'Maar nu weet ik nog altijd niet waarom ik niet in elfenland...'
'Alfheim' verbeterde Haruto haar.
'Alfheim ben. En ook niet waar je me heen draagt.'
'Sorry, vind je het vervelend?'
'Dan is het goed, want ik geniet van iedere seconde dat ik je in mijn armen heb.' lachte hij.
'Maar waarom? ik snap het niet...'
'Dat is redelijk ingewikkeld om uit te leggen.'
'Ik heb echt het gevoel dat we elkaar al veel langer kennen dan dat je laat uitschijnen. Klopt dit?'
'Ja, dat klopt, maar dat is niet aan mij om je daarover te vertellen... Sorry...'
'Maar waarom niet? Dit gaat toch over ons twee? Of niet?'
'Dit is Hikaru's taak, hij kan je dit beter uitleggen dan ik...'
'Je zult je erbij moeten neerleggen... het spijt me... maar voor jouw en mijn eigen veiligheid kan ik dit niet doen. Dit is veel te delicaat...'
'Hikaru staat veel hoger dan mij. Ik kan hierdoor uit Alfheim verbannen worden. Eigenlijk heb ik al te veel gezegd. Als ze dit te weten komen...'
Hij balde zijn vuisten uit frustratie. Ze voelde het in haar rug. Ze sloeg haar armen om hem heen en kuste hem op zijn wang.
'Waar was dat goed voor?' stamelde Haruto.
'Alles komt goed' zei ze. 'Alles komt goed.'
'Hij pakte haar extra stevig vast en drukte haar tegen zich aan.
'Bedankt.' fluisterde hij n haar haren.
Na nog een tijdje gewandeld te hebben, kwamen ze op een grote open plek waar in het midden twee grote majestueuze bomen stonden die in elkaar verstrengeld waren.
'We zijn er,' zei hij. Hij zette haar heel voorzichtig neer, alsof hij dacht dat ze zou breken.
'Ben je er klaar voor?' vroeg hij.
'Ja.' antwoordde ze vastberaden.
Hij stapte naar voor en knielde zo'n vijf meter voor het midden van de majestueuze bomen neer en boog zijn hoofd. Toen hoorde ze hem iets prevelen.
'Moeder aarde, ik vraag u in de naam van Chiyo, splijt u open en toon ons de weg naar Alfheim.
Nog geen seconde nadat hij dat gezegd had, kwam er beweging in de bomen. Ze draaiden open tot een poort, versierd door klimop en wilde rozen die uit de grond oprezen. Ayame stond versteld. Ze wist totaal niet wat er gebeurde.
Toen dit alles voltooid leek te zijn, kwam er een witte verschijning de poort uitwandelen. Hij had lang wit haar, droeg een wit gewaad en had witte vleugels met zilveren en gouden motieven erop die er heel fragiel uitzagen. Hij leek al oud, maar toch kon ze zijn leeftijd niet schatten.
Haruto boog zijn hoofd als mogelijk nog dieper.
'Haruto,' sprak hij. 'Ik zie dat je goed werk geleverd hebt. Alleen mag je in het vervolg mag je misschien iets discreter zijn.' glimlachte hij. 'Sta maar recht.'
'Dank u, heer.' zei Haruto plechtig. Toen wende de oude man zich naar haar.
'Ayame, lieve meid, kom eens hier.'
Ayame keek aarzelend naar Haruto. Maar toen die knikte, stapte ze op de man af.
Toen ze bij hem was, pakte hij haar hand en kuste hij die.
'Eindelijk zie ik je weer. Je bent groot geworden.' zei hij.
'Sorry, maar wie bent u?' vroeg Ayame bedeesd.
'Mijn naam is Hikaru. Ik ben de geestelijke leider van Alfheim, de plaats waar wij nu naar toe gaan. Kom maar mee. Dan neem ik je mee naar de plaats waar je oorspronkelijk vandaan komt.'
Hij liep naar de poort en gebood haar om mee te komen. Ayame keek achterom naar Haruto. Hij knikte.
'Ga maar,' zei hij. 'ik moet hier blijven op de poort te beschermen.'
'Maar ...' stammelde ze. Ze werd al snel onderbroken door Haruto.
'Ga nu maar. Het is oké.'
Ayame knikte, maar ze was niet helemaal akkoord. Ze was bang voor wat ze te horen zou krijgen. Ze had een sterke band met Haruto gevoeld, maar ze kon niet thuisbrengen waar die vandaan kwam. Ze zou het dolgraag willen weten, maar dan van hem en niet van een wildvreemde. Al moest ze zichzelf er wel op wijzen dat ze Haruto ook nog maar pas kende. Ten minste, dat dacht ze toch.
