Loos 0.03
Hij was niet zo'n held die kon vliegen, maar zo'n held die u kon laten vliegen.
Cookie Run:Kingdom Official!
let's talk about Bridgerton tea, my ask is open
Game of Thrones Daily

ellievsbear
The Bright Sessions
NASA
Mike Driver
No title available
RMH
tumblr dot com
todays bird
Lint Roller? I Barely Know Her
KIROKAZE
Show & Tell

if i look back, i am lost
Claire Keane

Origami Around

izzy's playlists!

Discoholic 🪩
noise dept.

seen from United States

seen from Germany
seen from Iraq
seen from Türkiye

seen from T1
seen from United States

seen from Türkiye

seen from Chile

seen from Georgia

seen from Germany
seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from Mexico
seen from United Kingdom
seen from Canada

seen from Türkiye
seen from Sweden
@pinguinincolbert-blog
Loos 0.03
Hij was niet zo'n held die kon vliegen, maar zo'n held die u kon laten vliegen.
Babel.
De onmogelijkheid om uit te drukken hoe naar en misselijkmakend die strak-geknoopte draai in uw darmen werkelijk voelt. De onmogelijkheid om neer te pennen hoe schrikwekkend het leven oogt wanneer je wakker wordt, badend in het slaapzweet dat die onaangekondigde nachtelijke merrie met verve achterliet. De onmogelijkheid om niet te denken aan de dingen waar je steeds aan denken moet. De onmogelijkheid dat niets nog mogelijk is. En toch. Ge doet een poging. Omdat u dat zo is opgelegd. Door uw vader, door uw moeder, door hun vaders en door hun moeders, door zij die u liefhebben, door uw naaste, door uw vrienden, door uw vijand en diens schepper, door uw onbekende. Ge trekt elk spreekwoordelijk schap open, doorzoekt elke talenknobbel die ge tegenkomt en opent iedere zintuigelijke doos. De schepper van uw vijand opent stevige schuiven met alliteraties; uw naaste zoekt naar een onbestaand jargon; uw vriend naar spelden in een hooiberg vol tautologiëen; die die u liefheeft bouwt een kaartenhuis aan neologismen en uw moeder naait driftig nieuwe knobbels. Maar getekend door een onuitgesproken spraakverwarring, helpt niets. Elk schap, elke doos, elke schuif, elke knobbel en elk huis mist subtext en schiet woorden tekort. De onmogelijkheid dringt zich op, neemt opnieuw de bovenhand en regeert met scepter over uw stukgeslagen dichterlijke vrijheid, nog voor één ziel iets bruikbaar heeft gevonden. De toren die ge zou willen bouwen met de blinde woorden die zijn zoek geraakt, die komt er niet. Hoe hard uw naasten en al die anderen ook hun best mogen doen en hoeveel schuiven de schepper van uw vijand ook opentrekt. Dat wat ge zeggen wilt, blijft steken in een keelholte die zwarter is dan de diepste donkerte van een pen die niet meer schrijven wil. Gestikt in een onmogelijkheid.
Vogelvlucht.
Ik ben daar. Gij zijt daar. Fysiek allebei aanwezig, mentaal daar ben ik nog niet aan uit. Dat we omgeven zijn door een zwerm van onze soortgenoten, dat doet er even niet toe. Alsof die zijn gereduceerd tot muurbloempjes en tijdelijk hun mond dienen te houden. Het liefst zo onopvallend en langdurig mogelijk en met hun ogen de andere kant op gericht. Zodat de kans dat onze blikken elkaar kruisen statistisch gezien exponentieel vermenigvuldigt en praktisch meant-to-be wordt. Maar van zodra het moment zich voordoet, verstijft alles en trekt de omgeving zich vacuüm. Alsof de natuur in vogelvlucht doorheen de seizoenen raast en bomen bloesemen in het kolenseizoen. Alsof de muurbloempjes tot hun assen worden gereduceerd en wij alleen zijn. Tweeëneenhalve seconden heeft Moeder Natuur nodig om alle bulken zonlicht mijn richting in te sturen en mij warm te maken, een schamper oogcontactmoment lang - waarin het leven plots weer logisch is en zin heeft. Dat jouw glimlach met gemak doorheen al mijn huidlagen, borstkassen en warm doorbloede aderen piert, is niks nieuw. Alsof