Djokovic houdt ondanks ongevaccineerde status hoop op US Open-deelname

seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from Canada
seen from United States
seen from Netherlands

seen from Spain

seen from United States

seen from Australia
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from Germany
seen from Malaysia
seen from United States
seen from Macao SAR China
seen from Netherlands
seen from United States
seen from China

seen from Malaysia
Djokovic houdt ondanks ongevaccineerde status hoop op US Open-deelname
Vredesakkoord Columbia op 26 september ondertekend
Vredesakkoord Columbia op 26 september ondertekend
Het vredesakkoord tussen de Colombiaanse regering en de guerrillabeweging Farc zal op 26 september ondertekend worden in Cartagena de Indias. Dat heeft de Colombiaanse president Juan Manuel Santos gemeld. (more…)
View On WordPress
Ondertekend (8), door Saskia Waterman
Dit is deel vijf van Saskia Watermans beeldverhaal ‘Ondertekend’. In #11 Dode Zee staat haar geïllustreerde verhaal ‘Brug’, en lezers van deze serie zullen enkele bekende personages tegen het lijf lopen.
Lees hier deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6 en deel 7 terug.
***
Het is drie uur ‘s nachts, ik zit op mijn bed en ik ben niet alleen.
Het was al donker toen ik thuiskwam. (Waarom de theesalon open moet blijven in december is mij een raadsel, maar ik stel geen vragen.) De voordeur was zwaar en mijn kamerdeur ging moeizaam van het slot. Vanuit het halletje zag ik al dat het raam open was gelaten. Ik proefde nog wat sigarettenlucht toen ik het hard dichtsloeg. Er lag as in de brandgoot.
Uit de televisie spoelde onrustig licht over de muren. Het geluid was uitgeschakeld en er rolde een aftiteling over het scherm. Ik stond stil en las de namen totdat ik mijn hart niet meer voelde bonzen. Onder mijn huid vloeide iets wat leek op blauwe plekken, iets wat misselijkmakend stroperig over m’n lijf trok, telkens weer. In de keuken vulde ik twee glazen wijn. Ik zette ze naast de schedeltjes op mijn bureau, om dezelfde reden dat ik mijn voornaam nooit bij de deurbel heb vermeld – niemand hoeft te weten dat hier een vrouw alleen zit.
Ik hoorde wel dat er achter de gordijnen op het glas werd getikt, maar ik stelde me voor dat het de kale takken waren, in de wind. Het tikken werd bonzen. En ik dacht dat het misschien – ik wilde – dat het Maud was.
Ik maakte geen oogcontact met de gedaante in het raam. Ik probeerde er doorheen te kijken en ik zag mijn eigen spiegelbeeld. Ik ben zelf eigenlijk ook maar een insluiper. Dus ik liet het binnen, ik liet het toe. Een voorhoofd bonkte nog ongeduldig tegen het kozijn toen ik de knip weer loshaalde. Een voet bleef haken achter de vensterbank. ‘Kun je niet gewoon door de muur komen?’ snauwde ik.
Het slaapt nu, ergens onder de dekens. Ik blijf wakker, houd mijn lege wijnglas in de hand. Het andere glas staat onaangeraakt op het bureau.
Twee schedeltjes. Schoon, leeg, klaar om een vitrine in te gaan. Het bewijs dat ik me dit niet heb ingebeeld. ‘Zou je ze houden?’ Ik sluit mijn ogen. ‘Nee, ik denk 't niet.’ ‘Waarom niet?’ ‘Omdat ik zo'n domme trut ben.’ ‘Daar gaan we weer. Altijd hetzelfde excuus. Kom op zeg.’ ‘Ik heb het verkeerd gedaan.’ ‘Je hebt het verkeerd gedaan. God, was het maar zo makkelijk.’ ‘Wat is het dan, Maud? Is hij dan zo'n klootzak?’ Het blijft stil. Ik zucht. ‘Dus? Wat ben ik dan?’ ‘Het is niet jouw schuld.’ ‘Het is niet mijn schuld. Ik ben gewoon de verkeerde.’ ‘Je bent niet de verkeerde, je bent alleen iemand anders.’ Ik open mijn ogen weer en zet het glas op de grond. ‘Je mag boos op me zijn. Je mag heel erg boos op me zijn.’ De televisie gaat uit.
