Het moestuinieren begon met het weg schoffelen van voor mij onbekende groene sprieten, om ruimte te maken voor bekende planten zoals courgette en tomaat. In het voorjaar waren het vooral kattenstaarten, winde en een verzameling zachte groene blaadjes die bij navraag bij mijn wandelende plantenencyclopedie vergeet-me-nietjes bleken te zijn. Het volgende schoffelmoment laat ik de laatste soort staan en ben ik blij de blauwe bloemetjes te ontdekken. Grassprieten en duizendblad trek ik nog altijd zonder pardon uit de aarde, en ik voel een vreemd soort trots als hij er met wortel en al uit komt. Met kattenstaarten lukt dit nooit, waardoor mijn wraak steeds groter wordt.
In de zomer verschijnt er opeens rau in de tuin, of Vietnamese koriander, en ik herken de plantjes alleen omdat we ze in bosjes hebben verkocht op de markt. Ze smaken nergens naar en ondanks dat ze een erg schattige bijnaam hebben, elvenvoetjes, ben ik niet coulant voor ze. Ze staan bijna overal, ik haal de meeste weg. Alleen omdat ik weet wat het is, laat ik er een paar staan. Op mijn hurken trek ik de weer opgekomen kattenstaarten uit de grond en ik kom af en toe een kleine dovenetel tegen. Ik denk aan de bijen die dol zijn op deze plant en laat het plantje met paarse bloemetjes staan.
Ik trek een andere onbekende plant uit de grond met bladeren die lijken op rond tomatenblad. Aan de wortel zit een knolletje. Een aardappel! Ik duw hem zo snel mogelijk de grond weer in. Het volgende moment dat ik weer in de tuin kom hangen de blaadjes slap en voel ik me een beetje schuldig, terwijl de andere planten die ik niet terug in de grond hebben gestopt, er uitgedroogd bij liggen.
Thuis besluit ik winde te googelen en ik sta versteld van de foto’s. Winde bloeit met prachtige blauwe, roze en paarse bloemen met een soort lichtgevende portaal in het midden van de bloem. Waarom vindt deze plant het toch zo fijn zich om alle andere planten heen te wikkelen? Kan hij dat niet bij ander onkruid doen in plaats van bij de aardbeien? Ik neem me voor de volgende keer een winde te laten staan met als argument dat alle planten in de tuin een functie hebben, en er niet zonder reden op zullen komen. Misschien vinden slakken juist deze planten lekker, of knagen insecten gretig aan de wortelen van andere planten. Dus laat ik er steeds meer staan, maar zorg ik er wel voor dat het niet de spuigaten uit loopt. Behalve de kattenstaarten, die hebben mijn respect nog niet verdiend.
Het begint met een wegomlegging, een bord dat een bepaalde richting op wijst, omdat het fietspad deels is afgesloten. De meeste fietspaden worden omringd door grasranden of weelderige bodembedekkers, geen enkele verkeersdeelnemer die het in zijn hoofd haalt de planten plat te rijden, behalve bij een eenmalige uitwijkende manoeuvre om een groter ongeluk te voorkomen.
Plantenongeluk
Tot er werkzaamheden uitgevoerd worden aan het fietspad. Leidingen worden verlegd, elektriciteitsdraden moeten onderhouden worden, er komt een hek en het fietspad wordt omgeleid via de autoweg. Achter het hek is het fietspad prima te bereiken, maar er staat een boom in de weg, wat de bocht te scherp maakt, en als er één schaap over de dam is… De klap van één overtreder is nog te overkomen voor de planten, maar als de tweede overtreder eenmaal heeft ontdekt dat zijn voorganger een prachtige doorgang voor hem heeft gecreëerd, gaan alle groene principes overboord.
Olifanten
Er gaan nieuwe wetten gelden: de weg van de minste weerstand, en de minste hoeken. We gaan ons gedragen als olifanten: wat er ook in de weg staat, een boom, een hek, een verkeersbord, we doen alsof we het niet zien. Het groen dat het omsingelt gaat plat. Niet voor niets heet het olifantenpaadje Trampelpfad in het Duits. Eerst worden de planten vertrapt en vormen ze een groene deken over de donkere aarde. Een aantal fietsers en voetgangers nemen nog netjes de oude, voorgestelde route. Ze zijn geen olifanten, of ze zijn olifanten die het groen nog een kans willen geven. Er zijn echter maar een paar olifanten nodig tot de grijze grond zichtbaar wordt en de planten in de aarde verdwijnen, zonder kans om terug te komen.
