Wie dacht dat Superman voor het eerst in het Nederlands opdook in de jaren '60 comics van Vanderhout heeft het mis. De man van staal maakte zijn opwachting in onze taal al veel vroeger. Niet in een eigen comic. Niet eens onder zijn bekende naam. Maar wel in het weekblad Robbedoes, waar hij eind jaren dertig opdook als De moderne Hercules 👉
De moderne Hercules
Al in 1939 verscheen Superman in het weekblad Robbedoes. Dat is opvallend vroeg. Het personage was in Amerika pas in 1938 geïntroduceerd in Action Comics. Nauwelijks een jaar later konden ook Nederlandstalige lezers dus al kennismaken met deze nieuwe held.
In Robbedoes verscheen Superman aanvankelijk als "De moderne Hercules". Dat klinkt vandaag misschien wat vreemd, maar eigenlijk is het best logisch. Het maakte meteen duidelijk wat voor held hij was: sterk, bovenmenselijk en bijna mythisch. Een moderne versie van Hercules dus.
Ook de rest van zijn wereld kreeg een make-over. Clark Kent werd Marc Costa. Lois Lane werd Jenny. En de krant Daily Planet werd De Ster. Alleen Metropolis bleef gewoon Metropolis.
Dat soort naamsveranderingen voelt vandaag wat vreemd aan. Toch past het perfect bij de manier waarop strips toen werden vertaald. Namen werden vaker aangepast. Niet alleen om ze begrijpelijker te maken, maar ook om ze natuurlijker te laten klinken voor de lezers van toen. Superman was nog geen onaantastbaar merk. Hij was gewoon een nieuwe avonturenheld in een populair weekblad.
Robbedoes als vroege toegangspoort
Dat Superman in Robbedoes verscheen, is op zich niet zo vreemd. Robbedoes was de Nederlandstalige tegenhanger van het Franstalige Spirou. In de beginjaren was de identiteit van het weekblad nog volop in opbouw. Het blad bracht een mix van humor, avontuur en buitenlandse reeksen zoals Red Ryder, Liitle Orphan Annie, Dick Tracy en dus ook Superman.
Daarmee was Robbedoes dus een van de eerste plekken waar Nederlandstalige lezers met de Amerikaanse striptraditie in aanraking kwamen.
Superman in oorlogstijd
De vroege publicatie van Superman in Robbedoes krijgt nog een extra laag door de oorlogsjaren. De Tweede Wereldoorlog verstoorde de aanvoer van Amerikaans stripmateriaal. Buitenlandse reeksen konden niet altijd verder worden gezet. Soms moesten verhalen halsoverkop worden afgerond of vervangen.
Bij Superman leidde dat tot een bijzondere situatie. Niemand minder dan Jijé zou hebben ingegrepen om ontbrekende of afgebroken Superman-pagina’s op te vangen. Jijé is natuurlijk een grote naam uit de Europese stripgeschiedenis. Hij tekende Robbedoes en Kwabbernoot en zou later ook een mentorfiguur worden voor tekenaars als Franquin (Marsupilami, Guust Flater) en Morris (Lucky Luke).
Het toont hoe flexibel en pragmatisch stripredacties toen moesten werken. Als de originele Amerikaanse pagina’s niet meer beschikbaar waren, moest er een oplossing komen. En dus werd Superman, een Amerikaanse superheld, heel even door een Europese grootmeester verder geholpen.
De geschiedenis van Superman in het Nederlands begint dus niet met de bekende comicuitgaven van Vanderhout uit de jaren zestig. Ze begint in een weekblad in 1939, in een periode waarin strips nog volop hun vorm zochten. Na de oorlog, in 1947 zou 'De moderne Hercules' trouwens opnieuw zijn opwachting maken in Robbedoes.
In de jaren 90 mocht een comiccover al eens wat meer doen dan gewoon mooi zijn. Ze blonken, glansden, vouwden open of kregen zelfs een hologram. Ook bij Juniorpress doken die opvallende gimmick covers op. Vandaag zijn ze vooral heerlijk nostalgisch 👉
De jaren 90 wilden blinken
De gimmick cover past perfect bij de sfeer van comics in de jaren 90. Alles mocht groter, drukker en opvallender. Dat zag je in de tekenstijl, in de kostuums, in de covers en dus ook in de manier waarop comics werden verkocht.
Marvel en DC brachten regelmatig nummers uit die eruit moesten springen in het rek. Soms ging het om een jubileumnummer. Soms om een eerste nummer van een nieuwe reeks. Soms gewoon om een belangrijk hoofdstuk in een lopend verhaal. De cover moest duidelijk maken: dit nummer is speciaal.
Dat lukte ook. Wie als kind of tiener in de jaren 90 in de winkel stond, kon moeilijk naast zo’n glimmende cover kijken. Je nam die comic vast, draaide hem wat in het licht en plots voelde dat nummer toch net iets bijzonderder dan de rest.
Ook Juniorpress deed mee
Die Amerikaanse trend waaide ook over naar de Nederlandstalige comics. Juniorpress nam bij een aantal Marvel-uitgaven de speciale covers mee over. Daardoor kregen ook Nederlandse en Vlaamse lezers plots comics in handen die er wat luxueuzer uitzagen dan de gewone maandelijkse uitgaven.
Dat past mooi bij de evolutie die Juniorpress in die periode doormaakte. De vroege Juniorpress-comics stonden bekend om hun wat groezelige papier en doffere kleuren. Dat had zeker zijn charme. Maar in de jaren 90 veranderde de Amerikaanse comicproductie. Er werd steeds vaker met computerinkleuring gewerkt. Die nieuwe kleuren kwamen beter tot hun recht op gladder en zwaarder papier.
Ook bij Juniorpress zie je die overgang. De comics begonnen er verzorgder en moderner uit te zien. De gimmick covers horen dus niet alleen bij een commerciële hype. Ze horen ook bij een periode waarin comics visueel veranderden. Alles werd glanzender, scherper en spectaculairder.
Wat is een gimmick cover?
Een gimmick cover is eigenlijk niets meer dan een cover met een extraatje. Iets waardoor het nummer meer opvalt dan een gewone comic.
Een paar typische voorbeelden uit de jaren 90:
Foil embossed cover
Bij de foil embossed covers krijg je eigenlijk twee gimmicks tegelijk. De cover blinkt door het gebruik van folie en heeft ook reliëf: vaak op het logo, de titel of een deel van de tekening. Daardoor voelt de comic meteen wat luxueuzer aan.
Hologram cover
Een cover met een holografische plaat. Marvel gebruikte hologrammen graag bij jubileumnummers of belangrijke uitgaven. Ook Juniorpress nam daar enkele voorbeelden van over. Denk maar aan het bekende setje van 4 ter gelegenheid van 30 jaar Spiderman uit 1993.
Foldout cover
Een uitklapbare cover. Misschien minder spectaculair dan een hologram of blinkende folie, maar als lezer voelde het wel als iets extra’s. Je sloeg de cover open en kreeg plots een bredere illustratie. Vaak was dat ideaal voor groepsshots, grote actiescènes of covers die een verhaal extra dramatisch wilden inzetten. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk X-Mannen Special 1, waarbij de 5 variant covers van de Amerikaanse X-Men 1 tot één geheel werden samengevoegd.
Die-cut cover
Een cover met een uitgesneden vorm. Dat zag je vooral bij Amerikaanse uitgaven, maar met Superman 100 kregen we er bij Baldakijn toch ook ééntje in het Nederlands.
Waren ze echt zeldzaam?
Dat is misschien het grappige aan veel gimmick covers. Ze zagen eruit als collector’s items, maar waren dat lang niet altijd. In de Verenigde Staten verschenen sommige speciale covers in enorme oplages. De markt was toen zo sterk gericht op verzamelaars dat veel mensen meerdere exemplaren kochten. Eén om te lezen. Eén om te bewaren. En soms nog een paar extra “voor later”. Alleen bleek later dat net heel veel mensen dat deden. Daardoor werden veel van die speciale nummers helemaal niet zo schaars als gehoopt.
Voor de Nederlandstalige uitgaven ligt dat iets anders. De oplages waren hier natuurlijk kleiner dan in Amerika. Toch betekent dat niet dat de gimmick cover die hier verschenen vandaag zeldzaam of duur zijn.
Mooi, fout en heerlijk nostalgisch
Gimmick covers zijn een beetje fout. Ze zijn commercieel. Ze zijn soms overdreven. En ze horen bij een periode waarin de comicmarkt zichzelf wat voorbijliep.
Maar ze zijn natuurlijk ook gewoon leuk. Ze brengen meteen een bepaald gevoel terug. Het met beperkt zakgeld in de winkel moeten kiezen uit verschillende comics. En dan plots zo’n nummer dat er net wat harder uitsprong dan de rest.
En geef toe: soms mag een comic gewoon eens blinken.
Dick Tracy: de detective die nooit echt doorbrak in het Nederlands
Sommige Amerikaanse striphelden kregen in het Nederlands een echt eigen leven. Denk aan Superman, Batman, Spider-Man of Tarzan. Andere grote namen bleven hier vooral een voetnoot. Dick Tracy hoort duidelijk bij die tweede categorie. Nochtans was de detective er vroeg bij. Heel vroeg zelfs. Al in 1938 dook hij op in het weekblad Robbedoes. Daarmee was hij een van de eerste Amerikaanse stripfiguren die in het Nederlands verschenen 👉
Een harde detective in Robbedoes
Robbedoes verscheen voor het eerst op 27 oktober 1938. In dat allereerste nummer stond ook Dick Tracy. Het personage hield stand tot en met nummer 61 in 1939.
Dat is best opvallend, want vandaag denken we bij Robbedoes vooral aan de Franco-Belgische striptraditie: Robbedoes, Marsupilami, Lucky Luke of Guust Flater. Maar in de beginjaren zag het blad er nog heel anders uit. Er stonden ook vertaalde Amerikaanse krantenstrips in.
Dick Tracy paste daar niet vanzelfsprekend tussen. De reeks van Chester Gould was geen brave avonturenstrip. Het was een harde misdaadstrip over gangsters, moordenaars, corrupte types en een onverzettelijke politieman. De schurken waren grotesk. De sfeer was donker. De verhalen waren vaak gewelddadiger dan je bij een jeugdblad zou verwachten.
Wie is Dick Tracy?
Dick Tracy werd in 1931 bedacht door Chester Gould. De reeks verscheen oorspronkelijk als Amerikaanse krantenstrip. Hoofdfiguur Dick Tracy is een taaie politieman met een vierkante kaak, een gele regenjas en een obsessieve strijd tegen de misdaad.
De reeks werd geboren in een periode waarin de Verenigde Staten in de ban waren van drooglegging, gangsters en georganiseerde misdaad. Kranten stonden vol verhalen over criminelen, corrupte politici en politieacties. Gould gaf dat gevoel een gezicht. Dick Tracy was de man die orde bracht in een wereld die voor veel lezers beangstigend en oncontroleerbaar leek.
Opvallend genoeg heette de reeks eerst niet Dick Tracy. Gould had zijn creatie aanvankelijk de titel Plainclothes Tracy gegeven. Pas toen Joseph Patterson van het Chicago Tribune-New York Syndicate interesse toonde, kreeg de strip zijn bekende naam.
De kracht van Dick Tracy zat niet alleen in de held zelf. Misschien zat ze zelfs nog meer in de schurken. Namen als Flattop, Pruneface, Mumbles, The Mole, The Brow en Haf & Haf werden even herkenbaar als de detective zelf.
Gould tekende zijn misdadigers bewust lelijk en grotesk. Hun uiterlijk vertelde meteen iets over hun karakter. Een crimineel zag er bij Gould ook echt crimineel uit. Dat is vandaag niet bepaald subtiel. Maar visueel werkte het wel enorm goed.
Dick Tracy kreeg daardoor een heel eigen beeldtaal. De held was strak, hoekig en bijna onverzettelijk. De boeven waren verwrongen, karikaturaal en soms bijna monsterlijk. Dat maakte de strip meteen herkenbaar.
De reeks speelde ook graag met technologie. De beroemde two-way wrist radio, een soort polsradio, werd een van de bekendste gadgets uit de stripgeschiedenis. Lang voor iedereen met een smartwatch rondliep, communiceerde Dick Tracy al via zijn pols.
Na Robbedoes werd het stil. Of toch bijna.
Na die vroege publicatie in Robbedoes lijkt Dick Tracy in het Nederlands nooit echt te zijn doorgebroken. Er kwam geen lange album-, pocket- of comicreeks. Maar helemaal verdwenen was hij niet.
Begin jaren zeventig kreeg Dick Tracy nog een behoorlijk lange passage in PEP. De reeks liep daar van nummer 48 uit 1971 tot en met nummer 24 uit 1972. Dat is toch bijna een jaar lang.
Daarna dook Dick Tracy ook nog op in Stripturf. Dat was een verzameluitgave uit de jaren zeventig met meerdere bekende internationale stripreeksen. Dick Tracy stond daar tussen andere grote namen uit de wereld van de krantenstrip. Ook dat past bij zijn status: in Nederland geen publiekstrekker, maar internationaal wel een klassieker die stripliefhebbers kenden.
Nog een mooi voorbeeld is Stripschrift 131 uit 1980 met Dick Tracy op de cover. Het nummer bevatte ook een artikel over de reeks en haar maker Chester Gould. Bovendien stond er een volledig Nederlandstalig Dick Tracy-verhaal in: Little Face Finny.
De film van 1990
In 1990 kreeg Dick Tracy opnieuw internationale aandacht. Warren Beatty maakte toen een opvallende filmversie. Hij speelde zelf Dick Tracy. Madonna was te zien als Breathless Mahoney. Al Pacino speelde de gangster Big Boy Caprice.