’s Ochtends slaat de regen een harde, doffe ruis op het raam. Het tocht door de openstaande kamerdeur en de schedeltjes zijn verdwenen. Het bureau is opgeruimd. Ik kom overeind, wil de kussens opschudden – en zie dan een zwart bloemetje op de muur boven het bed. De klootzak.
Mijn mobieltje ligt in de vensterbank. Zijn nummer staat nog veel te hoog in de gesprekslijst. ‘Emma? Ik bel je over vijf minuten terug–’ ‘Nee. Niet nu.’ ‘Emma–.’ ‘Ik kon altijd bellen, zei je.’ ‘Ja. Nee. Maar–.’ ‘Maar wat?’ Maarten zucht. ‘Niks. Sorry. Gaat het?’ ‘De flat. Deze fucking flat.’ Het blijft stil.
‘Nou?’ Mijn stem klinkt raar. Ik schaam me nu al. Hij slaat een deur dicht. Stoelpoten schuren over een vloer. Ik leun tegen het glas. ‘Laat maar. Maar niet ophangen, okee? Vertel maar iets. Wat dan ook. Hoe het met je is.’ ‘... en dan verwacht je nu een spontaan gesprek?’ Ik vloek zachtjes. ‘Kom op nou,’ zegt hij. ‘Over een paar minuten is het weer over.’ ‘Kan ik je even zien?’ ‘Niet nu. Ga naar buiten. Loop een rondje. Komt allemaal goed.’
Wordt vervolgd…
Saskia Waterman (1982) schrijft korte verhalen, gedichten en graphic novels. Voor Saskia zijn schrijven en tekenen complementair. In Dode Zee staat haar verhaal ‘Brug’, dat ze ook zelf illustreerde. Met zo sober mogelijke beelden, wil ze uitdrukken wat zich niet in tekst laat vatten. Voor wie deze serie volgt, zal ‘Brug’ enkele bekende elementen bevatten…
Ondertekend (7), door Saskia Waterman
Dit is deel vijf van Saskia Watermans beeldverhaal ‘Ondertekend’. In #11 Dode Zee staat haar geïllustreerde verhaal ‘Brug’, en lezers van deze serie zullen enkele bekende personages tegen het lijf lopen.
Lees hier deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5 en deel 6 terug.
***
Het was inmiddels april toen ik Maarten betrapte. We hadden afgesproken dat we naar het museum zouden gaan – we moesten nou eenmaal iets te doen hebben. Op het plein voor de ingang wachtte ik nog een paar minuten. De lucht was egaal wit. ‘Hoi kleine ninja.’ Hij raakte me niet aan, maar was wel zo dicht op me afgeslopen dat ik hem in eerste instantie alleen maar kon ontwaren in losse, gezichtsloze fragmenten. De draden die uit de zoom van zijn spijkerbroek hingen. Een button op zijn jas: BOMB SQUAD. De vale halsopening van zijn t-shirt waar een paar haartjes bovenuit krulden. Ik vroeg hem of hij me al lang stond te begluren. ‘Wie zal het zeggen?’ Hij klikte een dop op een dikke viltstift en stopte die weg.
In de grote hal bestudeerde hij het bonnetje met ons garderobenummer zorgvuldig. Hij maakte er een paar vouwen in – ik herkende de aanzet tot een kraanvogel – maar hij bedacht zich en schoof het papiertje in zijn broekzak. De trap naar de eerste zaal strekte zich over de hele breedte van het vertrek uit. We liepen steeds verder uit elkaar omhoog, ieder afgeleid door wat aan de muren hing. Eenmaal bovenaan kwamen we aan weerszijden van de laatste trede uit. We zwaaiden naar elkaar en lachten.
Hij probeerde zo dicht mogelijk bij de schilderijen te komen, leek zichzelf te verliezen in de barstjes in het vernis, in het lichtpuntje dat in een pupil was gezet. Ik denk dat het hem ging om de vorm en kleur van penseelstreken, voordat ze zouden veranderen in een onderwerp.
Ik hield me op afstand, tussen landschappen en portretten, vrouwen en mannen en velden en luchten. De stillevens liep ik snel voorbij – tafels vol levenloze spullen werken op de één of andere manier altijd op m’n zenuwen. Maarten ging op in een wand vol schetsen en voorstudies, één en al zoekende potloodlijnen. Voorzichtig schuifelde ik op hem af, totdat ik ongemerkt een plooi in het rugpand van zijn shirt kon vastpakken. ‘Vind je het mooi?’ vroeg ik. Ik keek naar de grond, wreef de stof zachtjes heen en weer tussen mijn vingers. Hij antwoordde zonder zich om te draaien. ‘Het is zo jammer dat je het niet mag aanraken.’