Met een bang hartje stapte ze de poort binnen. Ze knipperde een paar keer met haar ogen. Alles wat ze zag was zo mooi, dat ze dacht dat dit een droom moest zijn. Het kon bijna niet anders. De grond waarop ze liep was bedekt met gras, mos en kleine, prachtige bloempjes. Overal waar ze keek zag ze bloemen, varens en bomen. Toen ze verder wandelde zag ze rechts van haar een reusachtige waterval van wat ze schatte een paar honderdtal meter hoogte die terecht kwam in een groot meer. Het water was tot haar verbazing zo helder dat ze de kiezels die, op wat toch zeker een tiental meter diepte moest zijn, op de bodem lagen kon zien. Ze kek haar ogen uit aan al dit moois.
'Vind je het mooi?' vroeg Hikaru.
'Prachtig.' zei Ayame naar waarheid.
Ze vroeg zich af hoe al dit moois kon bestaan zonder opgemerkt te worden. Ze was al zo vaak zo diep het bos ingegaan, maar deze schoonheid had ze nog nooit waargenomen.
'Hier kom ik dus in werkelijkheid vandaan...' dacht ze hardop.
'Klopt,' zei Hikaru. 'dit jou wereld, de plaats waar jij thuishoort.'
'Maar waarom heb ik dan al die tijd in een andere plaats geleefd, waarom heb ik hier nooit van geweten, waarom heb ik het gevoel dat ik Haruto al mijn hele leven ken? Waar...'
Ayame had pas door dat ze in een vragen storm was losgebarsten toen Hikaru zijn hand omhoog stak om haar te bedaren.
'Rustig aan, lieve meid, alles op zijn tijd. Ik zal al je vragen beantwoorden, maar eerst wil ik je wat laten zien.'
Hij nam haar mee naar een grote serre, die een beetje verderop stond. Ze verwachtte er bloemen te zien, maar het enige wat ze zag, waren grote bakken met aarde in.
'Wat is dit?' vroeg Ayame.
'Dit, lieve meid, is de geboorteserre van het oostelijke deel van Alfheim. Wat wil zeggen dat er nog drie anderen zijn. Hier worden de zaden van de elfen ondergebracht tot ze ontkiemen. Als zo'n zaadje ontkiemt, komt er een heel klein elfje uit. En aan de hand van het seizoen dat het zaadje ontkiemt, kunnen we weten wat soort elf het zal zijn.'
'Welke soorten elfen zijn er dan?'
'Je hebt verschillende rangen. De laagste rang is die van de Lente-elfen. Haruto en Kenshin maken er bijvoorbeeld deel van uit. Zij fungeren eigenlijk ons leger. Dan heb je de Zomerelfen. Zij zijnde pleziermakers. Zij zorgen bijvoorbeeld voor animatie zoals theater, dans en muziek en verzorgen ze ook feesten zoals Samhaim. Nog een rang hoger heb je de Herfstelfen, zij zijn er om al je kwaaltjes op te lossen. Zij fungeren als onze dokters en apothekers. En dan heb je nog de rang van Winterelfen, waar wij toe behoren. Onze taak is om Alfheim overeind te houden met onze eeuwenoude gebruiken en tradities.'
Ayame stond versteld dat er zoveel rangen waren, maar waar ze nog het meest van opkeek was dat Hikaru daar zo rustig over praatte. Ze vond het niet normaal dat Haruto zo laag in rang stond en zij zo hoog.
'Waarom weet ik eigenlijk niets van dit alles? Er wordt mij gezegd dat ik hier vandaan kom, maar ik ken deze wereld niet. Ik herinner me hier niets van. Al deze pracht heb ik nog nooit gezien. Laat staan dat ik de eeuwenoude gebruiken en tradities ken waar u het over had. Hoe kan ik Alfheim overeind houden?'
'Dit, lieve meid, komt doordat jij geënt bent naar de mensenwereld. Dit wil zeggen dat jij als kleine elf van een jaar of vier als kleine baby naar de mensenwereld gebracht bent. Je bent in een mandje met alleen een briefje met je naam erop voor de deur van je mensenouders neergelegd. Hiervoor heb je vier jaar opleiding gekregen, maar we hebben je een vergetelheidsdrankje moeten geven zodat je niets over ons zou prijsgeven.'
'Maar waarom ben ik geënt? Waarom niemand anders?'
'Omdat jij er zelf achter gevraagd hebt. Jij bent als enige uit een groepje elfen door een proef geselecteerd om dit te doen. En daarbij vonden we het geschikt om jou dit te laten doen, omdat dit jou heel wat kennis zou verwerven die je zou kunnen gebruiken bij het besturen van Alfheim.'
'Oké, allemaal goed en wel, maar waar zijn mijn echte ouders dan? En hoe komt het dat ik het gevoel heb dat ik Haruto al mijn hele leven ken?'
