Sint-Laureins, 21/08/2013
aan Greet, Nadia en Marleen
Vorige nacht heb ik niet echt veel geslapen. Ik had veel te veel woorden in mijn hoofd, de woorden waarom ik steeds vroeg, en die ik nu kreeg. Ze kwamen op hun kousenvoeten uit de nevels rondom de volle maan mijn gedachten binnengeslopen. Ik had dan ook het raam opengezet om mijn dromen te verwelkomen. Ik had natuurlijk beter niet de hele wereld uitgenodigd, dat besef ik nu tot mijn spijt. De wereld die gisteren de aarde had geconsumeerd. Gisteren op 20 augustus had de mensheid alle natuurlijke hulpbronnen van wat de aarde op één jaar tijd kan produceren al opgebruikt. Ondertussen hebben we nog een goeie vier maanden te gaan en dit nu zonder de grondstoffen van onze aarde want we zijn te gulzig geweest. We hebben de planeet compleet uitgezogen en leeggeroofd en de natuur kan dit niet meer compenseren. Ondertussen hebben we nu ook weer een nieuw lek bij met wegvloeiend radioactief besmet water. Dat dan ook weer in onze gronden en zeeën dringt, tot in de kern van onze aarde, en daarmee ook tot diep in onze eigen kern, aangezien we alles opsnuiven, opeten en opdrinken wat de aarde ons geeft, want zij is onze moeder. En een moeder is er toch om je te koesteren, te beschermen, te voeden, te sussen en je te kussen. Maar ze laat je ook los. Ze leert je je eigen weg te gaan, op je eigen benen te staan, ze laat je los en vrij, om de wijde wereld in te gaan. Met glinsterende ogen en een kloppend hart begin jij aan je tocht, terwijl zij je al even glinsterend en kloppend volgt op rechte banen maar ook in elke bocht.
Maar nu hebben we onze moeder vermoord, gisteren, op 20 augustus anno 2013 zijn we in al ons enthousiasme steeds maar harder en harder beginnen te bollen en konden we op den duur onze koers niet meer bijhouden, sloegen op hol, draaiden als een tol, een flitsende brandende bol, helemaal dol.
We vlogen uit de bocht. Recht in moeders armen. Een dodelijke omhelzing.
De moeder blijft onbeweeglijk, stil en leeg. Maar wij proberen eerst onze open wonden af te dekken met nieuwe pleisters, onze immer creatieve geest breit algauw een nieuw innovatief gedachtekluwen om ons in de toekomst beter te pantseren op onze te vervolgen weg. Ondertussen hebben we wel veel verdriet, we staan handenwringend, helemaal onthutst en met een bange krop in onze keel bij onze stille moeder, en begrijpen niet dat zij daar zomaar onbeweeglijk, stil en leeg blijft liggen, onze moeder mag ons niet verlaten, want zij is er om ons te koesteren, te beschermen, te voeden, te sussen en te kussen. We beginnen ons voor de kop te slaan om onze roekeloosheid, maar algauw verwijten we het “de ander”, en beginnen die ander op zijn kop te slaan. We geraken daarbij vrijwel meteen weer enthousiast en in geen tijd zijn we weer helemaal op weg, en vermoorden nu onze broeders en zusters. We gebruiken daarbij vernuftige middelen die we nog kunnen recupereren van de opgeslagen resten vanuit de koffer met grondstoffen van onze stille moeder, en slaan in al onze hevigheid nog meer gaten in onszelf en in het overblijvende omhulsel van onze moeder. We krijgen steeds meer verwittigingen van onze vader, maar we slaan ze zoveel mogelijk in de wind. Moeder kon zichzelf steeds weer redden en heruitvinden. En van vader hopen we op respijt en meer tijd. Maar voor hoelang nog, vragen sommigen van ons zich af in alle bescheidenheid. Terwijl de grootste en de stoutste onder ons, die hebben daaraan het schijt.
Ik heb dus niet echt zo veel geslapen deze nacht, door de hele wereld in mijn slaapkamer uit te nodigen. Maar gelukkig, vanmorgen toen ik nog slaperig uit het venster keek zag ik dat alles goed was, het vertrouwde zicht was nog intact, het plekje van onze moeder waar ik troost bij vind. Maar voor hoelang nog…