Zodra hij een blik over zijn schouder wierp liet ik los.
Bij de uitgang van de laatste zaal moest ik even op hem wachten. Ik zag de viltstift nog door zijn handen gaan toen hij in de deuropening verscheen.
De vloer en de wanden van de snackbar aan de overkant van het plein waren identiek betegeld. Aan het systeemplafond hingen verkleurde reclameslingers. Onze knieën drukten tegen de onderkant van het tafelblad. Maarten nam een te grote slok cola uit zijn blikje en keek gepijnigd terwijl ik het zout onhandig van m'n vingers likte.
Ik deed alsof ik te weinig ruimte had en schoof een knie tegen die van hem aan. Iets wat Maud zou doen. Maarten trok zijn been weg. Hij liep even rood aan, maar haalde tegelijk zijn schouders op. Ik vroeg of hij het garderobenummer nog had. Terwijl hij onze frietbakjes en servetjes in elkaar drukte, voltooide ik tot zijn verbazing de kraanvogel. Hij wilde het vouwwerkje van tafel pakken, maar ik duwde zijn arm zachtjes opzij. ‘Deze mag iemand anders vinden,’ zei ik.
We zeiden elkaar gedag op de stoep voor de snackbar, met onze handen in de jaszakken. Maarten wiegde even heen en weer op zijn tenen en zijn hakken en draaide zich toen van me weg. Ik wachtte tot hij bijna de hoek om was voordat ik hem begon te volgen. Natuurlijk trof ik hem niet aan op mijn eigen bushalte bij de flats. Dit was nog ergens in het centrum. Maar het was wel hetzelfde type wachthokje waarin hij met een dikke zwarte stift op de achterwand stond te tekenen.
Je kunt zoveel dingen bewaren achter glas. Zo bescherm je iets, leg je het vast om rustig te bestuderen, kan niemand het meer aanraken. Maar onder glas maak je iets ook kwetsbaar, stel je het bloot aan voortdurende observatie. En glas vraagt erom gebroken te worden. In gedachten heb ik dat al honderd keer gedaan, hield ik mijn adem in voor de klap.
Zonder mij te zien gaf Maarten me een hol gevoel in mijn borstkas. Spierpijn in m’n kaken. Deze keer greep ik hem bij de schouders en draaide hem om. Sloot mijn ogen, boog naar voren. Hij schrok, maar zijn mond ontspande zich snel. Ik maakte mezelf los om adem te halen. Mijn vingers gleden in zijn jaszak en haalden de stift tevoorschijn. De metalen houder was nog warm. Ik voelde een paar deukjes en krassen in het oppervlak zitten. Maarten liet het toe dat ik twee zwarte bloemetjes op de rug van zijn hand tekende. De inkt trok in zijn huid. ‘Misschien heb je een muze nodig,’ zei ik en ik voelde me meteen ongemakkelijk. Hij lachte en schudde zijn hoofd. Samen liepen we het bushokje uit. Zijn hand zocht bij iedere stap de mijne, maar hij pakte me niet vast.
Wordt vervolgd...
Saskia Waterman (1982) schrijft korte verhalen, gedichten en graphic novels. Voor Saskia zijn schrijven en tekenen complementair. In Dode Zee staat haar verhaal ‘Brug’, dat ze ook zelf illustreerde. Met zo sober mogelijke beelden, wil ze uitdrukken wat zich niet in tekst laat vatten. Voor wie deze serie volgt, zal ‘Brug’ enkele bekende elementen bevatten…
Ondertekend (6), door Saskia Waterman
Dit is deel vijf van Saskia Watermans beeldverhaal 'Ondertekend'. In #11 Dode Zee staat haar geïllustreerde verhaal 'Brug', en lezers van deze serie zullen enkele bekende personages tegen het lijf lopen.
Lees hier deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5 terug.
***
In het donker schuifel ik langs de afzetting bij de bushalte. Machines hebben zich de afgelopen dagen door de straat heen gevreten en zijn weer afgevoerd. Het opengescheurde wegdek is bezaaid met modder. Doorgesneden kabels en leidingen steken uit de aarde. Op de glazen achterwand van het bushokje staan nog steeds twee zwarte bloemetjes. Ik ga zitten op het bankje en wacht. Rond de hoge straatlantaarns hangt een lichte nevel.