Kansen
Zodra de oude weg weer opengaat, herinnert het olifantenpaadje nog aan de werkzaamheden. Hier hebben ook fietsers huisgehouden, die nu weer het rechte pad kunnen volgen. Het olifantenpaadje blijft er kaal bij liggen, tenzij het opnieuw wordt aangeplant. En dat is wel nodig, want de olifanten zijn allang vertrokken, op weg naar hun eindbestemming.
Vorige artikel: De wonderlijke wereld in de composthoop
Al zolang ik me kan herinneren verdween het groente- en tuinafval bij ons thuis in ‘het oranje bakje’. Doordat het al zo lang in gebruik was, zou de geur van eierschalen en rot fruit nooit meer uit het bakje te boenen zijn. Als het bakje vol was, verdween de inhoud op de composthoop.
Het raadsel van de composthoop
Hoe het mogelijk was dat de compostbak nooit vol zat, vond ik verwonderlijk. Alle klokhuizen, bananenschillen, uienresten, tuinafval en kilo’s koffiedik werden verteerd door een onzichtbare leefwereld. Behalve de aardappelschillen, deze verdwenen in de GFT-bak. In de compostton was er in een uur waarschijnlijk meer gaande dan bij ons thuis in een hele dag. Doordat hij in de hoek van de tuin op de blote aarde stond, hadden wormen, duizendpoten, pissebedden en andere insecten genoeg kans om de hele inhoud te verteren. Onderin de compostbak zat een gat waar we de beste compost uit konden halen, zodra het tijd was om de tuin te bemesten. En dan kon het proces weer opnieuw beginnen.
Een compostbak op het balkon
In mijn eigen appartement zorg ik er altijd voor dat mijn afval goed gescheiden wordt. Toch verdwenen de bananenschillen en groenteresten nog altijd bij het restafval, samen met het blik. Een oranje bakje had ik wel, maar dat was meer gemak, want die inhoud verdween ook bij het restafval. Niet alleen had ik hierdoor meer afval, maar verdwenen er ook stapels voedingsstoffen voor de insecten die op mijn balkon naar een lekker hapje zochten. Met elke eierschil die in de bak verdween, hoorde ik weer een worm huilen. Dat moest anders. Ik knipte een gat uit de bodem van een zwarte emmer en begon met het creëren van mijn eigen bodemleven.
Geen enkele worm
De levende wereld in mijn composttonnetje van 10 liter ziet er iets anders uit dan de wereld aan krioelende kruipers die in de compostton van mijn ouders zat. Omdat ik op twee hoog woon, heeft geen enkele worm de kans de compostemmer te bereiken, tenzij hij (levend) uit de bek van een merel valt. Dus is mijn composthoop vooral gevuld met vliegeneieren, en dus maden. Erg divers is het leven in de compostton dus niet, maar de insecten die de bak bereiken, doen zeker hun werk. Na een jaar heb ik de bak omgekeerd, en kwam er een pikzwarte, compacte klont tevoorschijn, met hier en daar nog amper herkenbaar takafval. Ook zat de bak vol met krioelende witte diertjes, maar daar kon ik even omheen kijken. Daarnaast zag ik nog heel veel eierschalen, die duidelijk lange tijd nodig hebben om verteerd te worden. Ik was best trots op het resultaat, ook al hoefde ik er alleen maar regelmatig wat etensresten op te gooien.
De wonderlijke wereld in de composthoop
Wat een heerlijk idee om compost te maken, ook al zou je het bijna nooit gebruiken. Weg met plantenvoeding (dat overigens altijd in plastic verpakkingen komt); je hebt minder afval en het is een heerlijke lekkernij voor al het bodemleven. En dan te bedenken dat de temperatuur in een composthoop tot wel 70 graden Celsius kan oplopen. Kan mijn restafvalbak nu echt de deur uit?
Dit was niet een dag waar ik bijzonder naar uit keek. Ik voel me nog steeds een beginneling – wat ik ook ben – en kan de angst voor het maken van fouten niet helemaal van me afschuiven. Niet heel gek misschien, aangezien ik begin aan een hobby wat 29 andere mensen om me heen ook doen, en al veel langer. Toch trok ik erna met een trots gevoel de tuindeur achter me dicht.
