Het illegale feestje onder de brug richting Durgerdam. Een stiekeme aankondiging via facebook. Wij fietsten samen heen. Ik was nerveus. Onderweg vroeg je me of het Engels dat je sprak in je muziek goed was. Ik zei dat je uitspraak soms wat onverstaanbaar was. Je vroeg me hoe, wat, waarom; of we eens samen konden oefenen, dat je van mij wilde leren. Voor en achter ons fietsten mensen mee met biertjes voor onderweg.
Op het feestje parkeerden wij onze fietsen in de bosjes, los van elkaar. De muziek was grimmig, met harde bassen die elkaar afwisselden en door elkaar heen dreunden. Het laaghangende beton van de brug maakte het nog een stuk drukkender. De aantrekking was het goddeloze, het wetteloze, het bepaalde door het onbepaalde. Het duurde lang voor ik door had dat hetero’s in de grote minderheid waren. Ik had een six-pack in mijn tote-bag, de blikken stotend tegen mijn heupen. De meisjes plassend in de brandnetels.
Ik weet niet meer wat we precies in onze neuzen hadden gestopt, maar het viel niet goed. Misschien omdat ik niet genoeg had genomen, of teveel. Misschien omdat het mijn niet al te beste gemoedstoestand versterkte. Het werkte in en ik merkte vooral een hyperfocus. De sjansende mannen. De Dr Martens schoenen aan de magere meisjesenkels. De lichtlasers op het beton. De sleutels in de kleine plastic zakjes. Jij, je heerlijke jij, pratend in een groep, lachend, je duidelijk vermakend, pratend met een meisje die ik weer een bedreiging vond. De lichtheid van het tafereel. Het schrille contrast met mij.
De muziek die je schreef ging vrijwel uitsluitend over vrouwen. Vrouwen met wie je ooit lief en leed deelde; vrouwen met wie je slechts het bed deelde; vrouwen met wie je het lief en leed en/of het bed had willen delen. Ieder nummer een verhaal, een anekdote, een moraal. Ieder meisje met wie je praatte was de potentie voor een nieuwe muze, een nieuw kunstobject, een weg naar een mogelijke hit. Hoe vurig ik verlangde dat ik je muze was. Dat ik genoeg was.
Ik weet niet of het echt het meisje was waar ik jaloers op was, of althans, dat niet alleen. Ik weet niet of ik liever het meisje wilde zijn, of jou. Jouw succes, jouw talent, jouw wereldse. Dat ik meer van jou hield dan van mijzelf was een zekerheid. Ik wilde alles zijn dat ik niet was; alles hebben wat ik niet had. Zolang ik maar niet ik hoefde te zijn.
Ik stond stil en observeerde je, dichtbij en ver genoeg, wat half-verschuilend achter de meute. De afstand leek te groot om te overbruggen. Niet fysiek, emotioneel. Als ik bij je ging staan zou ik je geluk verstoren. Als ik wegbleef zou je mij op den duur wel komen zoeken. Ik vroeg me af hoe lang het zou duren voordat je mij zou missen, als een soort graadmeter van jouw liefde voor mij.
Vooral deze manier van liefde bevestigd krijgen was mij bekend. Ik dacht dat passie en liefde hetzelfde betekenden. Je hebt geen ruzie met hen die je onverschillig laten. Je huilt niet om hen die je geen pijn kunnen doen. Hoezeer ik de liefde verkeerd begreep.
Achteraf moet het niet lang geweest zijn tot je mij ging zoeken. Het voelde natuurlijk als een eeuwigheid. Ik was een plekje buiten gaan zoeken, zittend tegen het koude, kale beton, navel-starend, tranen-biggelend. Ik was alleen, verward. Het feest en de mensen om mij heen leken meer een projectie dan een werkelijkheid die ik aan kon raken. Ik weet dat je geschrokken was toen je mij vond, in paniek, bozig. Als een ouder op een kind die de weg op is gerend zonder links-rechts-links te kijken.
We gingen naar huis zonder doei tegen anderen te zeggen, iets wat je nooit deed. Ik was van streek. Boos om alle andere redenen dan de echte. Ik vond niet dat jij het recht had óók van streek te zijn. Mijn verdriet moest de boventoon hebben. We fietsten die ellenlange brug op. Ik zag de tegenliggers niet door mijn tunnelvisie. (Of wilde ik ze niet zien?) Ze schreeuwden naar me. De bijna-botsing maakte je nog bozer. Tot ik stikte in mijn tranen en stilstond, kuchend.