Het gebroken schedeltje ligt nu een week op mijn bureau en ik heb het niet aangeraakt. Het pincet heb ik niet teruggelegd en zelfs de bureaulamp heb ik niet versteld. Ik maak nu bijna iedere avond deze wandeling rond de flat. Als een koolmeesje dat vergeefs oefent op de zwaluwtrek.
Ik leg mijn hoofd een paar keer tegen de glaswand. Natuurlijk heeft dit geen zin. Sla jezelf er doorheen. Je graaft hier niets meer op dan betekenisloze fragmenten. Scherven, splinters, onderhuidse bloedingen, losse zinnen. Maud die vraagt hoe het met me gaat, ook al heeft ze me allang doorzien. Maud die rolt met haar ogen. Die zegt dat ik beter voor mezelf moet zorgen. Grappig en slim zijn is niet genoeg. Al die keren dat ze me een compliment en een duw gaf. Aan de keukentafel, voor de spiegel, op feestjes: Hee, je hoeft ook weer niet zo’n hekel aan jezelf te hebben, muts. Heb maar een hekel aan mij en dan zorg ik wel voor de hekel aan jou. Deal?
Maud die een arm om me heen slaat. Jouw probleem is dat je denkt dat hij er nog steeds is. Hoor wie het zegt, roep ik bijna hardop. Bijna.
Naast de knop op het laatste voetgangerslicht zijn twee ronde stickers geplakt. Ik herken ze al van een afstandje, ik hoef ze niet meer van dichtbij te zien. Waren die zwarte bloemen maar gewoon reclame voor een obscure band, een drankje, een kledingmerk. Dan had ik iets kunnen kopen en dan was het klaar geweest.
Eenmaal weer binnen laat ik het donker. Ik schop mijn schoenen uit en laat mijn jas op de vloer liggen. Door de openstaande gordijnen glinsteren tientallen lichtjes van televisieschermen in andere kamers. Ik werp een blik in de brandgoot. De zwaluw is weg. Tussen de beschimmelde broodkruimels is een leeg plekje achtergelaten. Ik zet me af op de vensterbank om beter onder het raam te kunnen kijken. Onder mijn handpalm voel ik weer een kleine bolling. Deze keer haal ik mijn gewicht er tijdig af. Voor het raam ligt een nieuw vogelschedeltje. Alles erop en eraan en nog een beetje klam.
Ik verplaats het schedeltje naar het bureau. Hij staart me aan vanaf het werkblad, naast de resten van afgelopen week. Langzaam laat ik mezelf op het bed zakken, probeer geen geluid te maken. Door de kleine lege oogkassen tegenover me spelen flauwe schaduwen. Lichtvervuiling. Ik bestudeer de twee verschillende snaveltjes, maar ik durf niet te zeggen of er een zwaluw tussen zit. Zoiets hoefde ik ook nooit te weten.
Zodra ik me languit op de matras uitstrek en mijn ogen sluit, voelt het alsof ik twee keer zo zwaar word. Er ligt iets naast me in dit bed en ik weet niet wat het is. Het is warm. Het prikt en het kriebelt. Het zet uit en zakt weer in, alsof het ademt. Het wil niet tot rust komen, het houdt me vast, alsof ik elk moment zou kunnen verdwijnen. Het is geen liefde meer. In geen enkele zin. Het woelt heen en weer, als de cijfers op mijn wekker. Tegen de ochtend verlaat het pas de kamer.
Ik beweeg me voordat ik m’n ogen open en voel dat ik m’n werkkleren nog aanheb. De pantalon en de pantykousjes zullen striemen op mijn buik en kuiten hebben achtergelaten. Mijn ene arm heeft zich uit de mouw van mijn vestje gewrongen. Ik denk aan de zwarte takken onder mijn raam. Straks in mei zullen die bomen haast weer bezwijken onder bloesem. Ik stel me voor dat ik dan in de brandgoot durf te zitten, met één been over de rand geslingerd. Gekleed in die fleurige zomerjurk, mijn blote voet bungelend tussen de bloemblaadjes.