De film zag eruit als een strip die tot leven kwam. Felle kleuren. Kunstmatige decors. Zware make-up. Grote gebaren. Alles was bewust gestileerd. Je voelt dat de makers de visuele wereld van Chester Gould wilden omzetten naar cinema.
De film kreeg veel aandacht. Toch leidde dat in het Nederlands niet tot een nieuwe stripreeks. Wél verscheen bij Loeb een Nederlandse paperback met de simpele titel Dick Tracy. Het boek werd geschreven door Max Allan Collins en vertaald door Mariëlle Wanrooij-Snel. Zulke novelizations waren toen heel normaal. Bekende films kregen vaak een paperbackversie die tegelijk met de bioscooprelease of kort daarna verscheen.
Een voetnoot met meer inhoud dan je denkt
Dick Tracy is dus geen grote naam in de Nederlandstalige stripgeschiedenis. Daarvoor is zijn aanwezigheid te beperkt. Maar hij is wel een boeiende voetnoot.
Dat is opmerkelijk, want Dick Tracy had op papier veel troeven. Het was een bekende Amerikaanse reeks. De figuur had een sterke visuele identiteit. De misdaadsfeer sloot aan bij detectives en pulpverhalen. Toch klikte het hier blijkbaar nooit echt.
Misschien was de reeks te Amerikaans. Misschien was de toon te hard of te ouderwets. Misschien paste Dick Tracy gewoon niet bij wat Nederlandstalige striplezers in die periode verwachtten.
Elfquest is één van die fantasyreeksen die jarenlang een vaste waarde was in de stripwinkel, maar vandaag toch een beetje vergeten lijkt. Nochtans bouwden Wendy en Richard Pini vanaf het einde van de jaren ’70 een indrukwekkende saga uit vol elfen (duh 😅), wolven, magie en complexe familierelaties. In de jaren ’80 en ’90 kende de reeks ook in het Nederlands een trouwe fanbase 👉
Waarover gaat Elfquest?
Elfquest speelt zich af op de planeet Two Moons. Daar volgen we de Wolfrijders, een stam elfen die samenleeft met wolven en geleid wordt door Cutter. Wanneer hun thuis wordt vernietigd door mensen moeten ze op zoek naar een nieuwe plek om te overleven. Tijdens die tocht ontdekken ze dat er nog veel andere elfenstammen bestaan, elk met hun eigen cultuur en geschiedenis.
Wat Elfquest onderscheidde van veel andere fantasystrips uit die periode, was de combinatie van klassieke fantasy met volwassen thema’s. Liefde, verlies, familiebanden, oorlog en identiteit spelen een grote rol in de reeks. De saga groeide daardoor uit tot veel meer dan een eenvoudig avonturenverhaal.
Wendy en Richard Pini
Elfquest werd bedacht door Wendy en Richard Pini. Wendy Pini verzorgde het tekenwerk en gaf de reeks haar herkenbare stijl met grote expressieve ogen, sierlijke personages en veel aandacht voor emotie. Richard Pini hield zich bezig met de productie en publicatie.
Toen Elfquest in 1978 verscheen, was het één van de eerste succesvolle onafhankelijke Amerikaanse comics. Wendy en Richard Pini brachten de reeks oorspronkelijk volledig in eigen beheer uit, buiten de grote uitgevers zoals Marvel en DC. Dat was toen nog behoorlijk uitzonderlijk.
Volgens Richard Pini sloeg de eerste oplage onverwacht goed aan. Waar men oorspronkelijk op een kleine niche mikte, waren de eerste drukken snel uitverkocht. Elfquest groeide daarna uit tot een internationaal succes en verscheen uiteindelijk in meer dan tien talen, waaronder Nederlands, Duits, Frans en Japans.
De reeks bouwde ook een erg trouwe fancommunity op. Via brievenpagina’s, conventies en later het internet ontstond een actieve fandom die jarenlang zeer betrokken bleef bij de saga van Cutter en de Wolfrijders.
Elfquest bij Arboris
In het Nederlands werd Elfquest vooral bekend dankzij uitgeverij Arboris. Daar verscheen jarenlang de volledige hoofdreeks in albumvorm. Die reeks liep uiteindelijk tot nummer 65. Vanaf ongeveer het elfde deel werd de reeks meer als één groot doorlopend geheel werden opgebouwd door Richard en Wendy. Dat verklaart ook waarom Elfquest later veel sterker aanvoelt als één grote fantasy-saga dan als losse avonturenalbums.
Voor veel lezers vormt vooral nummer 61 een belangrijk eindpunt. Dat album sluit namelijk de grote Elfquest-saga af. De vier albums die daarna nog verschenen spelen zich chronologisch vroeger af en voelen meer aan als aanvullende verhalen dan als een echt vervolg.
Opvallend is dan ook dat nummer 61 vandaag behoorlijk gegeerd is op de tweedehandsmarkt. Het album duikt merkbaar minder vaak op dan andere delen uit de reeks en haalt doorgaans ook veel hogere prijzen.
De Arboris-uitgaven waren jarenlang dé manier om Elfquest in het Nederlands te lezen. Naast de gewone albums verschenen om de zoveel tijd ook hardcover omnibussen met bundelingen van enkele albums. Daarmee kreeg de saga een meer luxueuze heruitgave voor verzamelaars.
De Verborgen Jaren
Naast de hoofdreeks bracht Arboris ook de spin-offreeks "De Verborgen Jaren" uit. Daarin werden verschillende Amerikaanse miniseries en nevenverhalen verzameld die dieper ingingen op bepaalde personages en gebeurtenissen uit de Elfquest-mythologie.
Reeksen zoals New Blood en Blood of Ten Chiefs experimenteerden met nieuwe personages, andere generaties Wolfrijders en verhalen die zich in verschillende periodes van de Elfquest-tijdlijn afspeelden. Richard Pini beschreef sommige van die Elfquest-verhalen als een soort “What If” binnen het universum.
De Wereld van Elfquest
In 1998 verscheen bij Arboris ook "De wereld van Elfquest". Dat album was geen gewone strip, maar een uitgebreid achtergrondboek over de reeks. Het bevatte extra informatie over de verschillende elfenstammen, personages, tijdlijnen en de uitgebreide geschiedenis van de wereld van Two Moons.
De Laatste Tocht bij Dark Dragon Books
Jaren later dook Elfquest opnieuw op in het Nederlands via uitgeverij Dark Dragon Books met de reeks "De laatste tocht". Deze verhalen zijn gebaseerd op de Amerikaanse reeks The Final Quest.
Chronologisch speelt dit verhaal zich na de klassieke saga af. Het vormt eigenlijk een echte terugkeer naar de wereld van Cutter en de Wolfrijders na vele jaren afwezigheid. Wendy en Richard Pini gebruikten deze reeks om alsnog een definitieve afsluiting aan hun universum te geven.
Een fantasyklassieker
Elfquest blijft een opvallende reeks binnen de Amerikaanse stripgeschiedenis. Niet alleen door de fantasywereld en de personages, maar ook omdat Wendy en Richard Pini er als onafhankelijke makers in slaagden om een volledig eigen universum uit te bouwen.
Ook in het Nederlands liet de reeks haar sporen na. Vooral de lange Arboris-reeks groeide uit tot een vaste waarde voor fantasy- en stripfans.
Checklist
Elfquest 1-65 (Arboris, 1983-2004)
Elfquest Hardcover 1-15 (Arboris, 1985-2006)
Elfquest: De Verborgen Jaren 1-16 (Arboris, 1996-2003)
De Wereld van Elfquest (Arboris, 1998)
Elfquest: De Laatste Tocht 0-13 (Dark Dragon Books, 2013-2018)
Mana: de uitgever die Nederlandstalige manga te vroeg ontdekte
Vandaag ligt manga gewoon in de boekhandel. Pokémon, Demon Slayer, One Piece... Manga is mainstream geworden. Dat was midden jaren 90 wel anders. Net in die periode dook Mana op. Een kleine Belgische uitgever die zich aan iets waagde waar de Nederlandstalige stripmarkt duidelijk nog niet klaar voor was: échte manga in het Nederlands 👉
Een vreemde naam in de stripwinkel
Mana is vandaag bijna vergeten. Dat is ergens logisch, want de uitgeverij bracht maar een handvol manga-albums uit. Toch verdient ze een plaats in de geschiedenis van Nederlandstalige strips, want Mana deed iets bijzonders.
In 1995 verscheen Appleseed in het Nederlands. Niet als groot commercieel project, niet gekoppeld aan een populaire tekenfilm op televisie en niet als makkelijke instap voor kinderen. Nee, Mana koos meteen voor het werk van Masamune Shirow onder de vlag 'Dawn Collection'.
Appleseed: cyberpunk in een stofomslag
Appleseed speelt zich af in een futuristische wereld na een grote oorlog. De hoofdrollen zijn voor Deunan Knute en Briareos Hecatonchires. Zij komen terecht in Olympus, een stad die tegelijk een utopie en een tikkende tijdbom is. Zoals vaak bij Shirow gaat het niet alleen om actie. Er zit ook veel politiek, technologie en maatschappijkritiek in.
Mana bracht de reeks uit in een opvallend verzorgde vorm. De albums waren klein, zwart-wit en kregen een stofomslag. Dat voelde bijzonder. Niet als een goedkoop probeersel, maar als een poging om manga ernstig te nemen.
Ook opvallend: de leesrichting bleef Japans: je begon dus achteraan en las van rechts naar links. Vandaag kijkt niemand daar nog van op, maar toen was dat anders. Voor veel Nederlandstalige lezers was dat vreemd.
Er verschenen twee delen van Appleseed, maar daarna stopte het. De volledige reeks raakte bij Mana nooit vertaald. Volgens online bronnen was het plan oorspronkelijk om de reeks in 6 delen uit te brengen.
Dat maakt deze uitgave vandaag wat wrang. Je voelt ambitie en ziet zorg. Maar je botst ook op de harde realiteit van een markt die nog niet mee was.
Dominion Tank Police: tanks, satire en chaos
Mana bleef wel nog even in het universum van Masamune Shirow. Naast Appleseed verscheen ook Dominion Tank Police in het Nederlands.
Dat is een andere Shirow. Minder ernstig dan Appleseed, maar meer satire en over-the-top. De reeks speelt in een vervuilde toekomststad waar de politie met tanks door de straten rijdt. Dat klinkt absurd, maar onder de humor zit opnieuw die typische Shirow-mix van technologie, macht, geweld en maatschappijkritiek.
Dominion was in het Japans een one-shot en verscheen bij Mana in twee delen. In tegenstelling tot Appleseed raakte deze reeks dus wel compleet. Het tweede deel werd zelfs aangevuld met enkele boeiende dossierpagina's.
Te vroeg voor de markt
Achteraf bekeken deed Mana veel juist. De keuze voor Masamune Shirow was inhoudelijk sterk. De uitgaven waren verzorgd. De Japanse leesrichting toonde respect voor het bronmateriaal. En de uitgever leek manga niet te willen verpakken als zomaar een vreemd stripje uit Japan, maar als iets met een eigen identiteit.
Alleen was dat misschien net het probleem. De Nederlandstalige stripmarkt was midden jaren 90 nog sterk gericht op Europese albums. Amerikaanse comics hadden hun eigen publiek, vooral via Juniorpress. Maar manga zat nog nergens echt tussen.
Voor de doorsnee stripkoper zag zo’n Mana-album er vreemd uit. Klein formaat, zwart-wit, achteraan beginnen... Voor de jonge lezers die later massaal Dragonball zouden kopen, kwam Mana dan weer net te vroeg. De grote televisiegolf van anime moest nog komen. Pokémon was er nog niet. Dragonball was nog geen hype op de speelplaats.
Katsura: een blik op wat had kunnen zijn
Maar Mana had blijkbaar grotere plannen. Bij de uitgaven hoorde ook een infomagazine: Katsura.
Ik heb het eerste en enige nummer ooit zelf gehad, maar helaas niet meer in mijn bezit. Daardoor is het moeilijk om alle details vandaag nog hard te controleren. Wat ik me wel herinner: in Katsura werden nieuwe reeksen aangekondigd. Daarbij zaten volgens mijn herinnering ook titels van CLAMP, zoals Tokyo Babylon.
Dat is achteraf bekeken fascinerend. CLAMP zou later een bekende naam worden bij mangalezers. Denk aan reeksen als Cardcaptor Sakura, X/1999, Chobits en Tsubasa Reservoir Chronicle. Tokyo Babylon is een van hun vroegere, meer duistere reeksen. Een mix van bovennatuurlijke elementen, drama en stedelijke melancholie.
Als Mana die plannen echt had kunnen uitvoeren, dan had de Nederlandstalige mangageschiedenis er misschien anders uitgezien. Maar die toekomst kwam er niet. Tokyo Babylon verscheen niet bij Mana. Andere aangekondigde reeksen, zoals Black Magic bleven plannen. En zo verdween Mana langzaam uit het collectieve stripgeheugen.
Als we het over Nederlandstalige comics hebben, denken we vaak aan de grote namen. Juniorpress, Classics, enz. Uitgevers die stapels maand na maand goedkope comics in de winkel legden. Silvester Strips hoort niet helemaal in dat rijtje. Toch verdient de uitgeverij een eigen plek in dit verhaal. Niet omdat ze de meeste comics uitgaven, maar omdat ze een aantal bijzonder sterke keuzes maakten 👉
Silvester kiest voor albums en hardcovers. Strips die je niet snel tussen twee treinritten door kapotleest. Dit zijn uitgaven die je in de kast zet. Dat is meteen het grote verschil met de oude comictraditie in Nederland en Vlaanderen. De losse (Nederlandstalige) comic is hier al lang geen vanzelfsprekend product meer. Lezers willen afgeronde verhalen en mooie boeken. Dat is precies waar Silvester sterk in werd. De uitgeverij brengt comics alsof het volwaardige graphic novels zijn. Vaak als hardcover en op mooi papier, met een uitstraling die dichter bij de Europese striptraditie ligt dan bij de Amerikaanse comic.