Als ik binnenkom werp ik eerst een blik op een aantal moestuinen, ik passeer ongeveer 10 tuinen voordat ik mijn eigen tuintje bereik. Sommige zijn nog overwoekerd met onkruid, ook mijn buurtuin. Even schrik ik omdat ik denk dat het mijn eigen tuin is. Is het zó hard gegroeid? Hier was ik ook wel bang voor, dat ik een totaal onbehandelbare tuin zou aantreffen – ik denk graag in extremen, bij aankomst valt het dan altijd wel mee.
Andere tuinen staan er netter bij. Een andere tuindier staat zijn grond te bewateren: hij heeft 4 korte stokken in twee rijen neergezet. Niet heel permacultuur, hoor ik mezelf denken. In mijn eigen tuin staat de rabarber torenhoog. Ik tref minuscule rode toppen aan, het lijkt eerder een klontering van wratten dan een bloeiende rabarber. Bloeiende planten: funest voor de smaak van de eetbare delen, weet ik. De stelen zien er nog best eetbaar uit. Ik vraag het een tuinder die ook rabarber in zijn tuin heeft staan, niet bloeiend. Hij heeft geen idee of het de smaak aantast, gewoon maar proberen, is zijn advies en ik bedenk me dat dit mijn tuinmotto moet zijn: ‘gewoon maar proberen’.
Terwijl ik een aantal stengels van de rabarber snoei en wat bloeiende delen verwijder hoor ik de rabarber kreunen. Snoeien met deze temperaturen is ook geen goed idee, en binnen een paar uur zal de zon vol op de wonden terecht komen. Sorry rabarber, fouten maken mag, misschien kun je er wel tegen. Ik weet ook niet wat ik nog meer met je kan doen dan rabarbermoes maken, dus ik zal er niet te veel om treuren als je het niet meer doet. Aan de andere kant van de tuin heeft de citroenmelisse een compact bolletje van zichzelf gemaakt. Wat een frisse geur komt er vanaf! Ik knip een paar blaadjes af voor de thee.
Er zijn nog meer aardbeienplantjes opgekomen – ik krijg het vermoeden dat mijn voorganger een favoriete vrucht had. Zelf graaf ik ondiepe kuiltjes voor de Oost-Indische Kers, twee courgettezaailingen die al uit hun potjes groeien, daslook die al in bloei staat en zaailingen waarvan ik denk dat het vergeet-me-nietjes zijn. Maar aangezien ik niet met labels werk, is dat nog een verrassing. Ik zal het wel zien.
Bomen leer je kennen als dingen waar je in kunt klauteren. Hoe meer vertakkingen, hoe sterker de drang om naar het hoogste punt te klimmen. Ook zullen ze je verbazen, door hun stervormige bladeren die zich in de herfst op de bodem verzamelen, waar je stapels van kunt maken en in de lucht kunt gooien. Of waar je met veel geweld doorheen kunt schoppen terwijl de droge bladeren om je voeten heen ritselen.
Over de kracht van bomen kan ik me nog altijd verwonderen: vooral de ijver waarmee ze hun wortelen door het asfalt duwen waardoor er scheuren en kieren in het wegdek ontstaan. Op bepaalde plekken is na een aantal weken het gescheurde asfalt opgevuld met een donkere pasta, wat meer lijkt op slierten van rubber. Alles om de rubberen banden van de verkeersdeelnemers te beschermen en de boom in toom te houden. Als de takken te ver over de weg komen te hangen, worden ze gevraagd de andere kant op te groeien door een zogenaamde vormsnoei. Bomen zouden liever nooit naar de kapper gaan, maar ze hebben niets te zeggen over hun kapsel.
We planten bomen langs wegen omdat het mooi staat, omdat ze ons schaduw bieden en in de laatste plaats dan ook omdat we weten dat we niet zonder ze kunnen. We horen vogels in hoge bomen zingen en staan daar bijna nooit bij stil, tenzij het gekwetter zo uit de hand loopt, dat we omhoog kijken en misschien even lachen. De mooiste aanblik is de zwarte wolk die plotseling uit een boom tevoorschijn komt, heen en weer wiegt als een deinend zeeschip, en weer gaat liggen na de korte storm.