Wordt vervolgd…
Saskia Waterman (1982) schrijft korte verhalen, gedichten en graphic novels. Voor Saskia zijn schrijven en tekenen complementair. In Dode Zee staat haar verhaal ‘Brug’, dat ze ook zelf illustreerde. Met zo sober mogelijke beelden, wil ze uitdrukken wat zich niet in tekst laat vatten. Voor wie deze serie volgt, zal ‘Brug’ enkele bekende elementen bevatten…
Ondertekend (5), door Saskia Waterman
Dit is deel vijf van Saskia Watermans beeldverhaal 'Ondertekend'. In #11 Dode Zee staat haar geïllustreerde verhaal 'Brug', en lezers van deze serie zullen enkele bekende personages tegen het lijf lopen.
Lees hier deel 1, deel 2, deel 3 en deel 4 terug.
***
‘Buona sera. Wat zal het zijn?’ vroeg de ober die bij onze binnenkomst nog bezig was met een kruiswoordpuzzel in een Turkse krant.
‘De shoarma,’ antwoordde Maarten droogjes. Ik bestelde een pizza. ‘Kom op. Hij doet al die moeite om Italiaans te lijken.’ ‘Dus? Moet ik meedoen?’ ‘Nou. Ik heb trek in pizza. Lekker, goedkoop, ranzig.’ ‘Tuurlijk.’ Ik stak mijn tong uit. Ik dronk rode wijn, Maarten cola. Hij droeg zijn haar los die avond, het was pluizig van de wind. We keken om de beurt naar het plastic fruit aan het plafond, naar de kwastharen in de muurverf, de barst in de plavuizen.
Na een minuut of tien gaven we het op en begonnen we schoorvoetend elkaar te vragen wat we verder eigenlijk deden, zoal. Ik zei dat ik daar liever niet over nadacht. Maarten trok een vies gezicht boven zijn cola. ‘Aanstellerij.’ Ik vroeg me af wat Maud zou zeggen. In haar eerste mailtjes aan hem had ik dat nog makkelijk kunnen invullen. Ik wou dat ik net zo licht kon praten als zij, vrijblijvend en tegelijk onverstoorbaar. Voor haar was het net zo goed een rol geweest. Het was een manier van lachen, een manier van bewegen die ik inmiddels kon dromen.
‘Denk jij dat er leven is na de dood?’ Maarten nam een grote hap uit zijn broodje shoarma en keek opzij. ‘Na de dood,’ herhaalde ik, ‘Leven?’ ‘Hoezo?’ ‘Gewoon.’ ‘Daar denk je aan als je pizza eet?’ ‘Waarom ook niet?’ ‘Waarom ook niet, nee.’ Hij legde het broodje op zijn bord, vouwde zijn handen tegen elkaar. ‘Ik denk niet dat er iets is. Tenminste, ik hóóp dat er niets is.’
Ik leunde weer naar hem toe, over de doffe glazen, het plakkerige bestek. Over de kringen die de vorige gasten op het tafelblad hadden achtergelaten. ‘Ik heb mijn opa gezien toen hij was opgebaard,’ vertelde hij. ‘Mijn tante zei dat het nodig was, dat je dan pas echt beseft dat iemand dood is. Maar hij voelde alleen maar heel koud aan. Voor de rest was het gewoon alsof hij sliep. Onder de kist stond een soort koelapparaat dat om de paar minuten aansloeg, als een vriezer. Ik schrok me de pleuris. Elke keer. Het was alsof hij elk moment wakker kon worden, en ik zat daar maar te hopen dat hij dat niet zou doen. Het was alsof we 'm levend gingen begraven.’
Dat is wat ik nu doe. Iemand levend begraven.
Het duurde lang voordat we de rekening kregen. Maarten raakte geïrriteerd en de irritatie bleef hangen tussen zijn schouders. Ik stopte mijn jaszakken vol met pepermuntjes. Buiten trok ik mijn sjaal op tot over mijn neus. ‘Ninja.’ Maarten lachte, rechtte zijn rug weer. ‘Je kunt me niet zien.’ Ik sloot mijn ogen. ‘Ik ben onzichtbaar.’ ‘Keep the day job.’ ‘Vind je?’ Ik opende mijn ogen weer. ‘Jij bent te lief om een ninja te zijn.’ Hij kon niet zien dat ik bloosde onder mijn sjaal. Ik maakte een klein werpgebaar naar hem: ‘Onzichtbare shuriken.’ Maarten dook opzij. ‘Mis.’ Ik deed mijn wanten aan. Haar wanten eigenlijk, ik had ze gevonden in de vensterbank naast de voordeur. Verstandig. In het voorjaar kon het inderdaad toch koud zijn. ‘We gaan nog wel iets leuks doen, hè?' vroeg ik. Maarten wreef even over mijn bovenarm en zei me gedag.
