Verhuisd!
A Little Of Me is verhuisd!
Mis niets en volg alles op:
www.marindeblogt.wordpress.nl
Game of Thrones Daily

roma★
Color Me Curious

ellievsbear
RMH

Game Changer & Make Some Noise
macklin celebrini has autism
ojovivo
The Stonewall Inn
NASA
One Nice Bug Per Day
Doug Jones

gracie abrams
YOU ARE THE REASON
"I'm Dorothy Gale from Kansas"
TMBGareOK. The Official They Might Be Giants tumblr
Today's Document
Misplaced Lens Cap
tumblr dot com
official daine visual archive

seen from United States
seen from United States
seen from Kazakhstan
seen from United States

seen from United States
seen from Venezuela

seen from United States

seen from Canada

seen from United States
seen from United States

seen from Germany
seen from Singapore
seen from United States
seen from Libya
seen from Germany
seen from United States

seen from Indonesia
seen from United States
seen from Russia

seen from United States
@a-little-of
Verhuisd!
A Little Of Me is verhuisd!
Mis niets en volg alles op:
www.marindeblogt.wordpress.nl
Complottheorie
Er is een samenzwering gaande. De takeaway restaurants, kiosken en supermarkten op het station zijn een geheime campagne begonnen, en alle NS-reizigers zitten in het complot. Waarom ze het op mij gemunt hebben? Geen idee. Ik ben alleen maar een arme, hardwerkende student die al een klein fortuin heeft neergeteld voor haar treinabonnement, om maar niet te spreken van collegegeld, hier valt niks meer te halen.
Vijf uur 's middags. Na twee uur in de originele, authentieke, mintgroene collegebanken te hebben doorgebracht (dat die banken houten klapstoeltjes hebben met een zitting van ongeveer 20 centimeter lang en een heel hoge, rechte en vooral harde leuning, met zo'n richeltje precies ter hoogte van je schouderbladen, zal ik niet over zeuren, iets met cultureel erfgoed ofzo) loop ik gedwee achter de rest van de groep aan voor nog een uurtje discussiëren over wat we zojuist te horen hebben gekregen. Als aankomend journalist en academicus hoor je natuurlijk kritisch te zijn, verbanden te leggen tussen theorie en werkelijkheid en vooral te reflecteren op ... ja wat eigenlijk? Ik zal heel eerlijk zeggen dat dat tussen vijf en zes in een koud klaslokaal, met een rommelende maag niet echt iets is wat ik helder kan formuleren.
Ik heb het eerder al wel eens toegegeven: ik ben een ontzettende burgertrut. En ik eet graag om half zes, hooguit half zeven. College tot zes uur betekent dus dat ik pas rond kwart voor acht aan kan schuiven voor de warme maaltijd, tegen die tijd val ik bijna om. Het is zelfs bijna gevaarlijk mij in die toestand naar huis te laten fietsen. Op maandagavond is mijn doel dan ook: zo snel mogelijk thuiskomen, met zo weinig mogelijk afleiding. In het kader van bezuinigingen en te weinig tijd om meer te gaan sporten, loop ik met oogkleppen op zo snel mogelijk langs de Starbucks, Burger King, Julia's, AH to go, Kiosk, Smullers en de Broodzaak en voel een vlaag van trots als ik op het perron sta zonder dat ik zelfs maar een doosje Skittles heb gekocht. Wat een zelfbeheersing.
Maar zodra ik richting de open deuren van het treinstel loop, verdwijnt dat triomfantelijke gevoel als sneeuw voor de zon. Er drijft een heerlijke geur naar buiten en ik kan de knapperige, goudgele patatjes bijna proeven. Zelfs de satésaus ontbreekt niet in mijn levendige smaakvisioen. Maar het wordt nog erger. Als ik de coupé instap, zie ik rechts een meneer een grote hap nemen van zijn ravioli met tomatensaus. Links zit een jongen verlekkerd in zijn papieren zakje van de Burger King te kijken. Wanneer ik ga zitten verbaast het me niet eens meer dat de meneer tegenover me een heerlijk broodje oude kaas zit te eten, zo'n luxe, met sla en tomaat en alles erop en eraan. Als ik uit het raam kijk zie ik zelfs de conductrice een hap uit haar appel nemen. Het is alsof het NS-universum zich tegen mij heeft gekeerd, alsof alle horecagelegenheden op het station tegen mij samenspannen en zeggen: 'Haha, had je maar wat bij ons moeten komen halen. Dan zat je nu niet zo te kwijlen op het broodje kaas van je overbuurman.'
Verslagen trek ik mijn flesje water uit mijn tas. Thuis wacht mijn oosterse roerbakschotel met vis, maar eerst moet ik de komende anderhalf uur zien door te komen. Dan toch nog maar een poging tot reflecteren op eh ... Man, wat ruikt die pasta goed!
Nederlandstalig
Ik hou van muziek. En ik hou ervan om nieuwe muziek te ontdekken. Maar wanneer ik een voor mij onbekende artiest tegenkom die Nederlandstalige muziek maakt, ben ik niet vaak direct enthousiast. Ik denk dan aan Frans Bauer, Wolter Kroes en Jan Smit. Niets mis mee natuurlijk, maar de beelden die dan bij mij opkomen zijn die van openluchtconcerten waar vijftigers met een biertje in hun hand de polonaise doen, dronken worden en uit volle borst voorspelbare refreintjes mee lallen.
Natuurlijk klopt dat niet helemaal, er zijn genoeg artiesten die Nederlandstalig zingen en ook nog muziek maken waar ik blij van word. Misschien komt het door de angst om in het hokje ‘volksmuziek’ gestopt te worden, maar deze muziek gaat soms gepaard met teksten die zo ‘poëtisch’ en diepgaand zijn, dat je er eigenlijk geen reet van snapt. Toch zingt iedereen ‘M’n schoenen zijn gejat, maar ik hoef niet meer naar buiten want er is nog wel wat’. En dan knikken we naar elkaar en zeggen: Ja, wat een goed nummer hè. Maar zeg eens eerlijk, wie heeft er enig idee waar het over gaat?
