De sleedoorn is een plant uit de rozenfamilie (Rosaceae). De soort komt van nature voor in de Benelux, waar de plant met name langs bosranden voorkomt. De plant is een heester die 2-6 m hoog wordt.
De bloei is van maart tot april en de bestuiving vindt plaats door insecten, met name door de honingbij. Er zijn vruchten vanaf augustus, ze zijn pas lekker nadat de vorst eroverheen geweest is. De vruchten worden verwerkt tot jam, vruchtenmoes, vruchtensap, likeur (sloe gin of patxaran), vruchtenwijn en brandewijn. Het hout is zeer hard.
De plant vermeerdert zich door zaden en door wortelopslag. De sleedoorn is door zijn doorns redelijk beschermd tegen de vraat van grote grazers. Wanneer hij eenmaal aangeslagen is, neemt hij meer en meer ruimte in. Dit biedt dan tevens de gelegenheid aan bomen als de eik om tot wasdom te komen.
De naam van de heester bevat een oud woord voor pruim, slee, dat onder meer verwant is met het woord voor pruim in de Slavische talen, een woord dat terug te vinden is in de naam van de drank slivovitsj.