Eén voor één losten de pepermuntjes op in mijn mond. De motregen kleefde tussen mijn wimpers en mijn wangen gloeiden.
Wordt vervolgd…
Saskia Waterman (1982) schrijft korte verhalen, gedichten en graphic novels. Voor Saskia zijn schrijven en tekenen complementair. In Dode Zee staat haar verhaal ‘Brug’, dat ze ook zelf illustreerde. Met zo sober mogelijke beelden, wil ze uitdrukken wat zich niet in tekst laat vatten. Voor wie deze serie volgt, zal ‘Brug’ enkele bekende elementen bevatten…
Ondertekend (4), door Saskia Waterman
Dit is deel vier van Saskia Watermans beeldverhaal 'Ondertekend'. In #11 Dode Zee staat haar geïllustreerde verhaal 'Brug', en lezers van deze serie zullen enkele bekende personages tegen het lijf lopen.
Lees hier deel 1, deel 2 en deel 3 terug.
***
Het is november en ik kom gewoon terug uit mijn werk, zoals ik al deze maanden ben blijven doen. Ik stap nu uit bij de laatste halte die op de route in gebruik is en wandel verder naar de flats. Wanneer ik langs een plantsoen met afgekloven speeltoestellen loop, controleer ik in het voorbijgaan of de aarde hier in de hoeken misschien is omgewoeld.
Mijn woonwijk is niet lang na een oorlog gebouwd. Dit is waar mensen televisie kijken terwijl ze wachten op het avondeten. Ter hoogte van de opgeheven bushalte is in de loop van de dag het asfalt al uit de weg gebikt. Een paar kinderen rennen gillend rondjes rond een geparkeerde graafmachine. Er staat iemand bij de halte te wachten. Een magere schaduw die me doet denken aan Maud en ik kijk snel een andere kant uit. Haar ouders zouden mij bellen, hadden ze beloofd. Zodra. In het geval dat. Als er zich.
Ik besluit om vandaag boodschappen te doen in de dure supermarkt. Ik pak meer uit de schappen dan dat ik nodig heb, meer dan ik nu door mijn keel kan krijgen. Ik druk het puntje van m’n neus heel zachtjes tegen de glazen deur van een vriezer. Alsof ik niet kan kiezen tussen erwtjes of sperzieboontjes.
Ik kom op adem. Herinner me dat Maarten die eerste ochtend een glas melk dronk en probeer dat nog beter te onthouden. We wandelden graag door de stad na sluitingstijd. Onze weerkaatsing in de donkere etalages deed me vaak nog even omkijken. Daarom struikelde ik zo vaak, en hij vond het lief. Ik heb me altijd iets te graag laten vertellen dat ik mooi was.
Ik reken af. Naast de supermarkt worden restpartijen kleding verkocht. Tussen de regenplassen staat een paspop zonder hoofd. Ze draagt een gebloemde zomerjurk. Ik heb geen jurk nodig. Ik heb geen jurk nodig om te dragen in het bijzijn van anderen. Ik heb een jurk nodig om mezelf van binnen te kleden, los van mijn lijf. Het bloemmotief speelt door mijn handen. Dit kan ik me niet veroorloven. Het voelt zo goed.
Bij de halte staat nog steeds iemand te wachten, ook al is de straat afgezet met plastic linten. Alsof het een plaats delict is. Ik kijk weer weg en loop er zo snel mogelijk langs. Als Maud me zou zien, zou ze zeggen dat het wel lijkt alsof ik moet overgeven. Ze zou mijn tassen overpakken om te kijken wat erin zit. Vragen wat ik met een jurk moet. Leuke jurk. Met me meelopen en tegen niemand in het bijzonder roepen dat we allang uit die rotflat weg zouden moeten zijn. Ik zou haar het donorkaartje teruggeven. Zou ze dan nog beginnen over het briefje met Maartens mailadres? Gekkie, zou ze misschien zeggen. Dat zou jij niet doen. Dat zou jij nooit durven. Ik glimlach nog terwijl ik de deur van mijn kamer open. De brandwerende deuren in de gang die alle licht en lucht tegenhouden. De fietsenkelder. De vloerbedekking en de gordijnen die je van de vorige huurder kon overnemen. Het leek allemaal zo veilig en verstandig toen we hierheen kwamen, niemand kenden, ons inschreven en elkaar als huisgenoot kregen toegewezen. Onze studies hadden we allebei gekozen uit kleurige folders.