Daarom zingen de meeste Nederlandse artiesten gewoon lekker in het Engels. Dat ligt goed in het gehoor, rijmt gemakkelijk en klinkt heel internationaal. Maar als Engels je moedertaal is, hoor je al die muziek zoals wij Nederlandstalige muziek horen. Denk je eens in dat je voor het eerst Yellow Submarine hoort in je eigen taal. Als iemand in Nederland een liedje over een gele onderzeeër maakte, eindigde die waarschijnlijk in dezelfde categorie als Dries Roelvink, maar de Beatles komen ermee weg. We hebben het dan nog niet eens over nummers met een seksuele lading. Tijdens een avondje karaoke met zusterslief brak A. haar imitatie van Christina Aguilera’s ad lips af en riep: ‘Hè, het gaat alleen maar over seks!’ En het kan nog veel explicieter. Als iemand Rihanna’s Rude Boy in het Nederlands zou coveren, zouden er waarschijnlijk weinig mensen zijn die dat zouden kunnen waarderen (ik heb de lyrics gegoogeld en ik waarschuw je: doe het niet!).
Of de Engelsen en Amerikanen nou zo open-minded zijn, of gewoon afgestompt is een interessante vraag, maar die bewaren we voor een andere keer. Het punt is dat muziek geschreven in je moedertaal altijd dichterbij komt dan iets in een vreemde taal. We begrijpen het beter, en kunnen mooie (noem het poëtische) omschrijvingen van gebeurtenissen en gevoelens meer waarderen. En daarom zijn we er ook kritischer op. Neem bijvoorbeeld het Koningslied (en ik had me nog wel zo voorgenomen dat ik daar niets over zou schrijven! Mislukt.), of je het gehoord had of niet: iedereen had er een mening over. De één vond het veel te plat met zo’n smakeloze rap, de ander het gedragen refrein te hymnisch, en de rest had commentaar op de overvloedig aanwezige grammatica- en stijlfouten.
Dat er één lied zou komen dat alle Nederlanders kon behagen was natuurlijk ook wel zeer onwaarschijnlijk. Gerard Joling, Marco Borsato, Gers Pardoel … ze hebben allemaal liefhebbers en haters, en zelfs als je ze allemaal bij elkaar in een studio stopt is dat geen garantie voor een acceptabel lied voor de doorsnee Nederlander. Opvallend is – net als dat Rihanna wegkomt met haar Rude Boy – dat het de Amerikanen dan wel weer lukt de saamhorigheid aan te zwengelen met een nationaal lied.Als Kenny Rogers en Lionel Richie samen met een serene glimlach heen en weer wiegen op We are the world en hun regeltje zingen met een grote koptelefoon op maar een oor (want dat staat zo lekker muzikaal), vinden we dat lang niet zo irritant als wanneer Paul de Leeuw en Ruth Jacott met de armen om elkaars schouders ‘de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier’ ten gehore brengen.
Het moge duidelijk zijn dat het een hele kunst is om een goed Nederlandstalig nummer te schrijven. En omdat ik ook de beroerdste niet ben, hierbij twee liedjes van Eefje de Visser. Een lekker normaal Nederlands meisje (want daar houden we van) met fijne kleine liedjes en mooie teksten die soms op het eerste gehoor een beetje gek lijken. Lekker luisteren, en laat dat commentaar maar komen!
Klik hier voor ‘Schotland’.
(Stoere mannen met stoppelbaarden, en iedereen die samen danst en drinkt in het café enzo. Grote glazen bier naar binnen, niemand drinkt er eigenlijk ook cocktails of martini. Ja, dat wil ik ook wel.)
En klik hier voor ‘In het gras’.
(Licht werd donker en weer licht, dat vond ik echt zo’n mooi gezicht. En keer op keer op keer weer hoopte ik dat dat dan het gewicht een klein beetje kon verlichten. Want ik wilde wat ik miste niet echt missen wat ik voelde niet echt voelen maar ik wist dat ik me vergiste als ik dacht dat ik daar liggend in het gras ineens een beter leven had. En ik heb zo lang gedacht dat de dagen simpel waren als ik steentjes raapte waar ik kon totdat het me te zwaar werd. Dan leegde ik m’n zak en ik vergat waar ik mee zat dat was totdat ik me bedacht dat als je al je tranen inslikt op een dag …)
(Eefje’s nieuwe album ‘Het is’ kun je nu trouwens horen op de luisterpaal! *klik!*)
Paris, c'était très jolie!
‘Die nieuwe auto van je, hoever rijdt die op één tank?’ vroeg ik vriendin M. ‘Nou … ongeveer naar Parijs. Zullen we daar anders heen gaan?’ antwoordde ze. ‘Ja leuk, doen we’, zei ik. En zo geschiedde het dat wij op maandagmorgen om tien over vijf met een kofferbak vol kampeerspullen, een thermoskan koffie, zelfgesmeerde bammetjes met pindakaas, mijn zelf samengestelde Supersongs verzameling 1 tot en met 6 (met Atomic Kitten en Gareth-wie-kent-‘m-nog-Gates) en een bucketload routekaarten en reisgidsen in de auto zaten op weg naar la cité d’amour. We vonden onszelf erg spontaan en ondernemend en nipten tevreden van onze lauwe koffie.
We waren allebei al eens in Parijs geweest. M. met vriendlief, en ik met manlief. Dat je Parijs heel anders ervaart zonder mannelijk schoon aan je arm was hiervoor nog niet bij ons opgekomen. Zodra we echter voet in de stad zetten, werden we gestraft voor onze naïviteit. Wat je waarschijnlijk wel weet, is dat de Franse man niet alleen houdt van du vin, du pain, du Boursin, maar ook – en vooral – van vrouwen. Flanerend in onze wapperende zomerjurkjes werd dit pijnlijk duidelijk. Regelmatig zagen we scheve glimlachjes of hoorden we onverstaanbaar Frans gemurmel in onze richting, en we konden nog geen tien seconden op straat over onze stadsplattegrond gebogen staan, of we werden aangesproken: ‘Bonjour, êtes-vous perdu?’
