Jullie weten niets van gangen graven af! Jullie begrijpen de grond niet waarin jullie leven!”
Erhen keek verslagen naar Anvel. Anvel daarentegen keek vooruit. Hoopvol. Ze dacht dat als de mieren werkelijk konden spreken, dat er dan ook mee gepraat kon worden.
“Soldaat! Leg uw zwaard neer!” riep Anvel tegen de soldaat die het dichtst bij de pratende mier stond.
De soldaat keek verward achterom.
“Doe het!” zei Anvel.
De soldaat gehoorzaamde.
“Anvel, wat doe je?!” vroeg Erhen.
Anvel stapte naar voren. Ze liep de soldaten voorbij en maakte een buiging voor de pratende mier.
“Gegroet nobele mier. Ik ben Anvel, toekomstige koningin van de Orn en heerser van deze stad. Ik vraag uw soort om genade voor mijn volk en zou graag met u de overgave van de stad willen bespreken. Staak de aanval en we zullen aan uw eisen gehoorzamen.”
De mier staarde Anvel aan. Anvel bleef neergebogen zitten. Dan sprak de mier:
“Ik ben Commandante Nelsia, en achter mij staat mijn leger die samen met mij vecht voor het Rijk op bevel van koningin Esthenna van Ambel, volgens de wijsheden van ZOON. Ik ken geen koningin die uw naam draagt, en dus zal ik niet voor u buigen. Mijn rang is niet hoog genoeg om met mij de overgave te bespreken, en geen enkele mier zal hiertoe genoeg rang hebben. Het bevel van de zuivering van deze stad komt rechtstreeks van ZOON. ZOON vroeg ons om alle wezens uit deze stad te vermoorden en ZOON verwacht van het Rijk om geen enkele genade te tonen.”
Anvel ging weer rechtop staan. De mier bleef onbewogen. Zij had geen buiging gemaakt.
“Wie is deze ZOON waarover u spreekt?” vroeg Anvel.
“ZOON is de stichter van het Rijk.” Vertelde Nelsia. “Hij is de Heer Van Het Duister, de Profeet Van De Opstand en de Vijand Van De Orde. Het is deze duisternis die de Mierheid leidt naar de grootsheid waar uw ras zo van vervreemd is.”
Anvel keek terug naar Erhen. Ze begrepen het tezamen. ZOON moest een pion van de Ikral zijn. De duistere feeën.
“Commandante Nelsia,” Zei Anvel “hij die zich voortdoet als ZOON is niets meer dan een duistere fee. Hij is net als ons, maar van een ander geloof. Hij wil het einde van de bestaande wereld. Hij wil dat duisternis het licht vervangt. Ik geloof dat u een schepsel bent met een goed hart en een goede ziel. U moet naar ons luisteren! Uw soort heeft zich laten verleidden door de vertelsels van de duisternis, maar de duisternis liegt!”
In een vlugge beweging trok de mier haar zwaard uit de schede, en bracht ze het tot aan Anvel’s hals. De feeënsoldaten trokken hun wapens weer, maar durfden niet dichterbij te komen.
“Wij zijn de Opstand!” zei Nelsia fel. “De duisternis staat aan onze kant, en wij staan aan de kant van de duisternis!”
“Uiteindelijk zal ZOON zich ook tegen de mieren keren!” riep Anvel.
“Nee, Anvel.” Zei Nelsia. “Dieren als u begrijpen niet wat mieren doen, en wat mieren kunnen. Deze legers die vandaag uw stad innemen, zij hebben een heel seizoen lang zonder rust door gemarcheerd door ongetemde oorden, zij hebben de meest exotische monsters bevochten, zij hebben rivieren overgestoken, zij hebben tegenover Reuzen gestaan. Dat allemaal onder de hoede van ZOON. En u, uw geloof, uw Orde, heeft geen enkele mier geholpen. Elke mier die vandaag uw stad binnenkroop deed dat bewust. Wij kiezen om onze koninginnen te dienen, en wij kiezen om ZOON’s wil te volgen want van alle insecten heeft ZOON de mieren uitgekozen. U kan ons niet scheiden van ZOON! U kan ons niet bedriegen!”
Er volgde een korte stilte. Anvel begreep dat ze niet tot deze mier kon door dringen. De feeën stonden midden op een brug omsingeld door twee mierenlegers die aan elke kant van de brug stonden. Ze konden nergens heen. Anvel had een zwaard tegen haar hals gedrukt. Het was hopeloos.