The Walking Dead wordt een stripfenomeen
De belangrijkste comicreeks van Silvester is zonder twijfel The Walking Dead. Robert Kirkman begon die reeks in 2003 bij Image Comics. Wat eerst een zwart-wit zombiereeks leek, groeide uit tot een van de grootste comicsuccessen van de jaren 2000. De zombies waren belangrijk, maar niet de kern. The Walking Dead ging vooral over mensen. Over angst. Over macht. Over hoe beschaving langzaam afbrokkelt als de regels verdwijnen.
Dat paste goed bij het publiek van Silvester. Zeker toen de televisiereeks in 2010 uitgroeide tot een wereldwijd succes. Plots kende iedereen The Walking Dead. Silvester bracht de reeks in het Nederlands uit in hardcovers. Prima uitgaven met een mooie uniforme rug. Later, in 2015 toen de tv-serie ook bij ons steeds populairder werd, volgden ook goedkopere albumversies op Europees formaat. Die reeks hield het 20 nummers vol.
Voor de hardcover reeks bleef het gelukkig niet bij enkele delen. Silvester bracht de hele reeks, tot en met het einde. Dat is niet onbelangrijk, want Nederlandstalige comicreeksen stoppen vaak halverwege. The Walking Dead kreeg bij Silvester wél een volledige uitgave.
Outcast: nog meer Robert Kirkman
Silvester bleef trouwens niet bij The Walking Dead als het over Robert Kirkman ging. Ook Outcast verscheen bij de uitgeverij in het Nederlands. Die reeks kreeg vier albums op Europees formaat.
Outcast is duidelijk een andere soort horror dan The Walking Dead. Geen zombies en ingestorte samenleving deze keer, maar bezetenheid, duivelsuitdrijving en religieuze angst. Het verhaal draait rond Kyle Barnes, een man die al zijn hele leven te maken krijgt met bovennatuurlijke verschijnselen. Samen met een lokale dominee probeert hij te begrijpen wat er echt aan de hand is.
Ook hier koos Silvester niet voor het klassieke comicformaat, maar voor een uitvoering die beter aansluit bij de Europese stripkast. Grotere albums. Meer ruimte voor het tekenwerk. En opnieuw die typische Silvester-aanpak: Amerikaanse comics presenteren als verzorgde Nederlandstalige albums. Dat maakt Outcast misschien minder bekend dan The Walking Dead, maar wel een mooie aanvulling op het Silvester-verhaal.
Bone: een moderne klassieker in het Nederlands
Nog zo’n belangrijke keuze was Bone van Jeff Smith. Op het eerste gezicht lijkt het een grappige avonturenstrip. De hoofdfiguren zien eruit alsof ze uit een oude krantenstrip zijn weggelopen. Maar al snel groeit het verhaal uit tot een epische fantasyreeks met draken, oorlog, oude legendes en grote emoties.
Die mix maakt Bone bijzonder. Het is grappig zonder vrijblijvend te zijn. Groots zonder te zwaar te worden. Toegankelijk voor jonge lezers, maar rijk genoeg voor volwassenen. Voor mij is het dan ook één van mijn favoriete strips aller tijden.
Helemaal nieuw was Bone in het Nederlands trouwens niet. In 1996 verscheen er al één deeltje bij Lambiek Uitgaven. Die versie was nog in zwart-wit. Mooi als curiosum, maar geen volledige doorbraak. Die kwam er pas later, toen Silvester de reeks in kleur en in verzorgde hardcovers uitbracht.
Criminal: misdaad in hardcover
Naast horror en fantasy bracht Silvester ook Criminal van Ed Brubaker en Sean Phillips naar het Nederlands. Geen superheldencomic, maar harde misdaad. Brubaker en Phillips bouwen hun verhalen rond dieven, oplichters, moordenaars en mensen die net iets te vaak de verkeerde keuze maken. De reeks voelt als moderne film noir op papier. Sober, vuil en menselijk.
Helaas deed deze reeks het minder goed en werden er slechts 2 delen uitgebracht.
Dune: sciencefiction met prestige
Ook Dune past mooi in dat profiel. Dune is natuurlijk veel ouder dan de recente films. Frank Herbert schreef zijn sciencefictionklassieker al in de jaren 60. Maar door de nieuwe verfilmingen van de voorbije jaren door Dennis Villeneuve kreeg de wereld van Arrakis opnieuw veel aandacht. Zandwormen, spices, politieke intriges en religieuze mythes waren plots weer helemaal mainstream.
Silvester speelde daarop in met de Nederlandstalige uitgave van de Dune graphic novels. Ook hier koos de uitgeverij voor een verzorgde aanpak. Grote hardcovers met stofomslag en mooi drukwerk. Een uitgave die duidelijk mikt op de lezer die Dune niet alleen wil consumeren, maar ook wil verzamelen. Dat is slim, want Dune is geen snelle hap. Het is een wereld waar je in duikt. Een luxe-uitgave helpt daarbij. Ze geeft het verhaal letterlijk en figuurlijk gewicht.
☝️ Leestip: Overzicht van alle Dune comics
BRZRKR: Keanu Reeves in comicvorm
Met BRZRKR koos Silvester dan weer voor een heel andere soort comic. De reeks kreeg veel aandacht omdat Keanu Reeves eraan meewerkte. Hij bedacht het verhaal samen met Matt Kindt. Ron Garney tekende de reeks. Het resultaat is gewelddadig, strak en filmisch. Een onsterfelijke krijger vecht zich door de eeuwen heen, maar zoekt tegelijk naar de waarheid achter zijn bestaan.
BRZRKR is geen subtiele strip. Dat wil de reeks ook niet zijn. Dit is actie met veel bloed, veel vaart en een duidelijke Hollywoodrand. Toch past ook die reeks bij Silvester. Niet omdat ze verfijnd is zoals Bone of groots zoals Dune. Wel omdat ze een opvallende moderne comic is die in een verzorgde Nederlandstalige uitvoering verschijnt.
Prins Valiant: een krantenstrip als luxe-erfgoed
Silvester kijkt echter niet alleen naar moderne Amerikaanse comics. De uitgeverij bracht ook Prins Valiant opnieuw uit in een reeks mooie hardcovers. Dat is natuurlijk een klassieker van een heel andere orde. De legendarische Amerikaanse krantenstrip van Hal Foster starte reeds in 1937. Het grootse avonturenepos rond een jonge prins in de wereld van koning Arthur, vol ridderlijke gevechten, verre reizen, romantiek en vooral ongelooflijk tekenwerk is een favoriet van veel lezers.
In het Nederlands had Prins Valiant ook al een lange voorgeschiedenis. De reeks verscheen eerder onder meer bij Vivo en later ook bij Semic en Juniorpress. Toch voelen de Silvester-uitgaven anders aan. Deze reeks bundelt hele jaargangen in verzorgde hardcovers, met opgepoetste pagina’s en een nieuwe vertaling.
Even dicht bij Dark Dragon
Silvester stond ooit ook dicht bij Dark Dragon Books. De twee uitgeverijen zetten samen Darsil Media op, een distributiekanaal voor hun strips. Dat was op zich logisch. Beide uitgevers brachten verzorgde albums uit en mikten op een publiek dat Amerikaanse en Europese strips graag in mooie Nederlandstalige edities koopt.
Die samenwerking liep echter spaak. In 2017 gingen Dark Dragon Books en Silvester uit elkaar. Darsil Media bleef daarna vooral verbonden met Dark Dragon Books. Silvester werkte verder als aparte uitgeverij.
Silvester Strips is misschien geen uitgeverij met duizenden comics op de teller. Maar de comics die ze wél uitgaven, tellen mee. En soms zegt dat veel meer.
Rond 2013 leek het verhaal van manga in het Nederlands zo goed als voorbij. De grote golf van Glénat, Kana en andere uitgevers was opgedroogd. Reeksen werden stopgezet. Nieuwe titels kwamen er nauwelijks nog bij. Wie manga wilde lezen, deed dat meestal in het Engels of Frans.
En toch is er sinds kort opnieuw beweging. Niet met één grote uitgever die de markt wil overspoelen. Niet met tientallen nieuwe reeksen tegelijk. Wel met een opvallend brede herstart. Panini, Pelckmans, De Fontein, Daedalus en Silvester brengen opnieuw manga of manga-achtige strips in het Nederlands uit. Soms klassieke Japanse manga. Soms superheldenmanga. Soms Europese hommages aan Japanse iconen.
Pokémon trekt de trein opnieuw op gang
De heropleving begint eigenlijk vrij bescheiden. In 2023 start Panini met Pokémon: Het grote avontuur. Dat lijkt op papier een veilige keuze. Pokémon is al decennia bekend. De naam leeft bij kinderen, verzamelaars, gamers en nostalgische dertigers en veertigers.
Maar net daarom is het ook een slimme keuze. Pokémon is geen obscure mangatitel die nog uitgelegd moet worden. Het is een merk dat iedereen kent. En de reeks doet het blijkbaar uitstekend. Intussen zijn er al bijna twintig Nederlandstalige delen verschenen. Daarmee komt de reeks al in de top 5 van langstlopende Nederlandstalige mangareeksen.
Superhelden op z’n Japans
Daarna wordt het pas echt interessant voor comicliefhebbers. Panini brengt ook Deadpool: Samurai en Spider-Man: Fake Red uit: geen gewone Marvel-verhalen, maar echte manga met Amerikaanse superhelden in de hoofdrol.
Dat is een nieuw soort kruisbestuiving. Vroeger stonden manga en Amerikaanse comics vaak naast elkaar. Je had je Marvel- en DC-lezers en je had je mangalezers. Natuurlijk was er overlap, maar uitgevers behandelden die werelden meestal apart.
Deze nieuwe Deadpool en Spider-Man manga-uitgaven laten iets anders zien. Manga is geen niche meer die apart moet worden uitgelegd. Het is een stijl, een markt en een vertelvorm geworden die ook bij superhelden past. Voor Nederlandstalige comics is dat best bijzonder. Marvel verschijnt hier al decennialang in vertaling, maar dit soort superheldenmanga voelt toch nieuw.
Panini duikt dieper in populaire shonen
Panini bleef het niet bij Pokémon en Marvel houden. Intussen verschijnen ook grote mangatitels als Demon Slayer en Jujutsu Kaisen in het Nederlands. Dat zijn geen kleine namen. Het zijn moderne shonenreeksen die internationaal enorm populair werden, mee gedragen door anime, streaming en sociale media.
Daarmee lijkt Panini opnieuw te testen hoe groot de Nederlandstalige markt vandaag echt is. Pokémon is veilig. Marvel-manga spreekt comicfans aan. Demon Slayer en Jujutsu Kaisen mikken recht op het huidige mangapubliek.
Ook de recente Minecraft Manga past in die strategie. Opnieuw gaat het om een bekende naam buiten de klassieke stripwereld. Minecraft komt uiteraard van de games. Manga wordt hier dus niet alleen verkocht als manga. Het wordt gekoppeld aan bredere geekcultuur. Dat is misschien wel het grootste verschil met de jaren 2000. Toen moest manga zichzelf nog bewijzen. Vandaag surft manga mee op herkenbare merken die al lang in het hoofd van jonge lezers zitten.
Nog opvallend trouwens dat Panini qua distributie haar zaakjes goed op orde heeft in samenwerking met Darsil Media, bekend van Dark Dragon Books.
De Fontein kiest voor jeugd en herkenbaarheid
Ook De Fontein springt mee op de kar. Met Unico brengt de uitgever een titel rond het bekende personage van Osamu Tezuka. Daarnaast verschenen ook twee delen van Yaiba, een vroege reeks van Gosho Aoyama, vooral bekend als de maker van Detective Conan. Dat past bij het profiel van De Fontein. De uitgever richt zich sterk op jeugd en young adult.
One Piece krijgt een tweede kans
Nog opvallender is de nieuwe Nederlandstalige uitgave van One Piece bij Pelckmans. One Piece is een van de grootste manga aller tijden. Toch bleef de Nederlandstalige geschiedenis ervan lang beperkt. Glénat begon er destijds aan, maar die markt zakte uiteindelijk in.
Pelckmans probeert het nu opnieuw. De timing is veel beter. One Piece is vandaag niet alleen een manga en anime, maar ook een wereldwijd merk. De Netflix-reeks heeft daar nog een extra duw aan gegeven. Nieuwe lezers kennen Luffy misschien eerst van televisie, en pas daarna van de manga.
De uitgave van Pelckmans verschijnt in het klassieke kleine mangaformaat. De prijs ligt laag genoeg om instappen mogelijk te maken. En de reeks lijkt vlot door te lopen. Begin 2026 verschenen de eerste delen, en ook latere delen staan alvast aangekondigd.
Pelckmans kijkt verder dan alleen de grote namen
Pelckmans brengt daarnaast ook Astra: Verdwaald in de ruimte. Dat is een compacte sciencefictionreeks van Kenta Shinohara. De reeks telt in totaal vijf delen en mengt avontuur, mysterie en overleven in de ruimte.
Dat is een interessante keuze. One Piece is een wereldmerk. Astra is dat veel minder. Door beide te brengen, lijkt Pelckmans niet alleen te gokken op herkenbaarheid. De uitgever test ook of er opnieuw ruimte is voor een gewone mangareeks zonder grote franchise erachter.
Dat was precies het probleem rond 2010. Er verschenen toen veel reeksen tegelijk. Te veel misschien. Nu lijkt de aanpak voorzichtiger. Eerst sterke namen. Daarna gerichter uitbreiden.
Europese manga, of toch iets anders?
Naast echte Japanse manga verschijnt er ook een ander soort uitgave: Europese strips die duidelijk bouwen op Japanse popcultuur.