En het bleef niet alleen bij voorbijgangers. In Parijs maakt het niet uit of je een publieke functie bekleedt (het trein-personeel), geacht wordt op andere dingen te letten (beveiligingsbeambtes) of onderdeel van de arm der wet bent (een knappe agent van de gendarmerie die met z’n maten op straat achter een van hun busjes z’n warmhoud-Chinees op een plastic bordje stond te scheppen, aarzelde niet te vragen: ‘Voulez-vous manger avec nous?’ nadat we hem bon appetit gewenst hadden). Dat wij al deze aandacht gemist hadden toen we Parijs met onze mannen bezochten was een reden om ons af te vragen of de Franse mannen zoveel respect hadden voor een man met ‘zijn’ vrouw, of dat ze gewoon bang waren voor onze beren van kerels. Waarschijnlijk zal het iets te maken hebben met de schijn van beschikbaarheid, maar gaandeweg kwamen we erachter dat dit niet alleen voor de Franse mannen geldde, kennelijk heeft Parijs deze uitwerking op mannen in het algemeen. Op weg naar de camping kwamen we bijvoorbeeld een groepje Australische jongens tegen. Ze smeekten ons bijna met hen mee te gaan voor een drankje, want kennelijk kun je niet kamperen als je een blond meisje in een jurkje bent. Ondanks dat het een verademing was eindelijk eens iemand te treffen die normaal Engels sprak, moesten we echt vertrekken wegens onbekende vertrektijden van de bus die het laatste stukje treinreis moest vervangen na een treinongeluk bij ‘ons’ station.
Om half twaalf kwamen we aan op Gare de Juvisy, en wachtten geduldig op de ons aangewezen plek op de bus. Na een minuut of tien kwam er een jongen langs ons heen slenteren. ‘Bonjour, ça va?’ Of we Frans waren. Nee, antwoordde M., Nederlands. Hij bleek Georgisch. Wij vonden dit wel genoeg conversatie, dus toen hij bleef staan probeerden we koortsachtig zo veel mogelijk in het Nederlands tegen elkaar ratelen, maar dat schrikte hem niet af. Midden in een zin vroeg hij M. ‘What’s your name?’ Zuchtend en ogenrollend antwoordde ze ‘You really don’t have to know.’ Dit leek ons wel een heel duidelijke hint, maar nog steeds was hij nog niet klaar. ‘Ah, your name is you don’t have a name!’ lachte hij triomfantelijk. Of we in het dorp waar we heen gingen woonden, nee we woonden in Nederland (weet je nog). Ineens viel het kwartje. ‘Ah, Amsterdam! You smoke pot? I smoke it every day!’ Was dat ook weer opgehelderd.
Toen om tien voor twaalf duidelijk werd dat de bus pas om één uur zou gaan, hebben wij al scheldend op die Fransen met het logistieke inzicht van een aap een taxi gezocht, onderwijl de NS lofzingende. De opdringerige, wiet rokende Georg wilden we liever niet nog een uur om ons heen hebben hangen.
Hoe doen al die Franse vrouwen dat toch? Volgens de in Parijs wonende schrijfster Debra Ollivier, hebben zij helemaal geen problemen met dit schaamteloze geflirt. De reden? Zij weten dat mannen mannen zijn en accepteren dat. Tot op zekere hoogte is dat een uitstekende methode. De Nederlandse vrouw is maar al te gauw op haar teentjes getrapt als er een bouwvakker naar haar fluit, maar waarom ziet ze dat niet als een compliment? Vrolijk teruglachen en doorgaan. Australische jongens in Parijs die je met een sexy accent toevertrouwen dat je er veel te goed uitziet om te gaan kamperen, zijn gewoon goed voor je zelfvertrouwen. Maar als je een wiet rokend, Georgisch exemplaar tegenkomt dat een alles-behalve-subtiele hint niet kan herkennen wanneer hij er een tegenkomt, dan vlucht je naar een taxi.
I wanna see you work it
De laatste tijd vond ik het weer verschrikkelijk zwaar om mijn twee-maal-wekelijkse gang naar de sportschool te maken. Afstudeerstress en verjaardagsfeestjes gooiden roet in het eten, en al heb ik tussendoor netjes een paar keer hardgelopen, de sportschool had ik al een paar weken niet meer vanbinnen gezien. Het werd dus weer eens tijd. Samen met vriendin J. (sinds ik in de ‘O jee, wat nou’-rubriek van de Tina dit soort vriendinnen-afkortingen tegenkwam, in de trant van ‘help-mijn-hartsvriendin-S.-fietst-met-de jongen-waar-ik-verliefd-op-ben-naar-de-hockey’ heb ik altijd al eens zo’n afkorting willen gebruiken) besloten we weer rustig te beginnen, en gaven ons op voor een lesje Pilates. Heel Hollywood doet het, dus moeten wij het ook kunnen. Normaal gesproken laten we ons een uur lang afbeulen bij Bodyshape door Charlotte, die een voorliefde heeft voor foute top-40 nummers, het liefst de verkeerde teksten meeblèrt (want zingen kun je het echt niet noemen) en als een van de weinige sportinstructeurs je niet irriteert met haar veel te vrolijke aanmoedigingen: ‘Kom op! Voel je het al, lekker verzureeeeeeeeh! Denk aan die bikini!’ De sumo-squats en tricep-dips komen je de oren uit, maar je voelt je na dat uur wel fantastisch. Een uurtje rekken en strekken op een matje met serene muziek moesten we dus wel aankunnen, dachten wij. Waar we bij de Bodyshape binnen komen huppelen op ‘I got the moves like Jagger’, hangt er in de Pilateszaal een kalme stilte. De deelnemers zitten al op de grond, met blote voeten op een matje en praten zachtjes met elkaar, of rekken zich alvast wat op ‘om lekker warm te worden’ (dat is ook wel nodig, aangezien de airco nog op de Zumba-stand staat van het uur daarvoor). J. en ik installeren ons ook op een matje, maar houden toch nog even onze sokken aan. Het geheel oogt heel wat minder glamourous dan ik me Jennifer Aniston met haar persoonlijke Pilates-instructeur voorstel en ik gok dat een gedeelte daarvan te maken heeft met dat we hier gewoon pie-laat-us zeggen in plaats van pih-lah-tieees, en in plaats van mocha lattes na de les zitten wij opgescheept met een koffieautomaat waar een soort modderig poederwater uitkomt. Maar we doen het natuurlijk niet voor de glamour, dus we beginnen vol goede moed aan de warming up. Houding 1: zak lichtjes door je knieën, leg je handen op je bovenbenen en draai je heupen los. Als je het zelf even probeert snap je misschien dat het nu al moeilijk was om serieus te blijven. Toen dit gevolgd werd door een soort karatehouding waarbij ons werd opgedragen met een denkbeeldige bal tussen je handen te spelen, kreeg ik meteen een denkbeeldige bal van J. in m’n neus, nadat ze ermee op mijn teen had gestuiterd. De sfeer zat er dus goed in, maar omdat ik zoveel geconcentreerde gezichten om me heen zag nam ik me voor om niet meer naar J. te kijken, zodat ik mijn lachen in kon houden en de innerlijke rust van de andere deelnemers intact kon blijven. Een tijdje ging dat goed, er werd zowaar echt wel wat van mijn spieren gevraagd (hoewel in zeer vreemde houdingen) en juist toen ik mijn concentratie weer had gevonden, hoorde ik op de achtergrond een veel te glad jazzdeuntje. Terwijl ik in een vogelnesthouding met mijn benen in de lucht lag te spartelen, bedacht ik me dat dit toch een stuk beter klonk dan die Chinese panfluitmuziek. Tot ik de ‘lyrics’ opmerkte. Tussen de saxofoon en de bas door fluisterden een paar dames met een zwoele, hese stem ‘sssseeeeexxx’. Het was de enige tekst die in het lied voorkwam, en zo subtiel gefluisterd dat ik me afvroeg of het niet een of andere duistere propagandaboodschap was tegen de vergrijzing, die zich nu in ons onderbewustzijn moest nestelen om ervoor te zorgen dat we massaal nageslacht gingen produceren. Toen ik bijna net zo zwoel en hees met knipperende wimpers J. ook ‘ssssseeeeexxx’ had toegefluisterd was het definitief gedaan met de rust en concentratie, maar dit keer waren we niet de enige. Terwijl we allemaal op onze rug lagen en onze knieën in de lucht vasthielden, begon één van de twee zussen naast mij tegen de ander te giechelen: ‘Je kan zo aan ’t spit, je lijkt net zo’n gevulde kip in deze houding!’ Tijdens de eindontspanning deden we allemaal braaf heel hard ons best onze oogbollen en knieschijven te ontspannen, maar ik kan nooit meer serieus een hele Pilates-les volgen. Volgende week weer Bodyshapen op foute top-40 muziek. Alhoewel, ik begin verdorie toch m’n spieren te voelen…
Gisteravond had ik het voorrecht een fantastisch concert van Hugh Laurie mee te maken in het Concertgebouw. Hij verzuchtte menigmaal: 'Yes, this is a very old song, again', maar dat maakte voor mij de pret alleen maar groter. Uit nieuwsgierigheid ging ik eens op zoek naar wat originele opnames van deze 'very old songs' en zo kwam ik bij het originele 'Didn't it rain', waar Hugh zijn tweede album naar vernoemd heeft. Deze vrouw, the original soul sister, is een held! En het schaamrood stond me op de kaken toen ik moest toegeven dat ik nog nooit van haar gehoord had.
Sister Rosetta Tharpe, ik hoop dat ik het zo een beetje goed kan maken.
p.s. Voor Hugh's versie met twee fantastische dames die een strot van hier tot Tokio hebben en een werkelijk ge-wel-di-ge tromboniste (al was het alleen maar omdat ze zo leuk is om naar te kijken): klik hier!
Ik zit nog even in mijn afstudeerbubbel dus ik heb helaas niet zoveel tijd om blogs te schrijven. Zo snel mogelijk weer wat nieuws!
Schoddeldouk
Ik woonde in Vinkhuizen. Voor Groningse begrippen een vreselijk eind fietsen vanaf het centrum, krap vijftien minuten. In deze uithoek zat ik weggestopt in mijn heerlijk ruime en goedkope woningcoörporatie-flat, mijn medebewoners waren voor het grootste gedeelte bejaarden. Een paar straten verderop stonden de beruchte Aquamarijnflats, waar het stikt van de verenigingshuizen, waar je uitzicht de slaapkamer van je achterbuurman is en waar ze op Funda onder de slogan ‘Een paleis voor elke prijs’ je zelfs tweeduizend euro Ikea shoptegoed tóe geven als je er een appartement koopt. Het moge duidelijk zijn dat ik in de betere regionen van Vinkhuizen bivakeerde.
Groningen is er trots op dat student en stadjer vreedzaam samenleven, en ik was daar het schoolvoorbeeld van. Mijn buren zorgden nooit voor geluidsoverlast, ik had keuze uit vier liften om mij naar de negende verdieping te brengen, af en toe kreeg ik een ingevroren Surinaamse specialiteit van mijn amper 1,40 meter lange berging-buurvrouw in mijn handen gedrukt (alsof ze wist dat ik nog maar €6,81 had om twee weken van te eten) en het ontspannen, nooit haastige geschuifel achter een rollator werkte rustgevend in tijden van tentamenstress.
Bij mij om de hoek was een groot wijkcentrum met een basisschool, een bibliotheek, en een gymzaal waar je terecht kon voor judoles en zwangerschapsgym en alles daar tussenin. Geregeld vond ik ook een flyer in mijn brievenbus met een uitnodiging voor een bingoavond of een naaicursus in het buurthuis. Als ik vanaf mijn balkon naar beneden keek zag ik een prachtig groen parkje met schelpenpaadjes, slootjes en een heuse heuvel (vrij zeldzaam in Groningen, en mijn grootste uitdaging als ik in een vlaag van verstandsverbijstering besloot een rondje te gaan hardlopen op mijn All Stars). Ik vond het fantastisch in Vinkhuizen.