Ik zet de tassen naast mijn bureau. Op het werkblad ligt een gebroken vogelschedeltje, in een cirkel van gesorteerde botsplinters. Alles is klaargezet voor een reparatie. Mijn pincet is van het wastafelplankje gepakt. Het flesje houtlijm is uit de la gehaald. Zelfs de arm van de bureaulamp is een stuk naar beneden getrokken. Of had ik die gisteravond al zo staan? Ik loop naar de vensterbank – inderdaad, leeg.
Buiten schuiven koplampen en remlichten stilletjes door de verte. De nacht boven de stad is donkerbruin. Natte boomtakken maken stuiptrekkende bewegingen. In de brandgoot ligt een zwaluw. Tussen de broodkruimels van vanochtend heeft hij zichzelf opgerold tot een bijna volmaakt bolletje. Ik open het raam, klim op de vensterbank en schuif mijn benen één voor één naar buiten. Laat mezelf naast het vogeltje op de betonnen vloerplaat zakken. Het beweegt niet. Het waait en de leuning waar ik me aan vastklamp is laag, dus ik blijf gehurkt zitten. Aan het eind van de brandgoot zie ik nog net een smal trappetje om de hoek van het gebouw verdwijnen. Hoe lang zal het duren voordat zo’n zwaluw volledig is vergaan, in de kou, op de zevende verdieping? Ik laat hem liggen. Eenmaal binnen sluit ik de gordijnen. Mijn telefoon licht op. U heeft één nieuwe voicemail. Nieuw bericht. Vandaag. Om. Zeventien uur. Achtendertig. Een paar tellen stilte, die ik direct uit mijn geheugen wis. In de keuken slaat de vriezer aan. In de muren rammelt iets. Water, verwarming, vage gesprekken. Paarse muren – ik heb nooit de moeite genomen om ze over te schilderen.
Ik houd de gebloemde jurk omhoog voor mijn lijf, bekijk mezelf in de spiegel op de gang. De boodschappen staan in de koelkast, ik heb geen honger. Ik denk dat ik liever nog even naar buiten ga. Gewoon. Gewone dingen maken me bang. De normale gang van zaken, het dagelijks leven. Dat is waar ik uiteindelijk dood aan zal gaan, net als iedereen.
Wordt vervolgd…
Saskia Waterman (1982) schrijft korte verhalen, gedichten en graphic novels. Voor Saskia zijn schrijven en tekenen complementair. In Dode Zee staat haar verhaal ‘Brug’, dat ze ook zelf illustreerde. Met zo sober mogelijke beelden, wil ze uitdrukken wat zich niet in tekst laat vatten. Voor wie deze serie volgt, zal ‘Brug’ enkele bekende elementen bevatten…
Ondertekend (3), door Saskia Waterman
Dit is deel 3 van Saskia Watermans geïllustreerde verhaal 'Ondertekend'. Lees hier deel 2 en deel 1 terug.
***
Ben ik op die dag in maart misschien ook te voet naar de theesalon gegaan? Zou goed kunnen. Ik weet het niet meer precies. Soms, als ik om de één of andere reden zenuwachtig ben, ga ik liever niet met de bus naar mijn werk. Ik had die dag en dat tijdstip gekozen omdat ik de ochtendshift in m’n eentje zou draaien. Het was al een halve week slecht weer, dus ik gokte erop dat er ook die morgen nauwelijks gasten zouden zijn. Geen kinderwagenclubjes in ieder geval.