Daedalus bracht Saint Seiya: Time Odyssey uit onder het label Daedanga. Dat is geen Japanse manga, maar een Franse strip op basis van de klassieke mangareeks Saint Seiya. Het album is gemaakt door Europese auteurs, maar ademt wel duidelijk liefde voor het Japanse origineel.
Silvester deed iets gelijkaardigs met Grendizer. Ook dat is een Europese hommage aan een Japanse animeklassieker. Het album verscheen als stevige hardcover, helemaal volgens de traditie van de Frans-Belgische stripmarkt.
Dat maakt de huidige golf extra boeiend. Het gaat niet alleen over manga in strikte zin. Het gaat ook over de invloed van manga en anime op de bredere stripwereld. Japanse reeksen worden niet alleen vertaald. Ze worden ook opnieuw geïnterpreteerd door Europese makers.
Waarom lukt het nu wel?
De vorige mangagolf kwam eigenlijk te vroeg. In de jaren 2000 was manga populair, maar nog niet vanzelfsprekend. Veel lezers moesten wennen aan het kleine formaat, het zwart-wit, het lezen van rechts naar links en de soms heel andere vertelstijl.
Vandaag is dat anders. Manga is mainstream. Anime staat op Netflix, Crunchyroll en andere streamingdiensten. Jongeren kennen Japanse franchises via games, kaarten, memes, TikTok en cosplay. Boekhandels hebben vaak een aparte mangahoek. En Engelstalige manga is al jaren breed verkrijgbaar.
Dat maakt Nederlandstalige manga tegelijk makkelijker en moeilijker. Makkelijker, omdat het publiek de vorm kent. Moeilijker, omdat veel lezers al gewend zijn om in het Engels te lezen. Een Nederlandse uitgave moet dus iets extra bieden: toegankelijkheid voor jonge lezers, herkenbare merken, goede distributie en een prijs die niet afschrikt.
Nederlandstalige manga is dus terug. Niet als stormvloed. Wel als duidelijke nieuwe stroom.
☝️ Leestip: mijn dossier over de vorige golven van Nederlandstalige manga
Met de nieuwe Masters of the Universe-film in aantocht is er geen beter moment om nog eens terug te keren naar Eternia. Naar He-Man, Skeletor, Castle Grayskull en die heerlijk overdreven wereld vol spieren, monsters, magie en sciencefiction 👉
Van speelgoed naar fenomeen
Masters of the Universe begon begin jaren 80 als speelgoedlijn van Mattel. Maar het werd al snel veel meer dan dat. De figuren kregen een eigen mythologie. Eerst via kleine strips bij het speelgoed, daarna via de bekende tekenfilmreeks van Filmation. En natuurlijk ook via allerlei boeken, albums en comics.
Voor kinderen uit de jaren 80 was He-Man overal. In de speelgoedwinkel, op televisie, in reclamefolders, op de speelplaats... En ook in het Nederlands.
Het Masters of the Universe stickeralbum van Panini
He-Man in het Nederlands
In Nederland en Vlaanderen verschenen in de jaren 80 verschillende Masters of the Universe-strips. Na enkele losse uitgaven van speelgoedfabrikant Mattel zelf, kwam SBP in 1986 met een eerste echte serie. Die bestond niet uit vertaalde Amerikaanse comics maar uit Europees materiaal met Duitse makers als Wolfgang M. Biehler, Wilfried A. Hary, Roland Mann en tekenaar Michael Götze. Dat maakt die vroege uitgaven vandaag extra interessant. Ze tonen hoe breed de He-Man-gekte toen werd uitgesmeerd.
Nog opvallend is dat Masters of the Universe in de periode 1985 en 1986 regelmatig opdook in verschillende Belgische en Nederlandse stripbladen als Kuifje, Robbedoes, Stripkrant en Donald Duck. Vaak als advertorial of zelfs gewoon als speelgoedfolder in de bijlage.
Juniorpress
De bekendste Nederlandstalige comicreeks kwam er bij Juniorpress. Tussen 1987 en 1988 bracht Juniorpress tien nummers van Masters of the Universe uit. Juniorpress zette hiermee de traditie verder van oa. de G.I.Joe, MASK en Transformers reeksen.
Het ging vooral om vertalingen van de Amerikaanse reeks van Star Comics, een kinderimprint van Marvel. Die Amerikaanse reeks liep van 1986 tot 1988 en bouwde verder op de wereld van Mattel en de tekenfilm. Mike Carlin staat vermeld als scenarist, met tekenwerk van onder meer Ron Wilson en Dennis Janke. De Nederlandse vertaling was van Siebe Snoeren. Latere nummers van deze reeks bevatten nog vertalingen van een Brits Master of the Universe stripmagazine.
Nummer 6: de filmspecial
Het opvallendste nummer uit de reeks is zonder twijfel nummer 6. Dat was een echte filmspecial. Dit nummer bracht de Nederlandstalige versie van de comicadaptatie van de Masters of the Universe-film uit 1987, met Dolph Lundgren als He-Man.
Die film week stevig af van de tekenfilm en het speelgoeduniversum. He-Man en zijn vrienden belandden op aarde en het verhaal kreeg een heel andere toon. Maar net daardoor is die Juniorpress-special vandaag zo leuk. Het is een klein tijdsdocument. Een moment waarop speelgoed, film en Nederlandse comics elkaar heel rechtstreeks kruisten.
Pure jaren 80-energie
De Nederlandstalige Masters of the Universe-comics vormen geen groot hoofdstuk in de geschiedenis van Juniorpress. Daarvoor was de reeks te kort. Maar ze passen wel perfect in het verhaal van de jaren 80.
Vandaag werkt de franchise vooral op nostalgie. He-Man, Skeletor, Teela, Battlecat, Man-At-Arms, Orko en Castle Grayskull roepen meteen beelden op van speelgoedkoffers met plastic actiefiguren en zaterdagse tekenfilms vol felle kleuren en gespierde helden: "By the power of Grayskull!"
Checklist
Masters of the Universe reclame uitgaven 1-6 (Mattel, 1983-1985)
Masters of the Universe 1-6 (SBP, 1986)
Masters of the Universe 1-10 (Juniorpress, 1987-1988)
Tijdlijn Nederlandstalige comics: van kioskboekje tot luxe album
De geschiedenis van de Nederlandstalige comic is geen rechte lijn. Het is eerder een slingerbeweging. Van goedkope kioskboekjes naar maandelijkse superheldenreeksen. Van het succes van Classics en Juniorpress naar albums, hardcovers en kleinere oplages.
In deze tijdlijn zet ik de belangrijkste momenten op een rij. Niet als volledige encyclopedie, maar als visueel overzicht van de grote bewegingen. Welke uitgevers bepaalden het landschap? Wanneer brak Juniorpress echt door? Waarom veranderde het model na de jaren 90? En hoe kwamen we uit bij uitgevers als RW Lion en Dark Dragon Books? 👉
Het begin
Wat vooral opvalt, is hoe sterk de vorm van de Nederlandstalige comic door de jaren heen veranderde. In de jaren 50, 60 en 70 draaide veel rond goedkope, dunne uitgaven. Classics was daarin de grote speler. De boekjes lagen in de kiosk, waren betaalbaar en brachten een breed aanbod: van superhelden tot westerns, horror, Tarzan en bewerkingen van literaire klassiekers.
Juniorpress en Baldakijn
Vanaf 1979 begint een nieuwe fase. Juniorpress brengt Marvel-superhelden in een herkenbare maandformule naar Nederland en Vlaanderen. In de jaren 80 groeit dat aanbod snel. Spider-Man, X-Mannen, Wolverine, specials en brievenrubrieken maken van Juniorpress meer dan alleen een uitgeverij. Voor veel lezers wordt het een toegangspoort tot Amerikaanse comics.
Ook DC vindt in die periode een Nederlandstalige vorm. Via Baldakijn verschijnen onder meer Batman en Superman. De Batman-film van Tim Burton geeft het personage in 1989 nog een extra duw. In de jaren 90 verandert de markt opnieuw. Image Comics komt erbij. Spawn, Gen13, Witchblade en The Darkness brengen een andere beeldtaal binnen. Tegelijk wordt de markt complexer. Crossovers, doorlopende verhaallijnen, betere toegang tot Engelstalige comics en veranderende leesgewoontes zetten het maandbladmodel onder druk.
Einde van een tijdperk
Na het einde van Juniorpress proberen andere uitgevers het gat te vullen. Z-Press neemt de Marvel-licentie over, maar merkt snel dat de oude formule minder goed werkt. De markt verschuift naar bundels, softcovers, hardcovers en afgeronde verhalen. Uitgevers als De Vliegende Hollander, RW Lion en later Dark Dragon Books kiezen daarom vaker voor een albumlogica. Minder kiosk, meer boekhandel. Minder maandblad, meer verzameluitgave.
Continuïteit en grootorde
De cijfers hieronder zijn bedoeld als grootorde. Ze zijn gebaseerd op mijn eigen verzameling, dus geen sluitende telling van elke variant, herdruk of losse uitgave. Maar als vergelijking werken ze wel. Ze maken duidelijk hoe dominant uitgevers als Classics en Juniorpress waren.
Dat maakt de Nederlandstalige comic vandaag kleiner dan in de hoogdagen van Juniorpress, maar niet verdwenen. De vorm is veranderd. De doelgroep is veranderd. En de plek in de winkel is veranderd. Maar wie de tijdlijn bekijkt, ziet vooral continuïteit: er blijven altijd uitgevers opduiken die Amerikaanse comics naar het Nederlands willen brengen.
Supergirl in het Nederlands: meer dan de nicht van Superman
Deze zomer krijgt Supergirl opnieuw haar moment op het grote scherm. Niet als bijfiguur naast Superman, maar als heldin van haar eigen film. Milly Alcock speelt Kara Zor-El in een nieuwe DC-film die Supergirl opnieuw stevig in de kijker zet. Een mooi moment dus om eens terug te kijken. Niet alleen naar wie Supergirl is, maar vooral naar waar ze in het Nederlands opdook 👉
Want Supergirl heeft bij ons nooit dezelfde status gehad als Superman, Batman of Spider-Man. Ze kreeg geen lange, herkenbare Nederlandstalige reeks die iedereen zich meteen herinnert. Toch was ze er wel. In oude Superman-comics, in Superman Classics, in Baldakijn-uitgaven, in filmboeken en later ook in moderne albums van Dark Dragon Books. Soms duidelijk op de voorgrond. Vaak ergens in de marge. Maar altijd met dat herkenbare kostuum, die link met Krypton en die lastige positie naast de beroemdste superheld ter wereld.
Wie is Supergirl?
Supergirl lijkt op het eerste gezicht een eenvoudig idee. Ze is Superman, maar dan als meisje. Toch doet dat haar te kort. De bekendste Supergirl is Kara Zor-El. Zij is de nicht van Superman. Net als hij komt ze van Krypton. Net als hij krijgt ze op aarde bovenmenselijke krachten. Maar haar verhaal vertrekt vanuit een ander punt.
Superman komt als baby op aarde aan. Hij groeit op als Clark Kent. De aarde is zijn thuis. Kara is ouder wanneer ze Krypton verliest. Ze kent haar geboortewereld nog. Daardoor draagt ze dat verlies veel bewuster met zich mee. Dat maakt haar interessanter dan alleen maar “de vrouwelijke Superman”.
Door de jaren heen heeft DC Supergirl verschillende keren opnieuw uitgevonden. De klassieke versie is Kara Zor-El, maar na Crisis on Infinite Earths verdween zij een tijd uit de officiële continuïteit. Daarna kwamen andere versies, zoals Matrix en Linda Danvers. Later keerde Kara toch terug als de herkenbare Supergirl. Ook Power Girl hoort in dezelfde familie thuis. Zij is een alternatieve versie van Kara uit een andere realiteit, maar groeide uit tot een personage met een eigen identiteit.
Dat klinkt misschien ingewikkeld. En dat is het ook een beetje. Maar in de kern blijft Supergirl meestal hetzelfde idee: een jonge vrouw met de krachten van Superman, maar met haar eigen geschiedenis, twijfels en plaats in de wereld.
Geen eigen reeks, wel veel losse verschijningen
Voor Nederlandstalige lezers ligt het verhaal anders dan in Amerika. Daar kreeg Supergirl door de jaren heen eigen reeksen en langere verhaallijnen. In het Nederlands verscheen ze vooral verspreid over andere titels.
Wie de Nederlandstalige uitgaven bekijkt, ziet dat Supergirl al in de jaren zestig opdook in de Superman en Batman reeks van Vanderhout. Ze stond daar niet centraal als grote titelheldin. Ze was vooral deel van de bredere Superman-wereld. Dat past ook bij hoe veel lezers haar leerden kennen. Niet via een eigen reeks, maar als iemand die plots opdook tussen Superman, Batman, Robin, Superboy, Krypto en andere figuren uit het DC-universum.
In de jaren zeventig duikt ze opnieuw op in Superman Classics, met titels als De micro-cosmische wereld Krann!, Gevangenen van een onsterfelijke wereld, Hoe tem je een wilde vulkaan! en Gevaar voor de mensheid!!.
Dat zijn niet meteen titels die Supergirl als zelfstandig icoon neerzetten. Maar ze tonen wel dat ze aanwezig was in het Nederlandstalige DC-aanbod. Ze hoorde bij die oude, kleurrijke Superman-wereld. Een wereld vol robots, dubbelgangers, Kryptonische familieleden, vreemde planeten en bizarre bedreigingen.
Crisis on Infinite Earths
Wie Supergirl zegt, komt vroeg of laat uit bij Crisis on Infinite Earths. Dat grote DC-verhaal uit 1985 moest orde scheppen in het toen behoorlijk ingewikkelde DC-universum. Verschillende aardes, dubbele versies van helden, oude continuïteit en nieuwe lezers: DC wilde de boel vereenvoudigen. Crisis werd daarom niet zomaar een superheldenverhaal, maar een grote schoonmaak.