Ook in de tuin worden ze geplaatst voor schaduw, of juist weggehaald, omdat ze zorgen voor te veel schaduw. Mijn buurvrouw klaagde laatst over de schaduw van de bomen bij ons in de straat. Er staan twee bomen die bijna elk hoekje van mijn raam kruisen en in de zomer mij op mijn balkon voorzien van genoeg schaduw, maar soms moet daar zelfs nog een parasol bij. Voor mijn onderbuurvrouw kan het niet zonnig genoeg zijn, dus heeft ze zelfs de gemeente al gevraagd of er niet wat minder boom mag zijn. Ik beeld me in dat de bomen in onze straat er langer staan dan de huizen eromheen. Wat mij betreft mogen ze er ook nog even blijven staan.
Foto 1: vijgenboom in Malaga, Castillo de Gibralfaro
Foto 2: boom in Amsterdam
Ik hikte er al een aantal dagen tegenaan: het voorbereiden van de moestuin. Het voordeel van een vensterbankmoestuin is dat je je zaailingen alleen maar in een potje met aarde hoeft te stoppen, en dan gewoon kunt wachten. Na ongeveer tien dagen heb je dan resultaat. Starten met een moestuin is iets meer werk, ik wist niet hoe ik een stuk grond dat een koude winter heeft doorstaan, moest behandelen. Het enige wat ik wist is dat er compost op moest, anders zou er weinig groeien, wat ik ook in de grond zou stoppen.
Bewapend met een rubberen hamer, zodat ik in ieder geval de omheining van houten planken recht kon leggen, en ik in ieder geval iets gedaan zou hebben, vertrok ik naar de tuin. Er was niemand anders, maar een aantal tuintjes zagen al donker van de compost. De tuin naast mij zag groen van het onkruid en stond vol met dovenetels, de rest van het groen herkende ik niet. Ik wilde er ook niet te lang naar kijken, ik voelde de wanhoop al van de eigenaar die een halve dag nodig zou hebben om zijn grond onkruidvrij te maken.
In mijn eigen tuin viel mij als eerste de rabarberplant op. Ik sprong een gat in de lucht, er stond al iets! Ook al had ik hem niet zelf geplant, het voelde toch een beetje als een overwinning, of in ieder geval een goed begin. En een teken dat de grond die ik had nog voedzaam genoeg was. Tijdens het wieden van het onkruid kwam ik naast dovenetels nog een aantal andere onbekende planten tegen. Na wat raadpleging bij plantenkenners bleek dat mijn tuin vol stond met pimpernel, citroenmelisse, een aantal aardbeienplantjes en waarschijnlijk een framboos.
Om de ongewenste groene blaadjes weg te kunnen werken, haalde ik een schoffel door de aarde die als een lepel door de yoghurt zakte. De grond was zo soepel dat het eerder een zandbak leek. Tijdens het onkruid wieden kwamen er langwerpige kruipers naar boven: wormen! Wat een eeuwigheid geleden dat ik wormen zag. Er wipte ook een merel over de houten rand van de moestuin, en kwam brutaal dichtbij. Even later zag ik haar smikkelen van een worm die door mijn werkzaamheden aan de oppervlakte was geraakt.
Ik stortte twee zakken compost over de tuin en verdeelde dit over de aarde. Ik beeldde me in hoe mijn tuin er in de zomer bij zou staan: gigantische courgetteplanten, pittige Oost-Indische Kers, donkerrode aardbeien, zoete frambozen. Ik was blij met het resultaat: tien vierkante meter zwarte aarde, met op de hoeken wat verdwaalde planten. Kom maar op, zon.
Op een zomerse dag, waarop het net niet warm genoeg was om met een boek de hele dag onder de parasol te zitten, stuurde mijn moeder mij en mijn broer naar buiten. Grasmaaien, harken, onkruid wieden: koos maar een klusje, als het aan het einde van de dag maar gedaan was. Dus gingen we met veel protest de tuin in, weg van de boeken en de computer.
