Een goed voorbeeld van hoe ik twee uitersten was in de brugklas, blijft hoe ik uit respect voor de docent Latijn bij 'm aangaf dat ik me verveelde en een uitdagende opdracht wilde aan de ene kant en uit een balorige minachting voor gymnastiek de leraar in de eerste les voorgoed tegen me in het harnas joeg met een bijdehante opmerking aan de andere kant.
'Jongens!' riep de gymleraar. 'Waarom gym op de middelbare school? Simpel antwoord: beweging. Zelf fiets ik al dertig jaar van Leiden naar Delft.' Waarop ik reageerde met: 'Zo, dan doe je er ook lang over...'
De docent Latijn reageerde rustig en vroeg naar mijn favoriete woord. Die tijd was ik veel bezig met de figuur de nar. 'Nar,' zei ik. Hij gaf aan dat ik daar maar een afkorting van moest maken en er een Latijnse zin mee moest maken. Een week later kwam ik terug aan zijn bureau. 'Narrator Artifex Regit,' zei ik trots. 'Pardon?' zei de docent. 'Dat is mijn zin. De verteller heerst over de kunstenaars. Dat is toch zo? Als je 't niet kan vertellen of uitleggen, als dat niet voor je gedaan wordt of simpelweg als er geen bestaande aanname over is die voortkomt uit een verhaal, is er geen kunst.'
Uiteindelijk heb ik zeven jaar over de havo gedaan.