'Waar jouw echte ouders zijn, weten we zelf niet. Zij hebben, net als iedere andere elf hier hun kind afgestaan om bij hun seizoensvolk te kunnen horen. En dat gevoel dat je hebt over Haruto is omdat hij al bij jou is van sinds je geboorte. Hij heeft voor jou gezorgd van sinds je een zaadje was. Hij heeft zich ingezet voor jouw bescherming vanaf je geënt werd. Sinds toen is hij altijd in de buurt gebleven en hebben wij hem zelfs in de gaten moeten houden dat hij niets verkeerd deed.'
Hikaru moest blijkbaar lachen bij de gedachte. Maar Ayame voelde zich vreselijk schuldig. Ze wist niet wie hij was en hij had toch zo goed zorg gedragen voor haar...
'Waarom doet hij zoveel moeite voor mij? Oké, ik word als ik jullie mag geloven zijn koningin, maar waarom heb ik het gevoel dat er meer achter zit?'
'Omdat hij al vanaf jouw geboorte smoorverliefd op je is. Hij...'
Ayame moest het allemaal niet meer horen, het enige wat zij nu wilde was bij hem zijn. Ze rende de serre uit, naar de poort. Het kon haar niet schelen dat dit ongepast was, of dat dit eigenlijk niet kon, maar ze dacht aan het gevoel dat ze bij hem had. Het gevoel van thuiskomen. Het gevoel van innerlijke rust terwijl haar hart op hol sloeg. Ze bleef rennen, tot ze uiteindelijk de poort had bereikt. Net toen ze de poort bereikt had, hielden bewakers haar tegen.
'Laat me erdoor.' beval ze.
'Alfheim heeft je nodig, koningin, dit is niet de moment om weg te rennen.' zei een van de bewakers.
'Laat me erdoor!' riep ze uit. Ze verloor haar zelfbeheersing en weer kwam de lichtcolonne rond haar. Ze was blij dat die kwam, want desondanks dat die haar enorm uitputte, leek hij ook een ontzagwekkende kracht te tonen. De bewakers deinsden terug. Dit is mijn kans, dacht ze. Ze liep langs de bewakers de poort uit. Eens buiten de poort kwam ze met een ruk tot stilstand. De bewakers buiten de poort stonden met priemende speren in haar richting. Toen hoorde ze een doffe plof van een speer die op de grond viel.
'Ayame, ben jij dat?' vroeg Haruto. Toen realiseerde Ayame zich pas dat ze de lichtcolonne nog om zich had. Ga maar weer weg, dacht ze en de colonne verdween. Ze liet een zucht van opluchting, rende naar Haruto toe en wierp zich in zijn armen. Ze begon als een klein kind te snikken. Haruto deed teken naar de wachters dat alles oké was. Ze lieten hun speren zakken en verdwenen uit het zicht.
'Ayame, wat is er gebeurd?' vroeg Haruto. Ze hoorde in zijn stem een klein beetje onrust.
'Het spijt me zo.' Wist ze met moeite uit het brengen.
'D-d-d-dat ik je n-n-n-n-niet herkende.' Bracht ze hortend en stotend uit.
Hij pakte haar gezicht teder in zijn handen en veegde haar tranen weg. Toen keek hij haar diep in de ogen.
'Nu moet je eens heel goed luisteren,' zei hij. 'jij kunt hier allemaal niets aan doen. Je...'
'Maar ik heb ervoor gekozen om geënt te worden.'
'Dat klopt, maar dat neem ik je helemaal niet kwalijk. Dat is een keuze die ik respecteer en waar ik volledig achter stond. Nu ben je terug en zal ik er alles aan doen om jouw te beschermen. Niets is mij daar te veel voor.'
Ayame hield het niet langer. Ze sloeg haar armen om zijn nek en kuste hem vol op zijn mond. Hij leek even te verstijven van het onverwachte gebeuren, maar toen kuste hij haar teder terug. Een kus waarbij alles rondom hen in een waas veranderde en alleen zij nog bestonden. Ayame wou niet dat deze kus ooit zou eindigen, dat hij haar nooit meer zou loslaten.
Het leek alsof hij overal was. Zijn geur in haar neus, zijn armen om haar heen, de smaak van zijn lippen,...
Toen hij haar losliet keek hij haar recht in de ogen.
'Je weet toch dat we een belangrijke regel overtreden?' vroeg hij ernstig.
'Dat kan me niets schelen.' zei ze. Ze boog zich naar voor om hem opnieuw te kussen, maar hij trok zich terug. Ze keek hem vragend aan.
'Ben je wel zeker dat je dit wilt? Ik kan hierdoor verbannen worden, en dan kunnen we nooit meer samen zijn...'