Klusjes voor groot en klein
Mijn moeder deed de ‘gevorderde’ klusjes. Dat waren tuinklusjes waarvan ik bang was dat wanneer ik het zou doen geen enkele plant het zou overleven. De buxus snoeien, planten verpotten, stekjes maken. Ik vond het bijzonder dat zij precies wist wanneer de wilg gesnoeid moest worden, waarom ze die uitgebloeide en verdorde knoppen van de hortensia nooit weghaalde, en ze die vlinderstruik toch zo mooi paars kreeg. Grasmaaien vond ik ook prima, maar daarna moest het gras nog opgeharkt worden, en de kantjes geknipt. Dat duurde me allemaal veel te lang.
Onkruid wieden
Dus koos ik er wel eens voor het onkruid tussen de tegels vandaan te halen, terwijl de konijnen rond mij heen huppelden, en de kat af en toe een lolletje wilde trappen door achter ze aan te rennen. Ik heb honderden soorten gereedschap uitgeprobeerd om van het onkruid af te komen: onkruidwieders, staalborstels op stok, schoonmaakazijn en gereedschap dat er niet eens voor bedoeld was. Na zo veel pogingen bleek het gebruik van een huis-tuin-en-keukenmesje en je blote handen toch het beste middel. Op je kont en plukken maar, het kost het minste energie en geeft het beste resultaat.
Onkruid is ongewenst
Onkruid is rotzooi en hoort niet thuis in de tuin. Het komt op met een levenslust waar je u tegen zegt. Tuincentra staan vol met afdelingen die onkruidverdelgers in poedervorm, vloeibare vorm en dierlijke vorm verkopen. Tot ik meer leerde over planten, beschouwde ik alles wat tussen de tegels groeide als ongewenste kruipers. Waarom konden ze niet gewoon wegblijven? Twee weken later zag het er weer net zo slordig uit, en moest ik weer op mijn knieën.
Nuttig onkruid
Onkruid is alleen maar onkruid omdat het planten zijn die we niet in de tuin willen hebben. Behalve paardenbloemen, want de konijnen waren gek op de bladeren. Oké, en die weegbree mag ook wel blijven. En brandnetel is zo lekker om thee mee te zetten of soep van te maken. Die Oost-Indische Kers neemt wel de halve tuin over, maar wat een heerlijk pittige blaadjes! Onlangs hoorde ik zelfs mensen vragen om heermoes en zevenblad. Kun je ook thee van zetten. Mijn klomp brak.
Tijd voor een onkruidrevolutie
Hoe meer soorten onkruid ik leer te herkennen, hoe minder planten ik onkruid noem. Geen enkele plant is ongewenst, alleen als hij niet op de juiste plek in jouw tuin terecht komt. En je hem er elke week uit moet trekken. Dus zoek je allerlei manieren om de kieren tussen de stenen dicht te maken, de bodem zo onaantrekkelijk mogelijk te maken, maar wel prettig genoeg voor de mooist bloeiende tulpen en vlinderstruiken. Waar jij overigens niets aan hebt. Het is tijd voor een onkruidrevolutie: laten we stoppen met de waarde van planten te onderschatten, vaak kun je met onkruid meer dan met alle andere planten in de tuin.
Het sneeuwklokje is een van de weinige bloemen die in de winter zijn kop boven de grond uitsteekt, plotseling, alsof hij er altijd al gestaan heeft. Het plantje wekt bij mij altijd een gevoel van heimwee op door zijn opvallende en uitzonderlijke vorm, alsof niemand hem ooit verteld heeft hoe een bloem eruit ziet. Het bloempje lijkt teer maar is ontzettend sterk (anders zou het zich niet met veel kracht door de sneeuw wurmen) en is zelfs giftig.
Een slaperig sneeuwklokje
Als het had gesneeuwd verwelkomde het sneeuwklokje me regelmatig als kind bij de voordeur, in de border waar in andere seizoenen andere planten in groten getale bloeiden. Zonder enige aankondiging stond hij ineens in vol ornaat in de voortuin. Maar zijn kop liet hij hangen, alsof hij zich eenzaam voelde, niet blij was met al die kou en zich nog even bij de slapende wereld wilde voegen. Op zulke koude dagen voelde ik me net als het sneeuwklokje: ik moest wel de deur uit, naar school, maar eigenlijk bleef ik liever in mijn warme bed liggen.