Het enige nadeel aan mijn medebewoners op leeftijd was dat ze onvervalst Grunnegs spraken. Ik ben helemaal niet opgegroeid met een dialect en mijn kennis van het Gronings was nog beneden het nulpunt. Ter illustratie, toen mijn Braziliaanse medestudent mij op Hyves (!) een berichtje stuurde met als aanhef: ‘Moi!’, dacht ik: dat zal wel Portugees zijn. Gelukkig is mijn schoonmoeder opgegroeid in Hoogkerk (dat ik bij helder weer vanuit mijn flat kon zien liggen) en heb ik van haar wat nuttige tips gekregen. Als ik er echt niets meer van kon maken, mompelde ik maar: ‘Komt wel goud ja.’ Maar het mooiste Groningse woord dat ik van haar geleerd heb, heb ik helaas nog nooit in conversatie kunnen gebruiken. Er had zich nog geen gelegenheid voorgedaan om het tegen mijn buren te zeggen en als ik het in mijn dagelijks leven zou gebruiken zou ik raar aangekeken worden. ‘Schöddeldouk’. Alleen Groningers kunnen zo’n prachtig woord verzinnen voor zoiets eenvoudigs als een doodnormale vaatdoek.
Toen ik na anderhalf jaar in Vinkhuizen verhuisde naar de Oosterpoortbuurt moest ik wel even wennen. Het percentage studenten lag hier heel wat hoger, en als ik in de zomer mijn raam open had, hoorde ik mijn buurmeisje links op zeer gepassioneerde wijze een Whitney Houston-ballad vertolken, terwijl de buurvrouw rechts met haar ogen dicht in de zon naar een zelfhulpboek lag te luisteren (‘Denk in elke situatie: ik kies ervoor om een goed gevoel over mezelf te hebben. Ik ben geliefd en word geaccepteerd precies zoals ik ben’). Ik heb mijn bejaarden ingeruild voor het voorrecht op loopafstand van het station, centrum én de universiteit te wonen. De prijs die ik daarvoor betaal is dat ik waarschijnlijk nooit meer de kans krijg om het woord ‘schöddeldouk’ te gebruiken.
Geschreven bij het thema ‘Wonen in Groningen’.
When life gives you lemonade, make lemons. Life will be all like: Whaaat?!
Phil Dunphy, Modern Family
Mensch, durf te leven!
bur·ger·lijk (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1. eenvoudig als burger; (ook minachtend) kleingeestig, bekrompen; 2. de burger betreffend; 3. door en voor staatsburgers; 4. niet-militair; 5. niet-kerkelijk.
‘Nee, ik wil echt niet zo’n burgertrut worden die boodschappenlijstjes maakt op de volgorde van de winkelpaden, met manlief in de degelijke stationwagon naar de meubelboulevard gaat en ’s avonds in haar pyjama haar soap volgt terwijl ze boxers strijkt en daarna lekker op tijd naar bed gaat.’
Burgerlijk. Het is bijna een vies woord geworden. Maar voor wat precies? Uit ‘onderzoek’ van de Viva bleek dat 68% van de vrouwen het dragen van dezelfde jas of trui als je man als burgerlijk bestempelt. Hier kan ik helemaal inkomen. Ik woon zes hoog met uitzicht op het Zwarte Water. En langs het Zwarte Water loopt aan beide kanten een dijk, een ideale fietsroute voor een mooi tochtje bij zonnig weer. Deze zondagmiddagfietsers zijn van grote afstand te herkennen: ze fietsen achter elkaar aan (want die dijkpaadjes zijn veel te smal om naast elkaar te fietsen, en als je al zoveel jaar getrouwd bent, heb je toch niet meer zoveel gespreksstof) op dezelfde fiets (met als enige verschil dat de damesfiets geen stang heeft en fietstassen in plaats van zo’n handig tasje dat onderaan je zadel bungelt) en dezelfde Gaastra jas (met als enige verschil … eeeh … niks). Gelet op de Van Dale omschrijving zou ik het niet direct burgerlijk noemen (alhoewel niet-militair waarschijnlijk voor al deze personen wel op zal gaan), maar dit was wel herkenbaar. Een Tupperwareparty wordt met 48% van de vrouwelijke stemmen als tweede kenmerk van burgerlijkheid genoemd. Aangezien onder mijn vriendinnen die term (vooral voorzien van aanhalingstekens) een heel andere betekenis heeft, die in geen geval ook maar met burgerlijkheid geassocieerd kan worden, sla ik die over. Een dagje meubelboulevard krijgt met 39% een derde plaats. Eigenlijk snap ik dit niet helemaal, de meubelboulevard zou juist als het toppunt van mannelijke efficiëntie moeten worden gezien. Ik bedoel, alle beschikbare meubels op een plek betekent toch dat je het hele decoratiedrama in een middag af kunt handelen? Wie wil dat nou niet?
Iedereen heeft wel een beeld bij burgerlijkheid, maar wat ik me afvraag is waarom mensen er zo bang voor zijn. Niemand wil graag als burgerlijk bestempeld worden en iedereen doet dan ook zijn uiterste best om dat label niet te krijgen. Burgerlijk zijn is saai, burgerlijke mensen doen nooit iets nieuws en hobbelen gewoon door in hun routine. We moeten uit de sleur, we moeten vernieuwend en origineel zijn. En het mooie daarvan is, dat die hippe, frisse, moderne initiatieven en uitingen op hun beurt weer burgerlijk zijn geworden. Nee, niet van hetzelfde soort als de Gaastra-jas, dit is nieuwerwetse burgerlijkheid. Hippe moeders die op Uggs (volgens 23% van de Viva-vrouwen) hun kinderen naar school brengen met de bakfiets (28%) en daarna met vriendinnen een glaasje prosecco drinken op het terras (19%). Burgerlijk, burgerlijk, burgerlijk, bah.