Voor Supergirl werd het een keerpunt. In Crisis on Infinite Earths #7 sterft Kara Zor-El tijdens het gevecht tegen de Anti-Monitor. Het is een van de bekendste sterfscènes uit de DC-geschiedenis. Niet alleen omdat Supergirl sterft, maar vooral omdat ze niet sterft als bijfiguur. Ze redt Superman. Ze neemt zelf het initiatief. Ze vecht boven haar gewicht. En ze krijgt een dramatisch afscheid dat duidelijk maakt dat DC haar op dat moment als een volwaardige held wilde tonen.
Dat maakt die scène ook wat dubbel. Aan de ene kant is haar dood indrukwekkend. Aan de andere kant verdween daarmee ook de klassieke Kara Zor-El uit de continuïteit. Na Crisis wilde DC Superman weer meer als de enige overlevende van Krypton neerzetten. Een nicht uit Krypton paste daar niet langer in. Daardoor moest Supergirl opnieuw worden uitgevonden. Dat leidde later tot andere versies.
Zo zien we in 1988 verschijnt bijvoorbeeld Supergirl Matrix in Superman Special 9. Dat is dus niet meer de klassieke Kara Zor-El, maar een latere versie van het personage. In de jaren negentig duikt ze ook op in de Superman-reeks van Baldakijn, onder meer in verhalen als Paniek in de ruimte.
Helen Slater en de film van 1984
In 1984 kreeg Supergirl toch even een duidelijk eigen moment. Niet in de strips, maar in de bioscoop. Supergirl verscheen toen als film, met Helen Slater in de hoofdrol. De film was een spin-off van de Superman-films met Christopher Reeve en moest Supergirl als nieuw filmicoon lanceren.
Dat lukte maar half. De film heeft vandaag geen geweldige reputatie. Hij is traag, vreemd en bij momenten behoorlijk rommelig. Maar als je hem als kind zag, maakte dat minder uit. Dan zag je vooral een echte Supergirl op het scherm. En laat ons eerlijk zijn: Helen Slater hielp ook 😍 Ik vond haar in elk geval enorm knap.
Bij die film verschenen ook Nederlandstalige uitgaven. Er was een lees- en fotoboek van Supergirl en er verschenen ook een kleurboek en een knip- en knutselboek. Dat past perfect bij de jaren tachtig. Een film was toen zelden alleen een film. Er hoorde van alles bij: boeken, kleurboeken, stickers, speelgoed en ander promotiemateriaal.
Voor Nederlandstalige lezers was de film daardoor misschien wel het meest herkenbare Supergirl-moment van de jaren tachtig. Niet omdat de film zo goed was. Wel omdat Supergirl toen even echt zichtbaar werd.
Terug in albumvorm
Veel later keert Supergirl opnieuw zichtbaarder terug in het Nederlands. In 2022 bracht Dark Dragon Books "De komst van Supergirl" uit in twee delen. Dat verhaal is geschreven door Jeph Loeb en getekend door Michael Turner. In Amerika verscheen het oorspronkelijk in Superman/Batman en het was een belangrijke herlancering van het personage.
Na jaren van alternatieve versies, zoals Matrix en Linda Danvers, bracht DC hiermee Kara Zor-El opnieuw stevig naar voren. Niet als vage verwijzing naar vroeger, maar als de Supergirl van Krypton. De nicht van Superman. Een jonge vrouw met dezelfde oorsprong, maar met een heel andere blik op de aarde. Voor veel moderne lezers was dit het moment waarop Supergirl weer haar klassieke gezicht terugkreeg.
Ook visueel had die terugkeer impact. Michael Turner tekende haar opvallend jong, energiek en eigentijds. Zijn stijl paste perfect bij de superheldencomics van de vroege jaren 2000: strak, dynamisch en duidelijk gemaakt voor een nieuwe generatie lezers. Je kan daar vandaag zeker kritisch naar kijken, maar het werkte wel. Deze Supergirl voelde opnieuw als een personage waar DC iets mee wilde doen.
Altijd aanwezig, nooit helemaal centraal
De Nederlandstalige uitgave van Dark Dragon Books past daardoor mooi in de bredere geschiedenis van Supergirl bij ons. In de jaren zestig en zeventig zat ze verspreid in oude Superman-verhalen. In de jaren tachtig kreeg ze even filmglans dankzij Helen Slater. In de jaren negentig kwamen de alternatieve versies voorbij. En in de jaren 2020 verschijnt ze opnieuw in albumvorm, nu als de herboren Kara Zor-El.
Checklist
Superman en Batman 5, 10 (Vanderhout, 1966)
Superman en Batman 6, 8, 9, 11 (Vanderhout, 1967)
Superman en Batman 9, 11, 12 (Vanderhout, 1968)
Superman en Batman 3, 7, 23 (Vanderhout, 1969)
Superman en Batman Album 4, 5 (Vanderhout, 1967-1968)
Van Nightcrawler tot Harlekein: vertalen bij Juniorpress
Wie in de jaren 80 en 90 opgroeide met Juniorpress, las Spider-Man, de X-Mannen, De Vergelders of Wolverine vaak niet als vertaling. Je las ze gewoon als strips. De stemmen klonken vanzelfsprekend. De grappen werkten. De actie had vaart. En meestal stond je er niet bij stil dat achter elk tekstballonnetje een vertaler zat die moest kiezen, schrappen, schuiven en soms stevig improviseren 👉
Een kleine redactie met veel werk
Juniorpress was geen grote uitgeverij. Achter al die reeksen zat een kleine redactie met minder dan tien vaste medewerkers en een groep freelancers. Ans Loos bepaalde als hoofdredacteur mee het uitgavenbeleid. Jan de Rooij deed de tekstredactie. Daarnaast waren er nog medewerkers die de administratie, redactie en praktische productie mee draaiende hielden.
De redactie van Juniorpress in 2000 (foto: Stripnieuws)
De vertalers stonden daar niet los van. Ze vertaalden niet alleen tekstballonnen. Ze werkten ook mee aan redactionele pagina’s, beantwoordden lezersbrieven en dachten soms mee over het uitgavenbeleid. Daardoor kregen de boekjes een eigen stem. Niet alleen in de verhalen zelf, maar ook in de brievenrubrieken, de redactionele stukjes en de kleine opmerkingen tussen de reeksen door.
Dat verklaart mee waarom Juniorpress voor veel lezers zo vertrouwd aanvoelde. Het was geen anonieme fabriek. Je voelde dat er mensen achter zaten die zelf iets hadden met die strips.
Van professionele vertalers naar trouwe fans
In de beginjaren werkte Juniorpress vooral met professionele vertalers. De bekendste naam blijft zonder twijfel Ger Apeldoorn, ook bekend als Gé Apeldé. Zijn vertalingen van de X-Mannen kregen een heel eigen toon. Soms scherp. Soms droog. Vaak met precies genoeg humor om de Amerikaanse bombast naar iets te trekken dat in het Nederlands werkte.
Ook Joost Timp en Siebe Snoeren waren vaste namen bij Juniorpress. Bij Baldakijn, de imprint waaronder onder meer Batman verscheen, vertaalde Michel Nadorp. Die kennen veel striplezers vooral als tekenaar van Donald Duck, maar hij werkte dus ook aan Nederlandstalige DC-comics.
Later veranderde die aanpak. Juniorpress ging op zoek naar nieuw bloed. Ger Apeldoorn kwam met het idee om geen klassieke professionele vertalers te benaderen, maar echte fans. Ans Loos keek vervolgens naar ingezonden brieven en selecteerde daaruit mensen die duidelijk taalgevoel hadden. Dat maakt van de brievenrubriek dus niet alleen een communitykanaal, maar ook een soort talentenvijver. Zo kwamen onder meer Olav Beemer, Peter de Bruin en Tom Groot in beeld.
Bij Peter de Bruin begon het letterlijk met lezersbrieven. In de vroege jaren 80 schreef hij regelmatig naar Juniorpress. Zijn eerste brief verscheen zelfs op de allereerste brievenpagina van Peter Parker, de Spektaculaire Spider-Man. Later zag hij op de Stripdagen in Breda tot zijn eigen verbazing zijn naam hangen aan de stand van Juniorpress. Ans Loos was op zoek naar nieuwe medewerkers. Zijn brieven waren opgevallen. Niet veel later kreeg hij de vraag om een proefvertaling te maken.
Dat verhaal zegt veel over Juniorpress. De afstand tussen uitgeverij en lezer was klein. Een trouwe fan kon uiteindelijk zelf meewerken aan de strips die hij vroeger las. Zo was Olav Beemer nog maar zeventien toen hij door Ans Loos werd benaderd. Hij ging na schooltijd met de trein naar Naarden voor een gesprek, zo vertalde hij in een interview met Stripnieuws.
Vertalen met papier, potlood en diskette
Vandaag klinkt vertalen vooral als digitaal werk. Je krijgt bestanden, typt in een programma en stuurt alles online door. Bij Juniorpress ging dat lange tijd anders.
Peter de Bruin beschrijft in een interview met De Getekende Reep hoe hij bij zijn eerste opdrachten een volledige vertaling eerst op papier uitschreef. Daarna typte hij die over in WordPerfect. Vervolgens stuurde hij een diskette naar Naarden, samen met de originele comics. In die comics had hij alle pagina’s en tekstballonnen genummerd. Zo wist de redactie precies welke Nederlandse tekst bij welke ballon hoorde.
Dat klinkt omslachtig, maar het was toen gewoon de manier van werken. Elke pagina moest kloppen. Elke ballon moest terug te vinden zijn. En elk stukje tekst moest passen binnen de ruimte die de tekenaar oorspronkelijk had voorzien.
Daar zat meteen een van de grote moeilijkheden. Engels is vaak compacter dan Nederlands. Een korte Amerikaanse zin kon in het Nederlands plots veel langer worden. De vertaler moest dus niet alleen goed vertalen, maar ook ruimtebewust schrijven. Een tekstballon is geen romanbladzijde.
Af en toe ging het mis
Bij zo’n arbeidsintensief proces kon er natuurlijk iets fout lopen. Een van de bekendste voorbeelden is de Howard the Duck filmspecial, waarin per ongeluk een pagina in het Fins terechtkwam. Dat soort fouten zijn achteraf grappige curiosa. Voor de uitgeverij zelf waren ze vermoedelijk vooral pijnlijk.
Maar net zulke foutjes maken de geschiedenis van Juniorpress ook tastbaar. Ze tonen hoe fysiek en handmatig het productieproces nog was. Comics vertalen was geen kwestie van één bestand openen en alles netjes exporteren. Het was knipwerk, tikwerk, nummerwerk, overleg en controle.
👉 Lees meer over drukfouten, coverchaos en noodoplossingen bij Juniorpress
Geen letterlijke vertaling, maar een leesbare strip
Een goede comicvertaling is zelden letterlijk. Amerikaanse comics zitten vol woordspelingen, bijnamen, straattaal, culturele verwijzingen en dramatische oneliners. Zet je die één-op-één om, dan krijg je vaak houterige tekst. Te braaf, vreemd of gewoon onbegrijpelijk.
De kunst zat dus in het vinden van een Nederlandse zin die hetzelfde effect had. De grap moest werken. Voor sommigen is het achteraf melig, maar eigenlijk is het allemaal best leuk gevonden. Een mooi voorbeeld is volgende vertaling in een nummer van de Verbijsterende Hulk door Joost Timp. Leuk detail is dat Timp ook echt de zanger was van de groep Bloem.
Ger Apeldoorn stond bekend om een vrije, vlotte aanpak. Hij keek sterk naar de scène en naar het ritme van het verhaal. Niet slaafs ballon per ballon, maar vanuit het geheel. Wat moet deze scène doen? Hoe klinkt dit personage? Welke Nederlandse tekst houdt dezelfde vaart?
Peter de Bruin werkte naar eigen zeggen dichter bij de oorspronkelijke tekst. Maar ook bij hem bleef natuurlijk Nederlands belangrijk. De vertaling moest achteraf opnieuw gelezen kunnen worden als een gewoon verhaal. Niet als Engelse tekst met Nederlandse woorden eroverheen.
Dat is misschien de beste omschrijving van een geslaagde Juniorpress-vertaling: je merkte ze niet op. Als kind las je gewoon verder. Je dacht niet na over taalkeuzes. Je wilde weten hoe Spider-Man uit de problemen zou raken.
Namen vertalen of niet?
Bij oudere Nederlandse comicuitgaven werden namen soms vrij hard vertaald. Bij Classics of HIP Comics kon dat heel ver gaan. Juniorpress was daar meestal voorzichtiger in. De meeste helden en schurken behielden hun Amerikaanse naam.
Toch gebeurde het soms wel. Bij De Vergelders doken namen op als Haviksoog, Staalman en de Rode Feeks. Dat klinkt vandaag wat ongewoon, maar het past wel bij een periode waarin uitgevers nog zochten naar een evenwicht tussen herkenbaarheid en begrijpelijkheid.
De mooiste uitzondering blijft voor veel lezers Harlekein. Ger Apeldoorn vertaalde Nightcrawler niet letterlijk, maar koos voor een naam die vreemd, speels en sierlijk klonk. En ja: met ei.
Dat soort keuzes tonen hoe creatief het vertaalwerk kon zijn. Een naam is meer dan een label. Ze bepaalt mee hoe een personage voelt. Nightcrawler klinkt mysterieus en wat dreigend. Harlekein klinkt beweeglijk, theatraal en vreemd. Voor Kurt Wagner was dat helemaal geen slechte vondst.
Puzzelen met pagina’s
Het vertaalwerk stopte niet altijd bij de tekst. Amerikaanse comics pasten niet zomaar één-op-één in de Nederlandse uitgaven. Juniorpress werkte met vaste formaten, vaste paginatellingen en een prijs die betaalbaar moest blijven. Daardoor moest er soms worden gepuzzeld: verhalen werden over nummers verdeeld, reeksen werden gecombineerd, back-ups moesten op de juiste plek komen... En soms paste het simpelweg niet. Dan moest er een pagina sneuvelen.
