De dokter zei dat het erger had gekund. Het was geen breuk, zelfs geen barst. ‘Een minuscuul scheurtje’, wees hij op de verlichte radiografie. ‘Ge hebt sterke botten meneer.’ In verhouding mocht de pijn er wel zijn, zei ik. De arts schreef meteen een lading pijnstillers voor. Ik hoefde me geen zorgen te maken, suste hij. ‘Ge zult er geen scheve arm aan overhouden, alleen zes weken gips.’
Hij begreep niet waarom ik dat zo erg vond. Ik vroeg hem om mijn hand zoveel mogelijk buiten het verband te laten, maar daar had hij geen oren naar. ‘Immobiliseren,’ zei hij tegen zijn verplegend assistent, die vroeg om het hemd dat ik droeg uit te trekken. Meteen begon de dokter van boven naar beneden een windel rond de zere elleboog af te wikkelen. De assistent haalde de gipslappen uit de waterbak en overhandigde ze aan de arts, die het druipende verband rond de arm boetseerde.
Het voelde warm aan, warm en geruststellend in al zijn onvermijdelijkheid. Nu had ik een excuus. Ik kon niet schrijven. Een hogere macht had mij de weg versperd. Zes weken. ‘Wacht hier tot het droog is,’ droeg de verpleger me op. Ik probeerde mijn trui opnieuw aan te trekken, eerst de witte arm, dan hoofd door het gat en daarna de andere mouw. Doe alsof er niets aan de hand is, alsof dit de uitrusting is waarmee je elke dag moet omgaan. Ik sprak in mezelf en vatte moed, de grote, vluchtige moed die je overvalt onderaan de rots die je nu, zo dadelijk zult beklimmen.
‘Je mag gaan,’ riep de verpleger, wanneer hij voorbij kwam. Ik liep door de gangen van het ziekenhuis. Opgelucht en aangevuurd door montere overpeinzingen. Een gipsarm beperkt je mogelijkheden niet, hij herinnert er alleen aan dat je zonder verband even beperkt bent. In je ijdele zelf denk je dat je met twee gezonde armen en benen een trapje hoger staat, maar dat dient hoogstens om er weer af te vallen.
Op straat merkte ik dat ik begon te slenteren. Misschien moest ik het onderzoek maar opgeven. Zoveel verloren tijd kwam ik nooit meer te boven. Voor een etalageraam bleef ik hangen. Een ongeval thuis of een straatgevecht. In geen enkel geval hoefde ik op medelijden te rekenen. Ik voelde me ingepakt. Met twee truien en drie sjaals op weg naar school, terwijl buiten de zon schijnt, of de plastictassen rond mijn nek hangen, met daarin de kartons waar ik straks een bed uit vouw.
Aan de trambestuurder vroeg ik of dit de lijn was die naar de Halfrondeplaats. Hij antwoordde niet, maar hield het bij een uitdrukkelijk gearticuleerd ‘Goeiemorgen.’ Met een voet op de treeplank, herhaalde ik mijn vraag, luider deze keer. Hij had me wellicht niet goed gehoord. ‘Goeie-morgen,’ hield hij vol, nu met nog meer nadruk op de eerste lettergreep. Ik gaf me gewonnen en beantwoordde, slapjes en met tegenzin, zijn totalitaire vriendelijkheid. Keurig stempelde ik mijn kaart en zette ik me op een bankje.
Toen ik in weer mijn kamer kwam, botste ik op drie grote kartonnen dozen die op elkaar waren gestapeld. Mevrouw Peeters was langs geweest. Er lag een briefje op de bovenste doos, waarin ze het betreurde dat ik niet antwoordde op haar telefoontjes. Ik had ook nog huur te betalen, schreef ze. Een van de dagen zou ze nog wel eens aanbellen. Om te kijken hoe het met me ging. Groetjes, Katrien.
Ik nam een zakmes uit de bureaula en sneed de plakband rond de doos los, zodat het voorwerp er niet langs de bovenkant hoefde uit te halen. Het was een glazen kastje, met daarin drie cirkels, een grote in het midden en twee kleinere daarnaast. Nog een radio, was het eerste dat me te binnen schoot. Maar daarvoor zag het er te fragiel uit. Ze had een beknopte beschrijving meegegeven op een papiertje dat aan de achterkant zat geplakt. ‘Dit is een barometer uit 1949, getekend door Walter Dorwin Teague. De naam zegt je waarschijnlijk niets, maar het is de man die Kodak heeft groot gemaakt door als eerste plastic cameraatjes te ontwerpen. Hij heeft het industriële design op zijn eentje uitgevonden.’