Nu het opnieuw uitvinden van de burgerlijkheid niet gewerkt heeft (misschien omdat alle Viva-lezeressen in Oud Zuid lijken te wonen?), blijft de mensheid op zoek naar nieuwe manieren om vooral niet burgerlijk te zijn. Maar als zelfs wijn drinken met vriendinnen al burgerlijk is, moet je je daarvoor wel in heel rare bochten wringen. Gelukkig weet de vrouwelijke cabaretière (leve de emancipatie!) Yora Rienstra de burgerlijkheid op de hak te nemen in haar voorstelling die van de Trouw-recensente vier van de vijf sterren krijgt. Yora laat volgens haar merken waar ze staat: bang voor burgerlijkheid en midden in een dertigercrisis. ‘Zoals zij op een vleugel kan hangen, met haar teen in een glaasje water en haar hoofd ondersteund door een pump, heel grappig’, luidde de recensie. Mijn mond viel open. Niet liefde maakt blind, nee het is angst. We zijn zo bang voor burgerlijkheid dat we letterlijk alles aangrijpen om ons ervan af te leiden.
Die angst is van alle tijden. Dat zong Dirk Witte ons in 1917 al toe (en Ramses Shaffy in 1967 en Wende in 2008 en nog wel een paar meer). Volg niet zomaar de meute die zegt wat je moet doen, maar geniet van alles en vraag je niet teveel af wat andere mensen daar van vinden. Wees dus niet te burgerlijk. Of … trek het je niet aan dat de mensen je burgerlijk vinden. Als jij het heerlijk vindt om op maandagochtend een overzicht te maken van wat je deze week gaat eten gebaseerd op de supermarktaanbiedingen, je dekbedovertrek te strijken, de T-shirts van je man op kleur te sorteren of graag drie kinderen wilt voor je dertigste, doe dat dan gewoon! Mensch, durf te leven!
De menschen - ze schrijven je leefregels voor, Ze geven je raad, en roepen in koor: Zoo moet je leven! Met die mag je omgaan, maar die is te min. Met die moet je trouwen, - al heb je geen zin. En daar moet je wonen, dat eischt je fatsoen - En je wordt genegeerd als je ‘t anders zou doen, Alsof je iets ergs had misdreven, Mensch, is dat leven?
Het leven is heerlijk, het leven is mooi. Maar - vlieg uit in de lucht, en kruip niet in een kooi! Mensch! durf te leven! Je kop in de hoogte, je neus in de wind, En lap aan je laars hoe een ander het vindt! Hou een hart vol warmte en van liefde in je borst, Maar wees op je vierkante meter een Vorst! Wat je zoekt kan geen ander je geven! Mensch, durf te leven!
Dirk Witte - Mensch, durf te leven! (Klik hier voor een opname uit 1919)
Vandaag stuitte ik zomaar op Gabrielle Aplin: slechts 20 lentes jong, al 3 EP's vol lieve, mooie liedjes op haar naam, schrijft haar eigen nummers, speelt een aardig riedeltje gitaar én piano, en ziet er nog heel schattig uit ook. Daarnaast levert ze ook nog eens erg fijne videootjes af, dus ga ook zeker even de rest kijken (en luisteren)! (Klik hier voor Panic Cord, Please don't say you love me of de cover The Power of Love, wat ik normaal gesproken een enorm zeiknummer vind.) Haar debuutalbum 'English Rain' is vandaag uit. Nu al verkrijgbaar via iTunes, voor een fysiek exemplaar moet je nog heel even geduld hebben.
Zelf zien? 10 juni staat ze in Paradiso en 11 juni in De Effenaar.
De improductieve uitsteller
Vandaag is scriptiedag. Om half 9 zwaai ik m’n wederhelft uit, zet een pot koffie en installeer mijn laptop en fuchsiaroze multomap met aantekeningen en artikelen op de eettafel. Vol goede moed open ik mijn worddocument en staar naar de zeer ruwe kladversie van wat binnen afzienbare tijd uit moet groeien tot een scriptie. Ik neem een slok koffie, blader wat door m’n aantekeningen en probeer te bedenken waar ik zal beginnen. Vijf over half negen. Tijd zat dus om nog even Facebook te checken.
Twintig minuten later weet ik hoe laat mijn klasgenootjes van de basisschool vandaag aan het werk moeten, heb ik drie cartoons geliked, gereageerd op een fantastische winactie van een obscure webshop en minstens twee keer geprobeerd me niet te storen aan d/t-fouten. Ik schenk mezelf een tweede kop koffie in en haal m’n document weer tevoorschijn. Ik typ een paar regels onder een nog op zichzelfstaand kopje, lees ze terug en verwijder ze weer. Trouwens, zou de nieuwe aflevering van Grey’s Anatomy al online staan? 45 minuutjes kunnen er wel af en als ik dan intussen de was vouw, doe ik nog iets nuttigs ook.
Half elf. Als je ‘t goed bekijkt heb ik nog weinig nuttigs gedaan vandaag, maar gelukkig is de ochtend nog niet half voorbij. Ik surf naar Google Scholar en zoek een aantal artikelen uit de literatuurlijst van mijn boek. Een tijdje ben ik zeer geconcentreerd in de weer met markeerstiften en gekleurde stickers, alleen om erachter te komen dat deze artikelen toch niet zo bruikbaar waren als ik had afgeleid uit de samenvatting. Ook op Facebook is intussen niets interessants te vinden en het stemt mij droevig dat de mensheid kennelijk zo weinig ondernemend is.
Na de lunch veeg ik mijn kruimels per ongeluk expres op de grond en haal gelijk maar even de stofzuiger door het huis. Ik gun mezelf een kwartiertje om de krant te lezen (heel belangrijk als aankomend journalistiekstudent) en slenter uiteindelijk weer terug naar m’n laptop. Iedere keer dat ik door mijn documenten scroll, hoop ik op een soort magische inspiratie, maar tot nu toe is die hoop nog niet bewaarheid. Ik print nog een artikel uit en probeer al lezend uit te vinden hoe ik me door zo weinig mogelijk statistiek hoef te worstelen om toch nog zo veel mogelijk van het onderzoek te begrijpen. Als ik nog eens een artikel en twee koppen thee verder ben, besluit ik dat ik maar gewoon eens wat moet gaan schrijven. Als je niks schrijft, kun je namelijk ook niks schrappen of verbeteren.