Eenmaal in het park durfde ik niet meer recht voor me uit te kijken. Ik opende de zaak, deed de overgebleven afwas van gisteren drie keer en wachtte af. Zodra ik hem buiten zag verschijnen, draaide ik mijn rug naar de voorpui toe. Hij liep niet meteen vanaf het modderige grasveld naar binnen. De terrasplanken bleven een paar minuten lang kraken. Van de ene hoek naar de andere, en weer terug. De sigarettenlucht proefde ik zodra de deur werd geopend. Het deed me stiekem grijnzen. Hij wist zich net zo min een houding te geven als ik. Tekende denkbeeldige figuurtjes op het tafelblad met de onderkant van z’n aansteker. Hij keek niet op van de menukaart toen hij een glas melk bestelde. Toen ik het kwam brengen, bleef hij door de pui naar buiten staren. Het was gaan regenen en het geratel op het dak maakte me weer een beetje rustig. Ik hield mezelf bezig door de theedoeken opnieuw te vouwen en hoorde hem dus niet met het lege glas terugkomen naar de toonbank. Hij vroeg iets te luid naar de appeltaart, ik schrok, hij viel stil en ik keek hem net iets te lang aan. ‘Wacht even,’ zei hij. ‘Jij was met haar mee. Jij hielp haar weer omhoog toen ze viel.’ Hij wreef wat over zijn neus. Ik schoot in de lach, schudde m’n hoofd. ‘Ik denk niet dat ze nog komt.’ Hij keek maar weer naar de appeltaart. ‘Maud zoent niet graag met rokers,’ liet ik me ontvallen. Hij boog langzaam naar voren en liet zijn voorhoofd zachtjes op de toonbank botsen. Ik zette een schoteltje met een punt appeltaart naast zijn gezicht neer. ‘Joh. Je bent niet de eerste.’
Voor mezelf had ik een warme chocomel gemaakt. Ik vouwde mijn vingers rond de mok en stelde me voor dat de warmte van zijn handen kwam. Hij had zijn nagels idioot kort geknipt. Zijn halflange haar droeg hij die ochtend in een laag staartje. In zijn gezicht telde ik drie sneetjes van het scheren. Misschien had ik iets onverstandigs gedaan, bedacht ik toen al.
We hadden niks om over te praten, totdat er een koolmeesje op het terras landde en over de planken heen en weer bleef trippelen. ‘Ha, ze zijn weer in het land,’ zei ik. ‘Dit zijn m’n favoriete vogeltjes.’ Hij lachte. ‘Koolmezen zijn geen trekvogels.’ Zijn mond bleef lachen, maar hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Dus je werkt in het park en je hebt een lievelingsvogeltje, maar je doet geen moeite om je te verdiepen-’ Ik stak mijn tong uit. Het koolmeesje fladderde op en kwam terecht op een terrastafel die pal naast de onze stond, aan de andere kant van de glazen pui. Op mijn ellebogen leunde ik een klein beetje naar voren. ‘Maud zei dat je vogelschedeltjes verzamelt.’ Hij grijnsde. ‘Ik doe ook minder ranzige dingen. Zeg dat maar tegen d‘r.’ En hij stelde zich voor. Maarten.
Het bleef miezeren en hij begon te vertellen dat de schedel van een koolmeesje wel erg bewerkelijk was, maar niet onmogelijk om te prepareren. Hier in de theesalon kon je bijna alles vinden wat je nodig had. Messen natuurlijk, en de spoelkeuken kwam ook goed van pas. Je kon het vogelkopje in een thee-ei stoppen en dat met heet water in zo’n jampotje (uit dat rek met streekproducten) een week lang op die warmhoudplaat zetten. Dan zouden de laatste vleesresten verteren en in het vocht oplossen. ‘Help me herinneren dat ik jou nooit achter de toonbank laat komen,’ zei ik. ‘Hoeft ook niet. Ik zou het anders aanpakken.’ Als kind had hij eens een dode vogel in de achtertuin begraven en een jaar later weer boven de grond gehaald. Zo was het begonnen. Nu zat hij op kamers en gebruikte hij een paar plekjes in de stad waar niemand acht op sloeg. ‘Een soort wildtuinieren.’ Daar grinnikten we allebei om. ‘Je zou er een mooi hangertje van kunnen maken,’ zei hij ten slotte.
Hij vroeg me of het nog zin had om Maud weer te mailen. ‘Je kunt mij ook een mailtje sturen,’ antwoordde ik.
Ik weet niet of ik iets verkeerd heb gedaan. Had hij maar gezegd dat ik iets verkeerd deed. Of dat hij niets wilde beginnen met meisjes die korter haar hadden dan hij zelf.
Wordt vervolgd... Saskia Waterman (1982) schrijft korte verhalen, gedichten en graphic novels. Voor Saskia zijn schrijven en tekenen complementair. In Dode Zee staat haar verhaal ‘Brug’, dat ze ook zelf illustreerde. Met zo sober mogelijke beelden, wil ze uitdrukken wat zich niet in tekst laat vatten. Voor wie deze serie volgt, zal ‘Brug’ enkele bekende elementen bevatten…