XXIV
O die lust toch, altijd nieuw, uit losgemaakte grond!
Niemand bijna heeft de vroegste wagers geholpen.
Toch onstonden er steden aan zalige golven,
water en olie vulden de kruiken evenzogoed.
Goden, wij plannen ze pas in gewaagde ontwerpen,
die ons norse lot telkens weer verstoort.
Echter wij zijn de onsterfelijken. Zie, wij mogen
diegene ervaren die ons ten slotte verhoort.
Wij, een geslacht van duizenden jaren: moeders en vaders,
altijd sterker vervuld van het komende kind,
opdat het ons nooit, overstijgend, diep aangrijpe, later.
Wij, wij oneindig gewaagden, wat hebben wij tijd!
En slechts de zwijgzame dood, die weet wat zij zijn
en wat hij altijd wint als hij ons leent, met respijt.