“Gaan u en uw soortgenoten dan alle feeën in deze stad vermoorden?” vroeg Anvel bedroefd.
“Ja.” Zei Nelsia.
“Zomaar, op het bevel van een valse god?”
Nelsia moest die laatste opmerking niet leuk hebben gevonden want ze trok haar zwaard terug, klaar om met één zwaai Anvels hoofd er af te slaan.
Maar dan viel er een schaduw over de brug. Net als iedereen had Nelsia niet opgemerkt dat er al een tijdje een achtpotig gedrocht boven de brug hing. Toen de schaduw over hen heen gleed was het al te laat, en liet het monster zich vallen op de brug. Nelsia was ook niet nel genoeg weg toen het wezen bovenop de feeën neer kwam. Twee insectachtige poten grepen Nelsia vast, schreeuwend werd de mier omhoog geheven en dan werd ze in twee stukken getrokken. Iedereen schoot in paniek. De feeën stonden plots vlak onder een enorm insectachtig wezen, waarvan de poten steunden op de randen van de brug, en mierenlegers stonden plots oog in oog met een veel gevaarlijkere vijand dan voorheen. Eén van de mieren moet een paniekkreet hebben geslagen want dan klonk ineens:
“Spiiiiiiiiiin!”
De grote spin gooide haar voorpoten naar voren en mepte door de schildenmuur heen, de mieren werden weg gekatapulteerd. Een paar dappere mieren liepen op de spin af met hun speren maar met haar voorpoten veegde de spin ze weg, of sloeg ze de mieren zelfs plat. Het leger trok zich terug in de duisternis om te hergroeperen. Het leger dat achter de feeën stond brak hun formatie en stormde naar voren. De feeën wisten niet wat doen. Boven hen stond een afgrijselijk monster des doods en langs de andere kant kwam een mierenleger aangestormd. Ze hadden hadden al geprobeerd om met hun zwaarden op de spinnenpoten te slaan, maar het bleek dat de feeënzwaarden niet scherp genoeg waren om door het exoskelet van de spin heen te snijden. Terwijl de mieren op de spin afstormden, draaide de spin zich om. Met één poot graaide het een losliggend schild van de grond, en met een ongelooflijke kracht smeet ze het schild naar de mieren die op hen af kwamen. Een aantal mierensoldaten werden omver gekegeld, maar het was niet genoeg. Zonder het verrassingselement zouden deze mieren met hun speren de spin kunnen doden. De spin trapte de eerste mier nog weg, maar dan dook het plots naar beneden, naar de hulpeloze feeën die gebukt onder de spin stonden. Anvel zag hoe de monsterlijke spinnenkop op haar afkwam. Acht ogen, harig, met gigantische giftanden en pedipalpen. Anvel gilde het uit, maar de spin greep haar vast. Erhen schreeuwde nog haar naam maar niets kon Anvel nog redden. Ze zat vast tussen de monddelen van de spin. De spin had haar nu.
Dan sprong de spin tezamen met Anvel de lucht in. De spin greep een stuk onzichtbaar spinnendraad vast dat daar hing en klom snel over de draad omhoog. De mieren keken verward de lucht in naar de spin die met Anvel weg vluchtte. Bevelen van andere commandantes werden in het rond geroepen. De spin was duidelijk geen vriend van de mieren en de mieren waren in een lichte paniek.
“Hou die spin tegen!”
“Ga over de rotswand!”
“Dood de feeën!”
Mieren van over heel de stad bewogen de richting van de spin uit. Anvel hing ondersteboven terwijl ze omhoog gehesen werd door de spin. In een flits zag ze hoe Erhen en de andere feeën op de brug overrompeld werden door de mieren. Ze bleven bewegingsloos achter met speren die uit hun lichamen staken. Anvel schreeuwde wanhopig, maar haar broer was dood. De spin volgde de draad tot aan de rotswand en rende dan over de wand verder. De spin liep schuin omhoog. Ze hing ondersteboven aan de wand maar toch rende ze heel snel. Heel snel. Anvel had nooit geweten dat een geleedpotig dier zich zo snel op het land kon voortbewegen. De mieren die ook over de rotswand liepen om de spin te achtervolgen, werden al snel achtergelaten. Eén bereden loopkever hield de spin echter wel bij, en het naderde de spin.
“Zwaarlijvige woesteling.” Siste de spin zacht.
“Kan jij ook al praten?!” vroeg Anvel door haar tranen heen.