Wat ik daar precies zei toen kan ik mij nog steeds niet herinneren. Ik ben deze avond jarenlang vergeten geweest, ergens diep weggestopt om verder te kunnen leven, wat goed lukte. Het is pas echt weer sterk boven komen drijven op een 10-daagse stilte meditatie retraite deze zomer. Laag voor laag ga je dieper naar je onderbewustzijn, tot je mistige herinneringen weer helder worden. De boeien die je vasthouden van (geestelijke) bevrijding, van objectiviteit. Je eigen aandeel in je lijden. De beelden, het trauma. Het onder ogen zien en dan leren loslaten. Jezelf leren vergeven. Alles komt en gaat. Er is alleen het nu.
Wat ik wel weet is dat ik daar en toen het water in wilde springen, de brug af, bevrijd zijn van alles. Van jou, van de zelfhaat, van de sociale fobie, de angst, de isolatie, de afwijzing. Ik weet niet wat jij toen zei of hoe je mij thuis hebt gekregen. Volgens mij zei je later dat het alles kostte wat je in je had om dat voor elkaar te krijgen.
Toen je mij thuis had gebracht vertrok je weer gauw, naar je eigen huis. Ik staarde naar het plafond, niet in slaap, niet wakker, op mijn rug, handen langs mijn lichaam. Een paar uur later stond je weer in mijn slaapkamer, nog meer in paniek dan op het feest. Hoe je mij vasthield alsof je me bijna kwijt was geweest. Bijna verdronken. Tegelijkertijd leek je ook wel boos dat ik daar gewoon lag, dat er niks was. Hoe ik niet snapte waarom je daar zo stond. (Huilde jij? Huilden we samen? Kon ik nog huilen?) Dat je mij had proberen te bellen maar ik niet had opgenomen, hoe bang je was geweest, hoe de gekke ideeën in je hoofd waren gekropen.
Ik ben nog wel eens terug geweest naar die brug. Het lange, uitgestrekte water. De schitteringen van de zon, de moderne windmolens, de huisjes in de dorpjes. De vredige haast van voorbijgaande fietsers zwoegend op de lengte van het asfalt. De wind die sust op mijn gezicht; de bedruktheid op mijn borstkas.
Het nummer dat je schreef over onze break-up vind ik nog steeds moeilijk om naar te luisteren. De minutenlange intermezzo’s van je snijdende gitaar die steeds terug lijkt te komen op die ene noot. Alsof je met je hoofd tegen de muur beukt van onmacht, pijn, frustratie. Een ondertoon van het hoopvolle lonken van betere tijden. “Dit kan mijn leven niet zijn,” zei je wel eens. Ik kan jouw leven niet zijn. Het heeft een paar jaar geduurd, maar ik snap heel goed waarom je ging. Ik ben je daar nu ook dankbaar voor.
Ergens zou ik je willen laten zien hoeveel ik gegroeid ben, hoeveel ik geleerd heb. Maar dan zoek ik nog steeds naar een soort validatie van jou, en dat hoeft niet meer. Je moeder mailde mij eens dat liefde in vele hoedanigheden komt. Het spijt mij dat ik in de periode met jou vooral liefde in negatieve situaties kon ervaren. Ik hoop -en vertrouw erop- dat de liefde zich nu vooral in mooiere vormen aan je manifesteert.
Ik weet dat je geprobeerd hebt om mij naar één van je concerten te laten komen om mij het break-up nummer live ten gehore te brengen. Als een strik om het verhaal, het werkelijke in het licht stappen, de ultieme catharsis. Ik ben blij dat ik nooit gegaan ben. Ik weet dat, door dit verhaal aan je te schrijven, ik eigenlijk hetzelfde aan je opdring. Weet dat dit nu wel uit een mooie hoedanigheid van liefde komt. Ik hoop dat het je, vijf jaar na dato, (is) (ge)lukt om alles (dit, het, mij), los te laten zonder wrok of spijt. Alleen maar dankbaarheid. Ik hoop dat het mij lukt.