Voor kou en dauw
Eerst smolt alle sneeuw rond de voeten van het sneeuwklokje weg, daarna borg hij zich weer op tot de volgende winter. Dit herhaalde zich elk jaar. Ik vond het plantje dapper, en voelde me een beetje trots dat hij zich elk jaar weer in onze tuin liet zien, gebruikmakend van de eerste zonnestralen en het licht dat weerkaatst werd door de spierwitte sneeuw. Regelmatig vroeg ik me af waarom hij niet net als de tulp en de hyacint gewoon nog even kon wachten, dan zou hij veel minder energie nodig hebben om te groeien. De reden dat hij veel eerder naar boven komt dan zijn opvolgers, is natuurlijk zodat hij goed opvalt, zonder andere uitslovers om zich heen. En als hij zijn werk gedaan heeft, krijgt de rest genoeg tijd om te vechten om bewondering.
Zomerslaap
Tien jaar na mijn geboorte verhuisden we naar een woning een kilometer verderop, met een veel grotere tuin, en veel meer ruimte voor sneeuwklokjes, maar in deze tuin hebben we nooit sneeuwklokjes gehad. Recentelijk vroeg ik me af of de sneeuwklokjes nog steeds in mijn oude voortuin zouden staan. Ik besloot mijn ouderlijk huis te bekijken via Street View, maar waarschijnlijk kon ik er niet achter komen, aangezien Google altijd foto’s maakt in de zomer, en de sneeuwklokjes dan in diepe zomerslaap zijn. Toen ik het huis bekeek, zag ik het meteen: de hele border was vervangen met stenen.
Ergens hoop ik dat de bollen nog steeds onder de stenen zitten, en een groot tuinliefhebber de stenen over een paar jaar zal weghalen. Dan zal ook zijn dochter ’s winters weer verrast worden met deze wonderschone prima ballerina.
Vroeger smeekte ik mijn moeder regelmatig om groenten te gaan verbouwen in onze tuin, en dat begon ik nog vaker te doen toen we verhuisden naar een huis met een tuin die groter was dan vier keer mijn appartement van 50 vierkante meter. Het kwam er nooit van. ‘Weet je hoe veel tijd dat kost!’ was haar standaard antwoord. Ten eerste geloofde ik haar niet, en bovendien, wat betekent tijd als je zoiets leuks kunt doen?
Aan de muur van ons huis hing een rek met een paar kruiden, waaronder peterselie en bieslook. Als mijn moeder het niet vergat, plukte ze wat takjes van het plantje en strooide ze het over het eten. Ik vergat het altijd als het mijn beurt was om te koken, laat staan dat ik wist hoe ik het moest gebruiken. Soms kauwde ik op een bieslookstengel en vulde mijn mond zich met een scherpe, maar groene smaak. Dat een plantje zó’n sterke smaak voort kan brengen, kon ik amper bevatten.
In de steeg stond wel een framboos. Aan het einde van de zomer keken we halsreikend uit naar de dieproze vruchten, nadat we de allereerste framboos hadden ontdekt. Ieder jaar vergat ik namelijk dat de framboos er stond, en dat hij het jaar erop weer vruchten voort zou brengen. Het eten van één framboos van onze eigen plant was beter dan een heel doosje uit de supermarkt. Een enkele framboos kon mijn hele dag goedmaken, en ik kon niet anders dan er luidruchtig van genieten. ‘Mmh, lekker!’ Tenzij ze zuur waren, dan wilde ik een andere, maar die had mijn moeder al opgegeten. En de volgende dag was mijn broer aan de beurt .Tenzij hij niet in de buurt was, dan deelde ik de volgende framboos alleen met mijn eigen smaakpapillen.
Met verjaardagen (vooral die van mijn moeder, die voor de zomer jarig was) kregen we soms een fruitplant. Zo heeft er een aantal maanden een aardbei in een hangplant gezeten, maar aardbeien heb ik nooit geproefd. Misschien waren ze decoratief, maar wie koopt er nou decoratieve aardbeien?
Nu, zo’n 10 jaar nadat ik gestopt ben met zeuren over het kweken van groenten in eigen tuin, ga ik het zelf doen. Een tuin van 10 vierkante meter, verscholen tussen een huizenblok in Amsterdam-West, sla ik mijn slag. Het eerste dat ik er in ga zetten: aardbeien. En nu maar duimen dat ze het gaan doen.