“Zwijg want-“ begon de spin. De spin liet plots de rotswand los en ze vielen naar beneden. Anvel gilde, ze dacht dat het een ongeluk was. Maar dan slingerde de spin plots de andere kant uit. De spin hing nog steeds vast aan de wand met een draad die ze aan het spinnen was. De spin slingerde naar de loopkever toe en beukte er tegen. Het was zo’n slag dat vijf van de zes poten van de loopkever hun grip kwijt geraakten op de wand. De spin klemde zich weer vast aan de wand vlak naast de bengelende loopkever en graaide de laatste poot van de kever los. De loopkever viel met rijders en al de afgrond in.
“-ik moet me concentreren.” eindigde de spin.
De spin rende weer verder. Anvel was blij verbaasd dat ze nog leefde.
“Je hebt hem er af gegooid!” zei ze met een zwakke lach.
“Niets te vieren. Die dingen kunnen vliegen.” Grommelde de spin.
De gevaarlijke gifkaken die boven Anvel hingen, gingen op en neer terwijl de spin sprak. Het was een afgrijselijk zicht voor Anvel, maar ze probeerde er niet op te letten.
“Naar waar ga je?” vroeg Anvel aan de spin.
“Bovenaan de grot hebben de mieren een gang naar buiten gegraven.” Zei de spin. “Daar ga ik heen.”
“Zitten daar dan geen mieren?” vroeg Anvel.
“Nee, niet meer. Ik ben er al langs geweest.” Zei de spin.
“Ben je… Ben je me aan het redden?” vroeg Anvel onzeker aan de spin.
“Stuur de wespen erop af!” riep een mier ergens beneden.
Onheilspellend gezoem klonk van achter hen.
“O fantastisch.” Siste de spin.
Een gele waas scheerde voorbij, een gevaarlijke angel schraapte langs hen over het gesteente. De wesp vloog voor hen uit en keerde zich om in de lucht. Geel, zwart, rode doodse ogen, luidruchtige vleugelslagen, een mier met een lange speer die op zijn rug reed. Het kwam recht op hen af.
“Pas op!” riep Anvel.
“Nee, pas maar op voor mij.” Zei de spin.
De wesp dook. De spin sprong. Twee van Groten’s meest gevreesde roofdieren sloegen tegen elkaar in. Een wentelende wirwar van poten en vleugels viel uit de lucht. De angel van de wesp kwam gevaarlijk dicht bij het achterlijf van de spin, maar de spin had de wesp met haar krachtige poten vastgegrepen en duwde de angel van zich weg. De ongelukkige wespenrijder kon zich niet meer aan de wesp vasthouden, en tuimelde een andere richting uit in de lucht. Een groot woest wespenhoofd staarde Anvel aan, de insecten kaken sloegen open en dicht en kwamen steeds dichter bij Anvel. De wespen poten graaide over haar heen en zetten krassen op haar huid. Anvel gilde. Maar dan boorden de twee gifkaken die boven Anvel hingen zich dwars door de ogen van de wesp heen. De wesp jammerde. De spin sloeg er in om één van de vleugels uit de wesp zijn rug te trekken. Dan liet de spin plots los en de wesp viel verder naar beneden. De spin viel niet meer. Zij bleef in de lucht hangen, aan alweer een spinnendraad.
“Spring nooit zonder een draad.” Zei de spin als antwoord op Anvel’s wederkerende verbazing.
De spin klom terug omhoog en rende verder, maar nieuw gezoem voorspelde niet veel goeds.
“Er komen meer wespen aan.” Zei Anvel.
“Ze zijn te traag.” Zei de spin.
De spin liep ondersteboven over het stenen plafond. Daar ergens tussen de stalactieten werd de steen plots vochtige aarde. Anvel kon nog net de stad onder hen zien terwijl het licht ervan wegvaagde. Haar thuis, weg. Niets zou ooit nog hetzelfde zijn. Nieuwe wespen vlogen op hen af maar de spin wrong zichzelf door een klein gaatje in het plafond. Met het gesputter van de wespenvleugels onder hen klom de spin de schacht vol mierenlijken omhoog. De wespen volgden ook. Ze kropen de gang in maar hier konden ze niet meer vliegen. De wespen, die zo onverslaanbaar waren in het luchtruim, konden niet zo snel kruipen als de spin. Ze konden de spin niet op tijd inhalen.
Met de feeënprinses in haar monddelen, kroop de spin het licht in.
So kiss me darling, and I'll pretend to be as pure as you believe I am
Kiss me dear heart, and I'll pretend not to see the blood painting your lips