Het is maandagochtend, ik word wakker door vogelgeluidjes buiten en een straal zonlicht in de slaapkamer. Mijn to-do-lijstje voor vandaag is vol, dat geeft een onrustig gevoel. ‘Waar heb ik nu echt zin in?’, die vraag stel ik mezelf. Het antwoord is er gelijk: Rustig de dag beginnen.
Uit ervaring weet ik dat je soms in 1 uur alles af krijgt waar je met een onrustig gevoel meerdere uren over kan doen. Bovendien vind ik het leven te kort om geleefd te worden door een to-do-lijst.
Daarom zet ik een kopje thee, lees ik een stukje uit een boek en doe ik een meditatie oefening. Daarna ga ik douchen en trek ik mijn schoenen aan: ik wil buiten zijn.
Het afgelopen weekend heb ik met mijn vriend gewandeld en een heel groot stuk natuur gezien langs het water vol fluitenkruid (die witte bloemen), graag haal ik er eentje op voor in ons huis. Met wortel en al heb ik geleerd dat die lang doorleven in een vaas.
Op weg naar diezelfde plek kom ik langs het verpleeghuis. Ik loop mijn favoriete route langs de ramen en zwaai naar de ouderen in hun kamers. De afgelopen maanden heb ik regelmatig ‘zwaai-contact’ met een man die altijd op dezelfde plek in zijn kamer zit, op dezelfde stoel, kijkend naar dezelfde muur met de tv die bijna altijd uit staat.
Er doemt een nieuw idee bij me op. Ik kom aan bij de plek en pluk twee soorten bloemen met wortel en al. En voor ik verder de natuur in ga, ik draai me om en loop ik terug naar het verpleeghuis. Binnen zie ik een restaurant waar twee medewerkers staan die me begroeten.
“Goedemorgen, ik heb een vraag. Ik loop hier altijd langs en ik dacht: ik breng die meneer daarachter deze bloemen.”
De vrouw kijkt me even verbijsterd aan.
“Nou wat leuk, wat bijzonder dat je dat doet! Welke meneer bedoel je?”
“Daarachter, ik zag dat zijn deur ook openstond”
Ze loopt voor mij uit en om de hoek is zijn kamer. Ze klopt op de deur.
“Er is iemand voor u!” zegt ze blij.
Binnen in de kamer is het erg warm. Dat ken ik goed van toen mijn oma nog in zo’n huis leefde. De man kijkt op.
“Hallo” zeg ik vrolijk. “Ik zwaai altijd naar u, en ik dacht, ik breng deze bloemen voor u mee”
“Nou dat is aardig” zegt de man. Zijn ene oog kan niet goed open maar zijn andere straalt.
“Ik ben meneer Vrolijks.”
“Wat een leuke naam! Dat past goed bij de bloemen”
“Ja inderdaad nu je het zegt” zegt de man met een glimlach.
De vrouw brengt een vaas met water en laat ons dan alleen.
“Hoelang zit u hier al?” vraag ik.
“Oh dat is niet heel lang” antwoord ik verbaasd.
“Het ging niet meer thuis, ik zakte door mijn knieën en toen zei mijn nicht, dit gaat niet langer.”
“Woonde u al in hier in de stad?”
“Nee een stad iets verderop”
De man probeert wat rechter op te gaan zitten maar het gaat moeizaam. Hij vertelt verder.
“Ik ben nu 86, en ik heb mijn hele leven zelf de touwtjes in handen gehad. Ik regelde alles voor mijzelf, en daar was niets mis mee, dat vond ik prima. Maar nu is dat helemaal anders om. Ik moet hen bellen voor de wc, voor het omkleden, voor de afstandsbediening of de telefoon. Ja daar ben ik flink ziek van geweest”.
“Dat kan ik me voorstellen. Ineens moet je veel loslaten.”
“Loslaten, ja dat is het. Ik had echt de hoop opgegeven en wilde de huisarts al bellen dat ik het niet langer door wilde laten gaan. Maar toen ineens kreeg ik nieuws, dat ik toch geopereerd mag worden aan mijn rug. Ik was even bang dat het niet mocht op 86-jarige leeftijd. Maar ik heb gezegd, ik neem het risico, dat is mijn verantwoordelijkheid. Als ik maar weer achter die rollator kan lopen, dat is mij veel waard”
“Wanneer mag u geopereerd worden?”
Hij gooit zijn handen in de lucht.
“Dat is ook zoiets. Dat moet ik loslaten, ik moet erover gebeld worden.”
Naast hem op het tafeltje zie ik de telefoon binnen handbereik liggen.
“Wat is tot nu toe het leukste geweest in uw leven?”
“De hockeyclub. Daar heb ik 35 jaar gewerkt, bardiensten, alles onderhouden.”
Ik zie zijn ogen glunderen.
“Ja, dat was een mooie tijd.”
Ik vraag of ik nog iets voor hem kan doen. Hij geeft aan dat hij nu alles heeft. Ik pak de vaas met bloemen en zet ze dichtbij hem in de vensterbank.
“Liever daar niet, sorry dat ik het zeg, maar dat is mijn enige uitzicht, het enige wat ik kan zien”.
Ik begrijp het meteen en plaats ze toch weer terug op de tafel. Hij knikt vriendelijk.
“Heel erg bedankt voor het langskomen!”
“Ik hoop dat u snel wordt gebeld”.