Het loopt inmiddels tegen drieën, maar er is iets in werking gezet. Ik ben maar begonnen aan een uiteenzetting van de bestaande literatuur, een samenhangend overzicht van wat ik weet over het onderwerp, wat voor onderzoek er de laatste tijd aan gewijd is en wat de stand van zaken is op dat gebied. De regels rollen tevoorschijn maar tegelijkertijd bekruipt me het gevoel dat ik alles uit mijn duim zuig. Totdat ik me bedenk dat ik alles wat ik opschrijf gewoon wéét. Mijn uitstelgedrag en schijnbare improductiviteit hebben toch een doel gediend. Alles wat ik tegen ben gekomen in mijn informatiezoektocht in boeken en op internet (waar ik per ongeluk ook vaak langs Facebook en nu.nl kwam) heeft zich toch ergens in mij genesteld, en nu komt het eruit. Ik maak er dankbaar gebruik van.
’s Avonds plof ik tevreden met mijn welverdiende wijntje op de bank. Ik heb ook zo hard gewerkt vandaag.
Binnenkort weer een nieuwe blog! Tot die tijd deze Western Union messenger girls om naar te kijken.
If you want to get warm, you must stand near the fire. If you want joy, peace, eternal life, you must get close to the thing that has them.
C.S. Lewis
Queen of the Supermarket
Als echte Hollanders hebben wij thuis een boodschappenbudget. In de meer Bourgondische streken zal je daar waarschijnlijk niet mee aan moeten komen, maar hier in het Noorden proberen we liever nog een beetje te sparen dan dat we elke dag biefstuk eten. De afgelopen maand was alleen iets langer dan dat budget en dus gingen wij de uitdaging aan om de resterende dagen van de maand (drie stuks) redelijk normale maaltijden bij elkaar te zoeken met enkel de inhoud van onze vriezer en voorraadkast. Ik moet eerlijk zeggen dat we een beetje vals hebben gespeeld aangezien we op Koning- en Koninginnedag met vrienden gezellig in de stad hebben gegeten, maar omdat dat uit een ander potje komt heb ik maar een oogje toegeknepen. De eerste dag van de nieuwe maand mocht ik dus eindelijk weer boodschappen doen. En anders dan sommige mensen, vind ik dat helemaal geen straf. Nadat ik mijn bevredigende gang langs alle verschillende winkels had gemaakt en mijn karretje inmiddels vol zat met niet te versmaden bonusaanbiedingen, ging ik pas denken aan de terugtocht. Toen ik zag op welke fiets ik ook alweer was gekomen, zonk de moed me een beetje in de schoenen. Met mijn eigen fiets (lekker degelijk mandje voorop, snelbinders en een stuur dat wel gemaakt lijkt om er enorme tassen aan te hangen) krijg ik altijd stapels boodschappen in één keer zonder al te veel problemen mee. Maar wat ik in mijn enthousiasme even was vergeten, was dat ik op een herenfiets was omdat ik zelf een lekke band had. Van mijn drie tassen keek ik heen en weer naar de fiets. Geen mandje, en omdat ik m’n been over de bagagedrager heen moest zwaaien om op het zadel te komen, was ook die onbruikbaar. Dan maar één tas aan de arm, en twee aan het stuur. En daar ging ik. Ik kwam welgeteld tweehonderd meter ver. Inclusief rotonde, dat dan weer wel. De grootste tas aan mijn stuur, tevens de zwaarste, kwam zo laag dat ik iedere keer dat ik mijn trapper weer ronddraaide met mijn voet tegen die tas trapte. Die zware tas ging daar op zijn beurt weer enorm van slingeren, wat funest was voor mijn evenwicht. Daar was het met een redelijk zware tas aan de arm én op een herenfiets namelijk al niet heel best mee gesteld. Na m’n voet bijna aan het achterlicht te haken waardoor ik ongeveer met fiets en al op straat lag, lukte het me om af te stappen. Ik begon dat lekkere zonnetje al een beetje te verfoeien toen ik voelde hoe het zweet me uitbrak bij het vooruitzicht dat ik dit enorme gewicht aan de hand mee naar huis zou moeten slepen. Totdat ik opeens een fiets hoorde afremmen en een man aan mij vroeg: ‘Gaat het wel?’ Ik probeerde stoer te murmelen dat het me best ging lukken en dat ik anders altijd nog kon gaan lopen. Hij keek bedenkelijk en vroeg tenslotte waar ik woonde. ‘Ach, ik fiets wel even met je mee. Geef mij die grote tas maar.’ Ik probeerde nog beleefd tegen te stribbelen, maar in mijn hoofd hoorde ik het halleluja-koor al. Hij zwiepte mijn tas op zijn bagagedrager alsof het niks was, en vrolijk kletsend over zijn studententijd (toevallig ook in Groningen) fietsten we naar mijn huis. Nadat hij me voor de deur achterliet met mijn tassen bedankte ik hem uitvoerig. ‘Niet meer doen hè!’ riep hij nog semi-berispend over zijn schouder, waarop ik braaf antwoordde: ‘Ik zou niet meer durven!’ Beste meneer, als u dit ooit nog eens leest: U hebt bewezen dat er nog zoiets als hoffelijkheid bestaat en dat heeft mijn hele dag weer goed gemaakt. Nu ga ik fietstassen kopen.
Recept - Pasta met geitenkaas
Het wordt tijd dat ik me eraan waag: mijn allereerste recept. Ik ben geen chef-kok, dus hier geen ingewikkelde, culinaire hoogstandjes, alleen persoonlijke favorieten. Makkelijk te maken, moeilijk te laten mislukken. Deze pasta met een saus van geitenkaas is heerlijk en lijkt heel luxe, maar stiekem valt dat best mee. Het allermooiste vind ik nog wel dat je alle ingrediënten gewoon bij de Lidl kunt kopen, en je (als je zelf een pot honing en een beetje basilicum en knoflook in huis hebt) slechts €1,60 per persoon kwijt bent. Succes, en eet smakelijk!
