Een zeer doelmatig voetkussen, waarvan het overtrek met den tunischen (victoria) haaksteek en met den lussensteek gewerkt wordt; het haakwerk wordt met een borduurwerk met den kruissteek versierd. Het kussen vormt een ovaal van 40 d. lengte en 30 d. breedte en bestaat uit 2 gedeelten. Het onderste gedeelte is 10 d. hoog, de buitenrand volgens de afbeelding gewelfd. Op de bovenste vlakte wordt dit gedeelte met wit bont bekleed, zoodanig, dat dit in de rondte langs den buitenrand een weinig oversteekt. Het bovenste gedeelte van het kussen waarvan het bovenblad volgens de afb. 7 ribben heeft, is in het midden 6 d. hoog, aan de zijden minder hoog gewelfd, aan de binnenzijde insgelijks met bont bekleed en aan de dwarszijden door twee banden van elastiek met het onderste gedeelte van het kussen verbonden. De afbeelding stelt het bovenste gedeelte, dat bij het gebruik van het kussen de voeten bedekt, een weinig open gebogen voor. Voor het overtrek van het onderste gedeelte haakt men eerst 9 afzonderlijke puntvormige gedeelten met den tunischen steek, 9 zoodanige met den lussensteek. Eerstgenoemd werkt men met op drie na de lichtste nuance reebruin; men begint aan de spits met een opzetsel van 3 st. (steken), haakt daarop 27 pat.toer. (patroontoeren), waarbij men in den 2. tot den 6. pat.toer aan beide zijden telkens 1 st. meerderen moet, voorts in den 7. tot den 17. pat.toer gedurig 1 st., en wel afwisselend 1 st. aan den eenen, 1 st. aan den anderen zijrand van het werk; in den 18. tot 27. pat.toer moet men op deze wijze nog 4 st. meerderen, zoodat de laatste pat.toer 28. st. telt. Voor het meerderen aan den rechter zijrand haakt men aan het einde van den 2. toer, nadat de laatste lus afgewerkt is, nog 1 kett. en neemt de 1. lus voor den volgenden toer, dan uit de laatste lus van den vorigen pat.toer op, het meerderen aan den linker zijrand geschiedt, door aan het einde van den 1. toer van een pat.toer nog 1 lus van den 1. waterpasliggenden steek aan den buitenrand van den vorigen toer op te nemen. De aldus vervaardigde punten worden dan met 8 rijen met den langen verzetten kruissteek (1 steek moet 4 pat.toer in de hoogte, 1 steek in de breedte overspannen) met groene wol en zijde in 5 nuancen geborduurd; aan de zijden moeten telkens 2 steken van den fond onbewerkt blijven. De punt met den lussensteek uitgevoerd, begint met met de lichtste kleur reebruin en een opzetsel van 4 kett., haakt daarop terug den laatsten steek overslaande, 1 v. st. in den naastbijzijnden steek, van den volgenden steek 1 lus opnemen, 6 kett., den laatsten hiervan met de nog op de naald zich bevindende lus te zamen afwerken, 1 v. st. in den volgenden steek, eindelijk 1 kett. en dan omkeeren. Op dezelfde wijze haakt men heen en weder nog 18 toeren, doch men moet gedurig om de beide bovenste lussen van den steek van den vorigen toer steken en de kett. lussen telkens verzetten; ook moet men aan de zijranden zoodanig meerderen, dat men eene punt even als de punt met den tunischen haaksteek verkrijgt (de beide laatste toeren hebben elk 10 kett. lussen), voorts moet men met de nuancen afwisselen. Met de lichtste nuance bruin worden 2 toeren, met de volgende 4 nuancen elk 3 toeren gewerkt, de beide laatste toeren voert men met de zwarte wol uit. De voltooide punten naait men volgens de afb. zoodanig langs de schuine zijranden aan de verkeerde zijde te zamen, dat de spitsen tegen elkander gekeerd zijn, dan wordt het gehaakte overtrek op het gevulde kussen bevestigd. Vooraf moet de bodem hiervoor met zwart leder bekleed worden. Voor het bekleedsel van het bovenste gedeelte haakt men eerst 4 afzonderlijke strepen met den lussensteek met 5 nuancen bruin (de lichtste nuance moet in het midden van elke streep komen), voorst 3 strepen met den tunischen haaksteek met op drie na de lichtste kleur. Laatstgenoemde strepen worden met een smallen rand met den kruissteek versierd, dien men met groene wol in een patroon volgens afb. No. 8 tot 11 op het Supplement behoorende bij No. 9 van dezen jaargang gegeven, borduurt. Alle strepen moeten zooals van zelf spreekt in de lengte en breedte met de ribben van het gevulde kussen nauwkeurig overeenkomen. Zijn de gehaakt strepen op het kussen genaaid, dan wqerkt men in de rondte om laatstgenoemd een rand, waarvoor men met de drie middelste nuancen bruin 3 toeren met den lussensteek haakt.