Dat klinkt vandaag bijna heiligschennis. Toch was het vaak een praktische keuze. De comics moesten op tijd verschijnen, betaalbaar blijven en passen binnen het productiemodel van Juniorpress. Als er dan een pagina weg moest, keek men naar wat het minst schade deed. Een splashpage. Een herhalende actiescène. Een pagina die voor de grote lijn minder cruciaal was.
Het meest extreme voorbeeld hiervan is waarschijnlijk New Mutants 19, waarin Ger Apeldoorn probeerde een tiental Amerikaanse nummers samen te vatten op 20 pagina's om zo een grote inhaalslag te doen.
Meer dan alleen vertalen
De vertalers deden bovendien meer dan teksten omzetten. Ze schreven redactionele pagina’s, beantwoordden fanmail en dachten mee over het uitgavenbeleid. Olav Beemer zat later zelfs één dag per week op de redactie om de steeds ingewikkeldere planning mee op te volgen. Dat was nodig, want Juniorpress werkte met coproducties en kreeg te maken met reeksen die almaar sterker door elkaar liepen. Vooral bij X-Mannen en Spiderman werd het door de vele crossovers steeds belangrijker om de continuïteit goed te bewaken.
De stem van een generatie
Juniorpress was voor veel Nederlandstalige lezers de eerste echte kennismaking met Amerikaanse comics. Daardoor blijven die vertalingen hangen. Niet alleen uit nostalgie, maar ook omdat ze voor een hele generatie bepaalden hoe Marvel en DC in het Nederlands klonken. Voor veel lezers was het niet “X-Men in vertaling”. Het was gewoon de X-Mannen.
De Vliegende Hollander: de korte vlucht van de Nederlandstalige graphic novel
Soms zegt een korte uitgeefgeschiedenis meer dan een lange. Dat geldt zeker voor De Vliegende Hollander. Tussen 2009 en 2011 bracht deze Nederlandse uitgeverij een opvallende reeks vertaalde Amerikaanse comics en graphic novels uit. Niet als losse comicboekjes. Ook niet als klassieke stripalbums. Wel als stevige boeken voor de boekhandel 👉
De Vliegende Hollander was een imprint binnen Dutch Media, later Overamstel. De man achter het stripoffensief was Rienk Tychon, die eerder bij Luitingh-Sijthoff mee aan de basis stond van het succes van Dan Brown in het Nederlandse taalgebied. Zijn ambitie was duidelijk: volwassen beeldverhalen naar een breder Nederlandstalig publiek brengen.
Meteen met Watchmen
De uitgeverij begon sterk. In maart 2009 verscheen Watchmen van Alan Moore en Dave Gibbons als complete omnibus in een herziene Nederlandse vertaling. Dat was slim getimed. Datzelfde jaar kwam ook de film van Zack Snyder uit. Daardoor had Watchmen plots veel zichtbaarheid buiten de klassieke stripwereld.
Het was tegelijk een duidelijk statement. De Vliegende Hollander mikte niet op maandelijkse reeksen of losse afleveringen. De uitgeverij bracht afgeronde verhalen. Graphic novels die in de boekhandel konden liggen naast romans, thrillers en non-fictie.
Die keuze zie je ook in de rest van het fonds. De Vliegende Hollander bracht onder meer V voor Vendetta, From Hell, Y: The Last Man, Fables, Hellboy, Sin City, The Umbrella Academy, The Losers, Surrogates, Martha Washington, Batman: Hush en Batman: De terugkeer van de Dark Knight. Dat was een stevige selectie.
Bekende namen, moeilijke markt
Achteraf bekeken is de strategie goed te begrijpen. De Vliegende Hollander koos vaak voor titels die al naam hadden. Soms door hun status in de Amerikaanse stripwereld. Soms door een verfilming. Soms door beide.
Watchmen, V voor Vendetta, Sin City, Hellboy en From Hell hadden allemaal een zekere herkenbaarheid. Daarmee kon je ook lezers aanspreken die niet elke week in de stripspeciaalzaak stonden. Tenminste, dat was de hoop.
Alleen bleek dat niet vanzelf te werken. Filmkijkers kochten daarom niet automatisch de strips. En de echte fans hadden de Engelstalige edities vaak al in huis. Dat is een probleem dat Nederlandstalige comicuitgevers wel vaker hebben gekend. De groep tussen de casual lezer en de hardcore verzamelaar is kleiner dan je zou willen.
Logicomix als onverwachte voltreffer
Toch kende De Vliegende Hollander ook duidelijke successen. Het mooiste voorbeeld is Logicomix. Op papier leek dat geen vanzelfsprekende bestseller: een graphic novel over Bertrand Russell, wiskunde, logica en de zoektocht naar absolute waarheid.
Maar net dat boek sloeg aan. Rienk Tychon ontdekte Logicomix op de Frankfurter Buchmesse. Het lag daar bij een literaire agent die verder weinig met strips deed. Dat zegt veel. Logicomix werd niet alleen als strip verkocht, maar ook als slim, toegankelijk boek over filosofie en wetenschap.
De Nederlandse editie verscheen in augustus 2009, kort voor de Britse en Amerikaanse edities. Internationaal kreeg het boek veel aandacht. Ook in het Nederlands werd het een onverwacht succes, met maar liefst 7 herdrukken. Maar één succes was niet genoeg om het hele fonds te dragen.
Reeksen die bleven hangen
Voor verzamelaars zit de pijn vooral bij de onafgewerkte reeksen. Y: The Last Man kreeg drie delen in het Nederlands. Fables bleef beperkt tot twee. Ook Hellboy en andere reeksen raakten niet volledig.
Dat is jammer, want de keuzes waren niet verkeerd. Integendeel. Veel titels die De Vliegende Hollander bracht, gelden vandaag nog altijd als moderne klassiekers. Alleen vragen reeksen tijd. Je moet lezers laten instappen. Je moet vertrouwen opbouwen. En vooral: je moet blijven verschijnen. Die tijd kreeg De Vliegende Hollander niet.
Te vroeg, te kort
In 2011 wijzigde de koers. Na het vertrek van Rienk Tychon kwam De Vliegende Hollander in andere handen binnen Dutch Media. De imprint zou zich meer richten op urban fantasy en spanning. Graphic novels die al waren aangekondigd, zouden nog verschijnen. Nieuwe graphic novels zouden eerder bij Lebowski terechtkomen. Voor de stripafdeling betekende dat in de praktijk het einde.
Daarmee was De Vliegende Hollander geen mislukking zonder betekenis. De uitgeverij probeerde iets op een moment dat de Nederlandstalige markt nog volop zoekende was. Rond 2010 geloofden veel uitgevers dat de graphic novel een nieuw publiek zou aanboren. De redenering was begrijpelijk. Maus en Blankets hadden bewezen dat strips ook lezers konden bereiken die normaal niet naar het striprek liepen. Er lagen kansen, maar de boekhandel wist niet altijd wat hij met die boeken moest. Het literaire publiek moest nog overtuigd worden. En de stripfans lazen vaak al Engels.
Toch blijft die korte periode interessant. De Vliegende Hollander bracht Watchmen opnieuw naar het Nederlands. Ze gaf V voor Vendetta, From Hell, Y: The Last Man, Fables, Hellboy, Sin City en The Umbrella Academy een kans in onze taal.
Soms zegt de vorm van een strip bijna evenveel als de inhoud. Dat geldt zeker voor Dark Dragon Books. Wie vandaag Nederlandstalige uitgaven van Marvel of DC in handen neemt, krijgt geen dunne comic zoals vroeger. Je krijgt een album. Groter. Steviger. Meer Europees.
Dat is geen toeval. Dark Dragon Books kiest bewust niet voor het oude model. De uitgeverij vertaalt niet louter Amerikaanse comics naar het Nederlands, ze vertaalt ze ook naar een vorm die past bij de stripmarkt in Nederland en Vlaanderen 👉
Begonnen in 2009
Dark Dragon Books begon in 2009. De naam klinkt internationaal en dat was bewust. Oprichter Amin Gemei vertelde in een interview bij Bammerdebam dat hij bij de start nog niet zeker wist of hij zich alleen op Nederland en België zou richten. Hij wilde dus een Engelse naam. Iets dat ook buiten het Nederlandse taalgebied kon werken.
De gelijkenis met Dark Horse Comics lag natuurlijk voor de hand, zeker omdat Dark Dragon Books in het begin ook met Dark Horse-materiaal werkte. Maar volgens Gemei was die link niet bewust gekozen. De draak kwam vooral uit zijn eigen fascinatie voor fantasy.
Die fantasy zat ook meteen in de eerste uitgaven. Dark Dragon Books begon niet met Batman of Spider-Man, maar met Conan.
Wie zit er achter Dark Dragon Books?
De man achter Dark Dragon Books is zoals gezegd Amin Gemei. Hij runt de uitgeverij samen met zijn vrouw. Daarnaast werkt de uitgeverij met freelancers zoals vertalers, vormgevers en redacteuren.
Maar Dark Dragon Books is maar één deel van het verhaal. Daarnaast is er Darsil Media, de distributietak. Die is veel groter, met het magazijn, de buitendienst en levering aan allerlei soorten winkels in Nederland en België. Dat maakt Dark Dragon Books anders dan een uitgever die alleen boeken maakt en daarna maar moet hopen dat ze hun weg vinden. Amin Gemei zit veel dichter op de markt. Hij weet via Darsil Media wat winkels willen, hoeveel ze willen en waar bepaalde titels kans maken. Daardoor vermijden ze grote overschotten.
Opvallend: Darsil Media speelt ook een belangrijke rol in de heropleving van de Nederlandstalige manga. Zo zijn zij verdeler van verschillende nieuwe mangatitels als Demon Slayer bij Panini en One Piece bij Pelckmans.
Game of Thrones, Star Wars en herkenbare werelden
Een belangrijke titel in de groei van Dark Dragon Books was Game of Thrones. Gemei noemt die reeks zelf een gamechanger. Voor die tijd had de uitgeverij al interessante titels, maar niet elke retailer zat daarop te wachten. Met Game of Thrones veranderde dat. Plots gingen er deuren open. Winkels wilden de reeks prominent leggen. En via die ene bekende naam kon Dark Dragon Books ook andere titels uit het fonds beter onder de aandacht brengen.
Die aanpak zie je ook bij Star Wars. Dark Dragon Books bracht verschillende Nederlandstalige Star Wars-albums uit. Dat paste perfect bij hun strategie. Star Wars is geen gewone striplicentie, maar een wereld die lezers al kennen uit films, series, games en speelgoed. Wie zo’n album koopt, hoeft niet eerst overtuigd te worden van het concept. De herkenning is er al.
Daarmee bouwde Dark Dragon Books verder aan een fonds rond bekende werelden. Conan, Game of Thrones, Star Wars, Avatar, Stranger Things, Assassin’s Creed, Marvel en DC spreken niet alleen de vaste striplezer aan. Ze bereiken ook gamers, fantasyfans, filmkijkers en popcultuurliefhebbers.
Waarom geen gewoon comicformaat?
De belangrijkste keuze van Dark Dragon Books blijft het formaat. Waarom verschijnen Marvel en DC daar niet gewoon als klassieke comics?
Amin Gemei is daar vrij duidelijk over. Wie vandaag echt het Amerikaanse comicformaat wil, koopt vaak liever meteen de Engelstalige comics. Die lezer wil de oorspronkelijke uitgave, de volledige continuïteit, de cross-overs en de uitgebreide edities. Daar kan een Nederlandstalige uitgever moeilijk tegenop.
Dark Dragon Books kiest daarom voor een andere lezer: de albumlezer. In Nederland en Vlaanderen zijn veel striplezers opgegroeid met albums. Een groter formaat. Een mooie rug in de kast. Een afgerond verhaal of toch minstens een overzichtelijke reeks. Dark Dragon Books brengt Amerikaanse comics dus niet naar de kiosklogica van vroeger, maar naar het albumschap van nu.
Het albumformaat is intussen wel geen keurslijf. Dark Dragon Books experimenteert ook met pockets, hardcovers en dikkere albums die qua beeldverhouding dichter bij de Amerikaanse uitgaven liggen. De basis blijft dezelfde: de vorm moet de drempel voor de Nederlandstalige lezer verlagen.
Dat verklaart ook de verhaalkeuzes. De uitgeverij kiest bij Marvel en DC liever voor verhalen die in twee, drie of vier albums verteld kunnen worden. Geen eindeloze reeksen of events met tientallen tie-ins. Een korte uitleg vooraan kan soms helpen, maar als een verhaal te complex wordt, haakt de uitgeverij liever af. Al zijn hier ook wel uitzonderingen. Zo zijn bijvoorbeeld de Batman: White Knight saga of Jonathan Hickman's Avengers run quasi volledig uitgegeven door Dark Dragon Books.
Ook opvallend is dat Dark Dragon Books zich niet enkel op de grote kleppers van DC en Marvel richt. Doorheen de jaren brachten ze heel wat verhalen en miniseries van kleinere Amerikaanse uitgeverijen naar het Nederlands. En dat is natuurlijk alleen maar aan te moedigen. Denk aan werk als Adventureman, Fight Girls, Barnstormers, Rook en natuurlijk Lady Mechanika.
Van stripwinkel naar bredere popcultuurmarkt
Ondanks de brede distributie blijft de stripwinkel belangrijk. Gemei zegt geregeld dat hij het liefst heeft dat lezers hun boeken bij de stripwinkel kopen. Daar krijgen liefhebbers advies, ontdekken ze nieuwe reeksen en bouwen ze hun verzameling uit.