Hij klonk een beetje verdrietig maar vooral gefrustreerd.
'Maar waarom? Waarom zou je verbannen worden?'
'Als wij een relatie zouden aangaan, zou dat tegen de regels zijn.'
'Omdat je in je eigen rang een partner moet zoeken, wie dat niet doet, wordt genadeloos gestraft...' ze hoorde zijn verdriet en opgekropte woede.
'Dan zal ik dat ongedaan maken.' Ze was blij dat haar stem zo vastberaden en zelfverzekerd klonk.
'Daar hoopte ik al op.' zei hij met een grote glimlach. 'Alleen, hoe wil je dat voor elkaar krijgen?' vroeg hij.
'Dat zullen we samen moeten uitzoeken, maar ik heb er het volste vertrouwen in dat het wel zal lukken.' zei ze.
Ze legde haar hoofd tegen zijn borst en hoor de zijn hartslag versnellen. Ze glimlachte. Haruto kuste haar haren en omhelsde haar extra stevig. Ze hield van dit gevoel, het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Ayame voelde in haar binnenste iets ontwaken en ze wist dat dit de liefde was die ze altijd voor hem gevoeld had. De liefde die altijd weggestopt geweest was. Op de een of andere manier voelde ze zich bevrijd, maar langs de andere kant voelde ze een zwaar gevoel op haar schouders rusten. Een gevoel van grote verantwoordelijkheid en het oog op een zware strijd. Een strijd om liefde. Een strijd van levensbelang.
Zonder hem zou ze niet kunnen overleven. Ze moest en zou vechten. Al kon dit haar einde betekenen.
Haruto kuste haar opnieuw. Plots kwamen er allemaal beelden in haar hoofd naar boven. Een kleine Haruto die zijn hand uitstak om haar overeind te helpen als ze gevallen was, die de tranen uit haar ogen veegde als ze huilde, die haar vanaf de zijlijn toejuichte en toelachte als ze ijverig aan het werken was om uiteindelijk geënt te worden...
Er gleed een traan over haar wang naar beneden. Haruto stopte de kus en keek haar bezorgd aan.
'Wat is er?' vroeg hij terwijl hij de traan van haar gezicht veegde.
'Sorry,' zei ze. 'je bent er gewoon altijd voor mij geweest en ik kon het me niet meer herinneren... Sorry.'
'Geen probleem.' zei hij. 'Ik ben er voor je. Dat is voor mij de normaalste zaak van de wereld. Het belangrijkste voor mij is dat jij gelukkig bent. Dat ik dat kan zien. Of dat nu is dat je weet of ik besta of niet, maakt mij niet zo veel uit.'
'Zeg dat alsjeblieft niet. Je weet zelf ook dat dat niet waar is. En ik wil nu niets anders dan bij jou zijn.'
Hij omhelsde haar terug innig.
Plots liet Haruto haar los.
'We hebben bezoek.' fluisterde hij in haar oor.
Toen ze omkeek zag ze een grote, oude centaur staan.
'Daichi' groette Haruto met een buiging.
'Haruto' groette Daichi terug.
'Uwe majesteit,' de centaur zakte door zijn been en boog diep. 'het is me een eer om U terug te zien.'
'Sta alsjeblieft op,' zei Ayame. 'Ik ben het niet waard om voor te buigen.'
'Oh, kom op, dat ben je wel, je bent het alleen nog niet gewend. Dat is alles.' zei Haruto.
'Ahem,' viel de centaur hem in de reden. 'Het spijt me ten zeerste dat ik U dit plezier moet ontnemen, maar Hikaru verwacht U terug in Alfheim.'
'Sorry, maar kun je tegen hem zeggen dat ik niet kom, maar bij Haruto blijf? Ik heb nog heel wat goed te maken.'
'Dat kan ik helaas niet doen.' zei de centaur.
'Nee, dat wil ik niet. Ik heb nog zoveel goed te maken. Ik moet vechten tegen dit hele rangensysteem. Ik moet vechten voor ons! Voor iedereen in Alfheim!'
'Die tijd komt nog. Eerst moet je je terug zien in te burgeren in Alfheim. Anders is er geen weg meer terug. Dan kun je nooit meer naar huis. Overdenk dit alsjeblieft goed.'
'Haruto heeft gelijk, Majesteit. Als u niet gaat, loopt U het risico verbannen te worden, nooit te vechten tegen de rangenpolitiek en Haruto nooit meer terug te zien. ' zei Daichi.
Ze drukte nog snel een kus op zijn lippen en stond op.
'Ik kom terug,' zei ze. 'en snel. Ik zal ervoor zorgen dat de taboe verbroken wordt.'
'Daar reken ik op.' zei Haruto en hij gaf haar een kneepje in haar hand.