Ingrediënten en prijs voor 4 personen
3 teentjes knoflook (ongeveer €0,89 voor 3 bollen)
350 gram penne (€0,59 voor 500 gram)
1 flesje (250 ml) kookroom (€0,59)
175 gram zachte geitenkaas zonder korst (€2,19 voor 200 gram)
150 gram rauwe ham (€1,59)
250 gram champignons (€0,79)
10 halve zongedroogde tomaten op olie (€1,29 per potje)
1 eetlepel honing (€2,39 per fles)
3 eetlepels fijngehakte basilicum (€0,99 voor een heel plantje)
Eventueel zout, peper en Italiaanse kruiden naar smaak
Scheutje olijfolie
Bereiding
Pel de teentjes knoflook en laat ze in de kookroom op laag vuur tien minuten trekken.
Snijd intussen de ham en tomaten in reepjes en de champignons in plakjes.
Als de tien minuten om zijn haal je de knoflookteentjes uit de saus (die kun je weggooien) en voeg je de honing, basilicum en geitenkaas toe. De kaas moet je goed met je handen verbrokkelen, dan smelt het beter door de saus heen (en ja, dat plakt verschrikkelijk).
Kook intussen de penne beetgaar, en bak de champignons even aan in een beetje olijfolie.
Als de saus glad is, kun je de tomaatjes, ham en champignons toevoegen. Laat het nog even op laag vuur staan zodat de smaken goed mengen.
Meng de saus door de penne.
In principe kun je het zo eten, maar als je wilt kun je het mengsel nog overdoen in een schaal, bestrooien met geraspte (Parmezaanse) kaas en tien minuten op 200 graden in de oven zetten zodat er een mooi korstje op komt. Serveer eventueel met een beetje rucola.
Swedish House Mafia
Een dagje IKEA. De vrouw kan er geen genoeg van krijgen, terwijl de man het als een noodzakelijk kwaad ziet en het bezoek ervan angstvallig tot een minimum probeert te beperken. Wanneer zij haar vent eindelijk zover heeft gekregen dat hij mee gaat, wenst ze na een kwartier al dat ze alleen was gegaan, of met haar moeder. Met het meest ongeïnteresseerde gezicht dat hij maar op kan zetten, racet hij met de kar door de winkel. Kennelijk is hij in de veronderstelling dat als hij maar hard genoeg gaat, zij zich wel aan zijn tempo zal aanpassen en deze kwelling zo snel mogelijk voorbij zal zijn. Daarom zucht hij ook zo diep als zij bij een salontafel staat en hij honderd meter terug moet lopen om zijn mening erover met haar te delen. Áls hij al komt, en niet gewoon koppig blijft staan. En wanneer zij net bedacht heeft hoeveel planken ze nodig zou hebben voor haar schoenen als ze ooit nog zo'n immens grote kledingkast met laatjes, roedes, vakjes en automatische lampjes zou aanschaffen, en hem vraagt of hij het witte of het berkenhouten schuifpaneel het mooist vindt, is het enige wat hij kan antwoorden: 'Weet ik veel. We gaan toch geen kast kopen.'
Op de kinderafdeling is het iedere keer weer kantje boord. Hij wil al bijna de korte weg nemen zodat deze beker aan hem voorbij kan gaan, maar zij wil daar niks van weten. Terwijl zij hem met veel ge-ooh en -aah onder de felgekleurde poort door het Kinderland intrekt om hem te laten zien hoe schattig al die minuscule meubeltjes wel niet zijn, krijgt hij lichtelijk hoofdpijn van de overvloed aan pasteltinten en de confrontatie met de hoeveelheid spullen die hij zou moeten kopen mocht het ooit zover komen. Zij houdt vol dat ze alleen over de kinderafdeling wil om een van die lieve, zachte knuffeltjes uit te zoeken voor haar kleine neefje, maar let intussen stiekem op zijn reactie bij het zien van al die bedjes, speelkeukentjes, krijtborden, nachtlampjes en krokodillenknuffels … Hij krijgt langzaam maar zeker een grauwe kleur, en zij besluit de route te vervolgen voor hij flauwvalt.
Alhoewel hij behoorlijk verzwakt is, betekent dit niet dat zij hem zover heeft gekregen dat hij de rest van de route zich als een mak schaap op haar tempo laat meevoeren. ‘We hebben toch al twee dekbedovertrekken? Heb je nog niet genoeg kaarsen? We hebben toch helemaal geen nieuwe boekenkast nodig? Wat wil je in vredesnaam met al die placemats gaan doen?’ Ook voor de mensen van IKEA is het geen geheim dat de meeste mannen niet van winkelen houden. En daarom hebben de Zweden iets heel slims bedacht. Halverwege de lijdensweg is daar het restaurant. Een rustpunt in de chaos. Een oase in een droge woestijn. Een eiland in een woelige zee. Hier is gratis koffie. En Zweedse gehaktballetjes, zoveel als je maar eten kunt. Dit is de enige plek in deze geel-blauwe blokkendoos waar de man zich een man kan voelen (met uitzondering van de parkeergarage, waar hij de zware en veel te grote pakketten in de auto mag stouwen, helemaal alleen). Hier kan hij vlees eten en koffie drinken. Veel vlees en veel koffie. En het beste is nog dat het bijna niets kost. Hij voelt zijn krachten langzaam weer terugkomen in zijn lichaam en hij krijgt weer wat kleur op z’n wangen. En dat is hard nodig, want hij weet wat er nog komen gaat.
De kassa. Hij weet dat al die keren dat zij om zijn mening vroeg niet de ware reden was dat hij de uitverkorene was die haar mocht vergezellen. Hij heeft slechts twee taken te vervullen. Afrekenen en inladen. Hij houdt zich groot en probeert niet naar de bedragen te kijken die voorbij floepen op het schermpje. In blinde paniek trekt hij zijn pinpas door de automaat terwijl zij troostend haar hand op zijn rug legt. Het enige positieve hieraan is dat hij weet dat zijn taak erop zit. Het is volbracht.
De gouden tip voor het overleven van de IKEA heeft hij te danken aan de Engelstaligen, die daar een prachtige uitdrukking voor hebben. Check your balls at the door. Laat je mannelijkheid achter bij de deur, want als je er in een omgeving als deze aan vast blijft houden overleef je het niet.
Ik snap ineens die ballenbak bij de ingang.
Iedere overeenkomst tussen de personen en gebeurtenissen in dit stuk en de werkelijkheid berusten op louter toeval.