Tegelijk kijkt hij realistisch naar de markt. Het aantal stripwinkels daalt. Niet omdat er geen publiek meer is voor strips, maar omdat veel winkeliers met pensioen gaan en niet elke zaak een opvolger vindt.
Daarom kijkt Darsil Media ook naar andere verkoopkanalen. Boekhandels, retailketens, spellenwinkels, geekstores en gamewinkels worden belangrijker. Dat past bij een bredere evolutie. De geekmarkt is veel groter en mainstreamer geworden dan vroeger. Evenementen als Dutch Comic Con en FACTS tonen dat er een groot publiek is voor superhelden, fantasy, manga, games en films.
Ook bij de Marvel-uitgaven voor Boekenvoordeel speelde die logica mee. De winkelketen wou de Marvel-uitgaven van uitgeverij Standaard van enkele jaren eerder verderzetten. Daarvoor gingen ze in zee met Dark Dragon Books.
Die bredere distributie vraagt wel andere keuzes. Een stripwinkel kan een reeks dragen en opvolgen. Een retailketen werkt sneller met tijdelijke zichtbaarheid. Gemei vertelde bijvoorbeeld dat sommige Bruna-winkels strips behandelen als tijdschriften. Dan liggen ze twee of drie maanden in de winkel en verdwijnen ze weer. Dat werkt voor een deel 1 of een afgerond verhaal, maar veel minder voor een deel 4 zonder de vorige delen ernaast. Ook bij de Boekenvoordeel uitgaven benadrukte Gemei dat de lopende verhaallijnen wel afgerond moesten worden, ook al vielen de verkoopcijfers tegen. "Je kan als uitgever niet zomaar beginnen en daarna lezers met halve reeksen laten zitten."
De betekenis van Dark Dragon Books
Dark Dragon Books bewijst dat er nog altijd ruimte is voor vertaalde comics in Nederland en Vlaanderen. Alleen niet automatisch in dezelfde vorm als vroeger. Amerikaanse comics moeten hier niet alleen vertaald worden. Ze moeten ook opnieuw verpakt, gepositioneerd en verkocht worden. Dat doet Dark Dragon Books goed, want met meer dan 600 uitgaven met vertaalde comics op de teller moeten ze enkel Classics en Juniorpress laten voorgaan.
In 2024 vierde Dark Dragon Books haar 15e verjaardag met oa. deze Lady Mechanika tote bag en mok
Er zijn van die namen die bijna uit het collectieve stripgeheugen verdwenen zijn, maar die ooit een opvallend grote rol speelden. Baldakijn Boeken is zo’n naam. Wie in de jaren tachtig en negentig Nederlandstalige Batman- of Superman-strips kocht, zag die naam geregeld opduiken. Niet Juniorpress, maar Baldakijn. En dat is vreemd, want achter die naam ging net wél een belangrijk stuk van de uitgeefgeschiedenis van Juniorpress schuil. Baldakijn was jarenlang het gezicht van DC in het Nederlands, maar bleef tegelijk ook altijd een beetje mysterieus 👉
Niet zomaar een andere uitgever
Wie Baldakijn Boeken voor het eerst tegenkomt, zou kunnen denken dat het om een volledig aparte uitgever ging naast Juniorpress. In de praktijk lag dat anders. Baldakijn was net een sublabel van JP waaronder de DC-verhalen verschenen. Juniorpress was dus wel degelijk de grote motor achter die uitgaven, maar gebruikte voor DC een andere naam op de cover. De reden daarvoor was vrij eenvoudig: Juniorpress mocht in die tijd van Marvel geen uitgaven van de grote concurrent uitbrengen. Vandaar dus deze creatieve oplossing.
Een naam met een oudere geschiedenis
Wat het extra verwarrend maakt, is dat de naam Baldakijn niet pas in de jaren tachtig plots opdook. De naam bestond al eerder en werd gebruikt voor heel andere publicaties, zoals pockets, oorlogsstrips en westernreeksen.
Dat roept meteen een interessante vraag op. Was er een directe link tussen die oudere Baldakijn-uitgaven en de latere DC-comics? Of werd gewoon een bestaande naam opnieuw van stal gehaald? Een sluitend antwoord is niet eenvoudig te vinden. Wat wel vaststaat, is dat in 1984 de 'oude' pulpuitgaven (op enkele uitzonderingen na) stopten en Baldakijn vanaf dan werd ingezet als DC-label.
De aarzelende start van Batman
Als één reeks duidelijk maakt hoe Baldakijn werkte, dan is het wel Batman. Die reeks begon tweemaandelijks in 1984 en liep in die eerste fase tot eind 1985. Dat klinkt op papier als een degelijke start, maar daarna viel de gewone reeks stil. In 1986 verscheen er geen nieuw regulier nummer meer.
Dat is opvallend, want achteraf lijkt het bijna vanzelfsprekend dat Batman altijd een succesnummer moest zijn geweest. In werkelijkheid verliep die opstart dus behoorlijk stroef. Men leek nog te zoeken naar het juiste ritme en misschien ook naar het juiste publiek.
Toch zat er in die pauze al een belangrijk signaal. In 1986 verscheen namelijk wel Batman: De terugkeer van de Dark Knight. Dat was geen gewone tussendoortje want het was natuurlijk de Nederlandse versie van Frank Millers invloedrijke miniserie. Terwijl de reguliere reeks stilviel, werd dus net zo’n prestigieuze uitgave wél uitgebracht. Dat zegt veel over de ambities die men met Batman had, ook al was de gewone lijn op dat moment nog niet stabiel.
Jaar Een en Twee en dan pas echt op gang
In 1987 pikte Baldakijn de draad weer op met nummer 13 en 14, waarin Batman: Jaar Een werd gepubliceerd. Een jaar later volgden nummer 15 en 16 met Jaar Twee. Dat zijn vandaag bekende titels, maar toen waren het vooral nieuwe pogingen om de reeks weer in beweging te krijgen.
Pas vanaf 1989 begon Batman bij Baldakijn echt als een volwaardige doorlopende reeks te voelen met nummer 17 (mijn allereerste comic 🤩) En dat is moeilijk los te zien van de eerste Batman-film van Tim Burton. Die film gaf het personage ook hier een enorme commerciële boost. Vanaf dat moment kwam er duidelijk meer vaart in de Nederlandse uitgaven.
1989 was dan ook een echt kanteljaar. Niet alleen liep de gewone reeks vanaf dan veel consistenter verder, er kwamen ook meteen allerlei extra uitgaven bij. Dat jaar verscheen de Batman Filmspecial, startte de reeks Batman Special (die later ook de Legends of the Dark Knight zou opnemen, naast tal van bijzondere uitgaven zoals Batman/Dracula en Batman vs Predator) en kwam ook The Killing Joke in het Nederlands uit. Plots was Batman niet langer een aarzelende titel in het fonds, maar een merk waar Baldakijn volop op inzette.
Superman als vaste waarde
Batman was niet de enige pijler van Baldakijn. Ook Superman kreeg er een belangrijke plaats. Die reeks kende zelfs een langere en stabielere looptijd dan Batman en groeide uit tot meer dan honderd nummers. Deze reeks omvat dan ook heel wat hoogtepunten, zoals de legendarische John Byrne run en het Doomsday verhaal.
Opvallend en uniek voor Nederlandstalige comics zijn trouwens de "0-nummers" voor de zowel de Batman- als Supermanreeks. Handige introductienummers die de geschiedenis van het personage uit de doeken deden. Dit waren als kind lang mijn favoriete strips 😍
Daarnaast verschenen ook Superman Special, Superman Extra (met een verderzetting van de Europese Supermanverhalen die eerder door Ehapa werden uitgebracht) en Superman & Batman Special.
Nog een bijzonderheid was 'Superman in Europa' uit 1990. Dit verhaal, 'Superman og Fredsbomben’ (Superman en de Vredesbom), verscheen in 1990 in Denemarken bij Semic Press naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van Superman. Baldakijn zorgde voor de Nederlandstalige versie.
Ook plaats voor andere DC-titels
Baldakijn beperkte zich bovendien niet tot alleen Batman en Superman. Al van bij de start in 1984 kregen ook meer niche-titels als Sgt. Rock en House of Mystery een plek. Een jaar later volgden dan weer New Teen Titans en Atari Force. Net als de V miniserie in 1987.
Eerder had ik het al als 1989 als belangrijk jaar voor Baldakijn en een echt kantelpunt. Dat viel naast al het Batman-materiaal toen ook op door Thriller Magazine, een bundeling van verschillende meer volwassen DC-titels zoals Green Arrow en Question maar ook luxe-uitgaven als Black Orchid (in hardcover) en het 6-delige Watchmen op groot formaat.
Vooral die laatste twee zijn interessant. Het toont dat Baldakijn niet alleen een vehikel was voor de meest evidente superheldentitels, maar af en toe ook ruimte bood aan meer aparte of ambitieuzere uitgaven. Baldakijn was klein in vergelijking met de totale Juniorpress-machine, maar het was tegelijk breder en interessanter dan je op het eerste gezicht zou denken.
Het einde
Eind 1996 was het voorbij voor Baldakijn. De lopende reeksen van Batman en Superman hadden het erg moeilijk. Mede door de grote crossovers in beide reeksen die moeilijk volledig uit te geven waren. Maar zeker ook door de interesse van het publiek die intussen meer was verschoven naar de comics van Image die dan ook uitkwamen bij Juniorpress. Opvallend: de reeks Batman Special hield het nog enkele deeltjes vol, maar dan wel onder de Juniorpress vlag en niet langer als uitgave van Baldakijn Boeken.
Waarom Baldakijn is blijven hangen
Voor veel lezers had Baldakijn iets eigens. Marvel hoorde bij Juniorpress. DC hoorde bij Baldakijn. Alleen al dat verschil in naam gaf die strips een andere uitstraling. Alsof het om een net iets aparte hoek van het comicaanbod ging. Iets donkerder, iets serieuzer, of gewoon iets minder vanzelfsprekend.
En precies daarom blijft die naam zo boeiend. Baldakijn is meer dan een oud logo op vergeelde strips. Het staat voor een periode waarin de Nederlandstalige comicmarkt nog volop in beweging was. Een periode waarin men soms aarzelde, soms improviseerde, maar tegelijk ook iets bijzonders opbouwde. En ergens maakt dat Baldakijn vandaag misschien nog net iets interessanter dan een strak en perfect uitgewerkt uitgeefplan ooit had kunnen doen.
Checklist
Atari Force, 1-10, (1985-1986)
Batman, 0-77, (1984-1996)
Batman Filmspecial, 1-4, (1989-1997)
Batman Magazine, 1-25, (1994-1995)
Batman Special, 1-28, (1989-1997)
Batman: Killing Joke, (1989)
Batman: Terugkeer van de Dark Knight, 1-4, (1986)
Black Orchid, 1-3, (1989-1990)
House of Mystery Special, 1-4, (1984-1985)
Limited Serie, 12 en 15 (1990) - overige delen in de reeks zijn van Juniorpress
Wie aan de vroegste Nederlandstalige Marvel-comics denkt, komt bijna automatisch uit bij HIP Comics. Dat is ook logisch, want tussen 1966 en 1971 was die reeks voor heel wat Nederlandse en Vlaamse lezers de eerste kennismaking met de Marvel-superhelden van de Silver Age. Daar doken ze op in een merkwaardige mix van sixties bombast, vreemde vertalingen en een nummering waar je als kind compleet gek van kon worden.
De introductie van Marvel
HIP Comics was een reeks van Classics Nederland, de Nederlandse uitgever die al sinds de jaren vijftig comics op de markt bracht. Die uitgever was historisch verbonden met het bredere Europese netwerk rond National Periodical Publications, de voorloper van DC Comics, en werkte in een model waarbij buitenlands materiaal centraal werd aangeleverd en lokaal werd vertaald. Dat maakt de reeks HIP Comics extra opvallend, want eigenlijk is het DC dat zo onrechtstreeks verantwoordelijk was voor de introductie van grote concurrent Marvel in de Lage Landen.
Testplatform
De opzet van HIP Comics was slim. In plaats van meteen voor elke held een aparte reeks te lanceren, gebruikte Classics één verzamelreeks als testplatform. Zo kon de uitgever aftasten welke personages aansloegen bij het Nederlandstalige publiek. De reeks telde in totaal 169 nummers, waarin verschillende Marvel-helden elkaar afwisselden. De grote pijlers waren Spinneman en de Vier Verdedigers, maar later kwamen ook De Wrekers, X-Mannen, Prins Namor, Rauwe Bonk, Durfal, Thor, Kapitein Marvel en IJzerman aan bod. Daardoor kreeg HIP Comics gaandeweg het karakter van een staalkaart van Marvel in de jaren zestig.
De jaren 60
Wie HIP Comics openslaat, merkt ook hoe sterk de reeks (logischerwijs) nog in de sfeer van de jaren zestig zit. De teksten waren vaak zwaar aangezet, met veel uitleg en drama. Dat was in het bronmateriaal natuurlijk ook al zo, maar de Nederlandse bewerkingen deden daar nog een schep bovenop. Over de bizarre naamvertalingen had ik het al in dit artikel, maar een paar klassiekers wil ik toch nog eens benoemen: Durfal voor Daredevil en Rauwe Bonk voor de Hulk blijven gewoon te mooi om te negeren. Ook dat droeg bij aan de aparte identiteit van de reeks.
Die rare nummering
Voor veel jonge lezers was de nummering van HIP Comics een klein mysterie. Classics werkte met een reekscode vooraan en het eigenlijke volgnummer erachter. Bij HIP Comics was die reekscode 19. Daarom was het eerste nummer niet gewoon 1, maar 1901. Nummer twee werd 1902, enzovoort. Zodra men voorbij 1999 ging, liep dat systeem gewoon door als 19100, 19101, 19102 en zo verder, tot 19169. Het lijkt vreemd, maar binnen de logica van Classics was het perfect consequent.
Wat gebeurde er na HIP Comics?