Toen ik alles had uitgepakt overviel me een loomheid die ik al lang niet meer had gevoeld. Uit schrik dat het de ziekte was, ben op mijn bed gaan liggen en daar ben ik twee dagen blijven liggen, kijkend naar het waaierende rokje van de rozet. Sinds vandaag gaat het weer beter. Ik ben opgestaan. Koffie gezet. Gaan zitten. Een goed begin dacht ik. Soms doe ik iets, of probeer ik iets te doen, pogingen die niet altijd het vermelden waard zijn. Eten lukt. Schrijven moeilijker.
Vanmorgen heb ik zelfs opgeruimd. Al wordt dat steeds lastiger nu mijn kamer er stilaan als een designdepot begint uit te zien. Overal, op en naast het bureau, op de tafel waar ik eet, liggen papieren die me aanstaren met de vraag of het er nog van komt. Als ik eerlijk ben met mezelf, moet ik toegeven dat ik mijn verblijf niet veel langer kan rekken. Als ik niet eerlijk ben, en dat gebeurt wel vaker, geloof ik dat het nog altijd kan. Maar dan moet de burgemeester wel thuis geven.
Ik wil eindelijk vinden wat ik zoek. Op het maniakale af probeer ik een onderwerp te omsingelen dat me steeds lijkt te ontglippen. Dat drijft me langzaam tot wanhoop. Als ik zo maniakaal zoek is dat dan omdat ik het antwoord wil weten, of omdat ik niet weet wat ik zoek? Ik kan de vraag wel stellen, ze uitspreken, hardop formuleren, maar hoe weet ik dat het zoeken ook voorbij zal zijn wanneer ik het antwoord heb gehoord? De angst voor het oneindige zoeken wordt groter dan de wil om het antwoord te kennen, want het zal onvolledig zijn, ik weet het, ik zal voor altijd onvolledige antwoorden moeten horen op vragen die ik niet heb gesteld.
En toch weiger ik om op te geven. Er zit vandaag voor het eerst sinds lang een scheurtje blauw in het wolkendek. De paar zonnestralen die erdoor glippen, jagen een wellustige rilling over de rug van het geschubde monster. Ik knijp de ogen toe en probeer mezelf te wiegen in de windstilte van de middag. Had ik de koppigheid van Mohammed kunnen recycleren, die de hele weg naar boven is blijven zwijgen, mijn boek lag al lang in de winkel. Ik geef toe dat vastberadenheid nooit mijn sterkste punt is geweest. Maar liever een slappe ruggengraat, dan te blijven hangen in een botte boerenverontwaardiging.
Ik heb een hekel aan mensen die zich in een slachtofferrol wentelen. Dat hondse verwijt in hun blik. Ik kan er niet tegen. Die hangende mondhoeken en die neusvleugels die opwippen van het snel in-en uitademen. Alleen al de aanblik ontneemt mij de lust om een gesprek te beginnen. Het is de morele pendant van een nijptang. Elk onderwerp dat ze als hun bezit beschouwen, sterft voor je het hebt aangeraakt. Elke redenering die je hen aanbiedt, zakt ineen als een aftands hondenhok. En het enige wat ze daarna nog te zeggen hebben, is niets. Ik heb jaren gewerkt aan een pantser dat me tegen dit soort mensen beschermt. Het heet eerlijkheid en een open vizier. Is er iets, zeg het dan. Is er niets, ook goed, maar zeur dan niet. Die retoriek van de grimmig opeen geklemde lippen laat me koud. Wie tegen mij begint te zwijgen weet niet waar hij aan begint.
Toen we uit de kelder kwamen, zijn we elk onze eigen weg uitgegaan. Zonder omkijken of andere emotionele poespas. Ik geloof wel dat ik hem nog heb bedankt, maar daarna heb ik hem in zijn verongelijkte zelf gelaten. Zodra dat hem begint te vervelen, duikt hij vanzelf wel weer op. Ik heb me naar huis gehaast, om te kijken wat er in die map zat. Op het eerste gezicht zag het er veelbelovend uit; een paar brieven daterend van net na de onafhankelijkheid en een bureauonderlegger waar hij in balpen op had zitten krabbelen. Lang heb ik niet kunnen werken. Mijn arm begon weer op te spelen. Ik ben maar weer op bed gaan liggen.