Tegen 1971 vond Classics dat de proef geslaagd was. Marvel had voldoende bekendheid opgebouwd bij het Nederlandstalige publiek. Daarom stopte de uitgever met het HIP-concept en kregen de populairste personages hun eigen aparte reeksen. Belangrijk daarbij is dat Classics niet opnieuw bij nummer 1 begon. De nieuwe reeksen telden door vanaf het aantal eerdere HIP-verschijningen. Dat is wellicht het meest typische detail van heel dit tijdperk. Zo kreeg je bijvoorbeeld IJzerman 4 als eerste nummer van de aparte reeks, omdat Iron Man voordien al drie keer in HIP Comics had gestaan. Ook Thor 5 en hogere instapnummers voor andere helden passen in datzelfde systeem.
Niet elke reeks hield het even lang vol. Sommige liepen mooi door, andere bleven erg kort. Dat alleen al zegt veel over welke personages op dat moment echt verkochten.
Spooknummer 19170
En dan is er natuurlijk nog HIP Comics 19170, misschien wel het beroemdste niet-bestaande nummer uit de Nederlandse comicgeschiedenis. Omdat de oorspronkelijke reeks eindigde bij 19169, zou 19170 logisch gezien het eerstvolgende deel zijn geweest. In de praktijk verscheen dat nummer bij Classics echter niet. Toch dook het nummer op in de stripwereld, doordat in de Hans Matla Stripkatalogus uit 1993 plots een vermelding en een afbeelding van 19170 opdoken. Dat leidde bij verzamelaars tot discussie, omdat niemand het nummer ooit in het echt had gezien. Later kwam uit dat het om een grap/fake cover ging.
De verwarring werd later nog groter doordat Windmill Comics de naam HIP Comics opnieuw oppikte en vanaf 2009 effectief een tweede reeks startte met nummer 19170. Daardoor kreeg dat ooit mythische nummer alsnog een tastbaar bestaan, zij het buiten de oorspronkelijke Classics-reeks en met heel andere inhoud. Een mooi staaltje stripfolklore.
10 'key issues' uit HIP Comics
HIP Comics bracht een opvallend groot aantal sleutelmomenten uit de Marvel Silver Age naar ons taalgebied. Een kleine greep van belangrijke eerste verschijningen of kantelmomenten uit het Marvel-universum:
HIP 1908: eerste Silver Surfer, eerste cameo van Galactus
HIP 1914: eerste Black Panther
HIP 1948: eerste Kingpin
HIP 19157: eerste Ultron en eerste adamantium
HIP 1906: eerste Inhumans en cameo Black Bolt
HIP 1947: eerste Banshee
HIP 1905: eerste Gwen Stacy en eerste Miles Warren
HIP 1917: eerste Rhino
HIP 1932: eerste Shocker
HIP 1930: Hank Pym wordt Goliath, eerste Collector
Erfenis
HIP Comics was dus veel meer dan een verzamelbak met losse superheldenverhalen. Het was het laboratorium waarin Classics testte of Marvel in onze contreien een toekomst had. Dat experiment slaagde. Zonder HIP Comics waren de latere afzonderlijke reeksen van Spinneman, Vier Verdedigers, Wrekers, X-Mannen en de rest er vermoedelijk nooit in die vorm gekomen. Precies daarom blijft HIP Comics, ondanks alle gekke vertalingen en die heerlijk onhandige nummering, één van de boeiendste hoofdstukken uit de geschiedenis van de Nederlandstalige comics.
Sommige oude stripreeksen zijn vandaag bijna volledig uit het zicht verdwenen. Garry Verth is daar een goed voorbeeld van. Begin jaren 60 verscheen deze sciencefictionreeks in het Nederlands bij uitgeverij ATH, in een reeks dunne zwart-wit comics 👉
De oorspronkelijke bron was de Amerikaanse krantenstrip Twin Earths, die liep van 1952 tot 1963 als dagstrip en zondagspagina.
De verhalen van Garry Verth zijn pure sciencefiction van de oude stempel. Geheime werelden, vreemde wezens, futuristische machines, dreigingen uit de ruimte... Centraal staat het idee van een tweede aarde, Terra, een verborgen planeet aan de andere kant van de zon.
Wie maakte Garry Verth?
Garry Verth werd gemaakt door Oskar Lebeck en Alden McWilliams. Lebeck zorgde voor de scenario’s. McWilliams gaf de reeks haar gezicht met een realistische tekenstijl die goed paste bij sciencefiction. Hij tekende ruimteschepen, laboratoria en buitenaardse omgevingen met overtuiging.
ATH
ATH was een Nederlandse uitgever die in de jaren vijftig en zestig goedkope stripuitgaven op de markt bracht. De naam komt van eigenaar Arnoldus Teeuwen uit Rotterdam. ATH was alles behalve een prestigieuze stripuitgever, maar wel als populaire verspreider van buitenlands materiaal. De uitgever bracht comics snel en laagdrempelig naar een breed publiek.
Dat is ook te merken aan de uitgaven in de Garry Verth reeks. Daarbij werd het bronmateriaal niet zomaar letterlijk overgenomen, maar verwerkt tot losse Nederlandstalige deeltjes. Daardoor kregen de verhalen hier een heel andere vorm dan in het oorspronkelijke Amerikaanse Twin Earths. Soms combineerde ATH zelfs verschillende stukken tot een nieuw geheel.
Bundeling
In 1966 verscheen bij ATH ook nog een bundel van de hele reeks. Die werd vreemd genoeg niet samengesteld door ATH, maar door Theo Kemp van uitgeverij Vector.
In tegenstelling tot vele andere omnibussen en bundelingen is deze trouwens zeldzamer dan de losse deeltjes van de reeks. De oplage was dan ook zeer beperkt. Dat wisten ze destijds blijkbaar zelf ook al, gezien de tekst op de backcover 😉
Er zou ook nog een ándere versie van deze bundel bestaan die wel door ATH zelf is samengesteld. Die heb ik echter nog nooit zelf gezien.
De herdrukken van Boumaar
In 2017 gaf uitgeverij Boumaar Garry Verth opnieuw uit in drie integrales. Samen bundelen die alle 12 oorspronkelijke ATH comics. Een goede zaak, want de originele deeltjes zijn tegenwoordig nu ook weer niet zó makkelijk te vinden. Zeker als je ze in goede staat wilt.
Garry Verth is geen grote stripklassieker, maar wel een boeiend stukje stripgeschiedenis. De reeks vangt perfect de sfeer van de vroege ruimtekoorts en laat zien hoe buitenlandse comics vroeger werden "herverpakt" voor de Nederlandstalige markt.
Het aftellen naar de nieuwe Avengers film 'Doomsday' zit nu in de laatste rechte lijn 😉. Je bent dan ook vast helemaal mee met de hype rond Dr Doom die in het Marvel Cinematic Universe zal worden gespeeld door Robert Downey Jr. Een mooie gelegenheid om eens in de beste Dr Doom comics die ooit in het Nederlands zijn verschenen te duiken 👉
Ik begin met een recent verhaal en meteen ook eentje met een alternatieve Dr Doom. Want in het nieuwe Ultimate universum is dit niemand minder dan Reed Richards 🤯.
Toen The Maker – een kwaadaardige versie van Reed uit een ander universum de controle overnam van Earth-6160, verhinderde hij de geboorte van de Fantastic Four en ontvoerde Reed. Maar dat was niet genoeg. Hij dwong hem het masker van Doctor Doom te dragen en maakte hem tot zijn persoonlijke gevangene in het meest geavanceerde laboratorium ooit. Sinds Ultimate Invasion weet hij te ontsnappen, richt hij de Ultimates op en lijkt hij de held te spelen. Maar hoe lang blijft dat zo? Een verrassend verhaal!
6. Fantastic Four Special 39 (Juniorpress, 1992)
Walt Simonson staat bekend als een van de beste Thor-schrijvers en tekenaars ooit, maar zijn Fantastic Four-run is minstens zo leuk. Eén van de hoogtepunten is "Pluk de dag" uit Fantastic Four Special 39 – een episch duel tussen Doctor Doom en Reed Richards.
Het verhaal lijkt te beginnen als een zoveelste clash tussen Doom en de FF, maar dit keer is Reed er klaar voor. Wat deze clash extra bijzonder maakt? Doom en Reed vechten met een tijdreis-apparaat, waardoor elke klap hen naar een ander moment in de tijd slingert. Simonson voegt daar een briljant detail aan toe: tijdcodes op elke pagina. Hierdoor kun je het nummer op twee manieren lezen – in normale volgorde of volgens de tijdcodes voor een extra laag in het verhaal. Een geniale zet van Simonson en wat mij betreft een van de beste Doctor Doom-gevechten ooit!
Al Ewing weet als geen ander hoe hij vaart in een verhaal houdt. Een perfect voorbeeld daarvan is deze 'Loki: Agent of Asgard' 2 uit de Boekenvoordeel reeks van Dark Dragon Books. Dit keer geen strijd met de Fantastic Four, maar uiteraard wel met Loki. Doom gelooft dat Loki in de toekomst de ondergang van Latveria zal veroorzaken en dat laat hij niet gebeuren.
De tekeningen van Jorge Coelho en Lee Garbett brengen de kille, verwoeste toekomst van Latveria ijzingwekkend in beeld. Maar wat dit verhaal echt bijzonder maakt, is hoe Doom zijn kracht gebruikt. Hij wapent zich niet alleen met technologie, maar ook met het woord. Hij herdefinieert zijn vijanden, speelt met de mythe van de Doombots en herschrijft de regels van de realiteit naar zijn wil. "De pen is machtiger dan het zwaard", weet je wel.
Dit verhaal toont perfect de genialiteit én de zwakte – zijn tomeloze ego – van Doom.
4. Fantastic Four Special 6 (Juniorpress, 1984)
Wat Doctor Doom zo fascinerend maakt in zijn rivaliteit met de Fantastic Four, is het contrast tussen familie en eenzaamheid. Waar de Fantastic Four altijd op elkaar kunnen rekenen, staat Doom meestal alleen. Dit thema staat centraal in het verhaal 'Intermezzo', geschreven door John Byrne.
In dit nummer krijgt Doom een leerling onder zijn hoede: de jonge Kristoff. Doom leert hem hoe hij Doombots moet kalibreren en hoe hij over Latveria moet regeren. Maar Kristoff is nog een kind en begrijpt niet alles. Wanneer hij een verkeerde opmerking maakt, barst Doom’s woede los. De angst in Kristoffs ogen tegenover Doom’s kille, reflecterende masker maakt de scène des te beklemmender, versterkt door de vurige kleuren van Glynis Wein.
Doom ziet in Kristoff zowel een opvolger als een kans op een zelfgekozen familie. Maar één ding ontbreekt: Kristoff deelt zijn obsessie met het vernietigen van de Fantastic Four niet. En dus blijft Doom, zelfs met iemand aan zijn zijde, uiteindelijk volkomen alleen.
3. HIP Comics 1926 (Classics, 1967)
De first appearance van Dr Doom is er al in de Amerikaanse Fantastic Four nummer 5 uit 1963. De Nederlandse versie daarvan lees je in Fantastic Four Pocket 1 van Oberon uit 1979. Het is echter dit verhaal uit HIP Comics 1926 (en 1929, 1933 en 1937) dat het beste is van het oude Dr Doom materiaal door Stan Lee en Jack Kirby.
Dit keer richt hij zijn zinnen namelijk niet alleen op de Fantastic Four, maar ook op een kosmische krachtbron die zelfs voor hem bijna onvoorstelbaar is: de Power Cosmic van de Silver Surfer. Deze vierdelige klassieker is een must-read die perfect laat zien waarom Doom niet zomaar een gewone schurk is. Hij is een man met de ambitie van een god, maar met de tragische gebreken van een mens.
2. Geheime Oorlogen 1-9 (Juniorpress, 1984)
Grote cross-over events zijn tegenwoordig vaste prik in superheldencomics, maar in 1984 was dat nog nieuw. 'Marvel Super Heroes: Secret Wars' was het eerste grootschalige event ooit (en was verrassend genoeg vooral bedoeld om Marvel’s action figures te promoten 😅). Het werd een gigantisch succes.
Het verhaal is intussen wel bekend: op Battleworld worden Marvel’s machtigste helden en schurken samengebracht door de mysterieuze Beyonder. Eén man stijgt boven iedereen uit: Doctor Doom. Zelfs met goddelijke wezens als Galactus in het spel, is het Doom die de grootste macht vergaart. Hij slaagt erin om de kracht van de Beyonder zelf te stelen, waardoor hij bijna alwetend en almachtig wordt.
Toch wordt Doom uiteindelijk verslagen. Niet door arrogantie, zoals vaak zijn val is, maar door twijfel. Op het moment dat hij de absolute macht heeft, begint hij aan zichzelf te twijfelen—en dat is genoeg om zijn ondergang in te luiden.
Secret Wars 1-4 (Dark Dragon Books, 2023)
🥳 En de eerste plaats gaat naar die andere Geheime Oorlogen: de moderne versie door Jonathan Hickman. Ook deze crossover zich af in een soort pocketuniversum na de vernietiging van de Marvel-realiteit. In deze nieuwe wereld, Battleworld, heeft Doom zichzelf gekroond tot God-Emperor. Door zijn pure wilskracht redde hij wat er nog over was en smeedde hij een rijk waarin hij als absolute heerser regeert.
Maar zelfs met onbeperkte macht worstelt Doom met zijn eigen beperkingen. Hij zucht onder het gewicht van zijn goddelijkheid, gefrustreerd door wat hij niet volledig kan controleren. Dit maakt Secret Wars niet alleen een episch superheldenverhaal, maar ook een fascinerende karakterstudie.
Dit verhaal is het sluitstuk van Hickman's lange Avengers run. Die is trouwens grotendeels in het Nederlands verschenen 😉