het terugkeert van een verre ontdekkingsreis en in een nostalgische vlucht naar huiselijke en heimweeriekende oorden zijn weg terug vindt naar mijn hart. Met open armen in ontvangenis en juveniele tranen van geluk. Tweeëneenhalve seconde einde van de wereld - zo heerlijk warm en schoon. Maar zo veel te kort. Moeder Natuur slaakt een kreunende zucht onder de klokken der zeemzoeterij die zonder pardon de sluizen der meligheid openen en de ruimte onder water dreigen te zetten. Zuurstof vult opnieuw onze gedeelde ruimte en de muurbloempjes pronken met hun kleuren als nooit tevoren. Hun blikken schieten alle richtingen uit, die van ons, verward door de drukte en chaos, verliezen hun moment. Verloren in een gevaarlijk irisverkeer en verstomd door de onverhoedse overlast. Die van jou, terug op reis. Die van mij, voor eeuwig aan de grond genageld.
Loos 0.02
Ik mis je zoals een vogel zijn vleugels mist als die ervan gevallen zijn.
Loos 0.01
Dat het leven slijt, is niet langer een prozaïsche uitvlucht, maar een makgemaakte werkelijkheid die je het liefst zou degraderen tot een fijngemalen korzel opdat je die makkelijk kan kwijtspelen - maar het neongeletterd levensdoel dat 'slepen moet' geworden is, helpt niet en versterkt de onmogelijke kracht die het vergt amper.
Symbiose.
Mijn ego was een stompje toen, toen ik nog sproeten had en op mijn duim zoog. Appelmoes was de kaviaar in mijn leven en zeven maal zeven was een doodgewone tafel, geen achterlijk clerusgezang. De haren op mijn hoofd waren nog maagdelijk blond en niet dat verkankerde vaalgrijs van nu. Toen waren die tevreden met mijn hoofdhuid als primair vertoef en de eigenzinnige expeditie naar mijn oksels en ander schaamlijke streken was tot dan toe schijnbaar uitgebleven. Maar net als nagels en bakkebaarden, groeit een ego ook aan. Ik besloot schrijver te worden en mensenmonden te vullen met mijn fijnzinnig woordelijk gebruik. En literaire orgasmes te bezorgen door de donkere leegtes van mijn pen op te zoeken en die op elegante wijze over crèmekleurig papier te strijken. Mensen zouden aan mijn lippen hangen. Ze zouden mijn handen masseren opdat ik niet verroesten zou. Ze zouden wanhopig situaties uithalen zodat ik daar inspiratie uit kon broeden. Weldra zouden dieren uit alle mogelijke klassen de leegte boven mijn haard vullen. Inktapen en Gouden Uilen zouden hun biotoop verruimen en in harmonie naast elkaar leven. Als waren zij antilope en ossenpikker, zo’n verheerlijkte symbiose zou mijn woonkamer sieren. En mijn ego strelen, elke keer ik onnodig een ommetje langs de haard maak om de apen en uilen in achting te nemen, ze over de kop te aaien en mijn ego te laten zegevieren tot proporties die onbeschrijfelijk en groter dan Vriendelijke Reuzen zijn. Gevaarlijk vallen zou het, mijn ego. Gekrenkt en berokken zou het ineen kruipen als een hamster in een winterslaap. Gestikt in eufemismen en rijmschema’s. Terwijl ik ontwaak uit een droom. Mijn ego was een stompje toen, toen ik nog sproeten had en dromen kon. En alles wat ik eerder schreef, dat heb ik in een heimelijk verlangen naar een onvervulde droom, uit mijn duim gezogen.
Verdraagzame kramp.
Ik ben een oermens met finesse en culinaire kennis. Jij bent mijn hongerstillende lievelingskost. Alleen al de gedachte aan jouw verse vlees is voldoende om mijn mond vol voorgenietend vocht te vullen. De geur is wildmakend. Het aanzicht bijna ondraaglijk. Als ik je eten zou, dan zou ik mijn gebruikelijke boerse manieren van tafel schuiven, en voor deze ene keer je malse vlees met precisie snijden. Het idee om meteen mijn tanden in je massa te zetten, wijd ik aan een ongezouten oerinstinct, maar dat idee laat ik nu bedaren. Als ware jij mijn patiënt, snijd ik je met doordachte tederheid aan. Waarna ik je hap voor hap mijn warme mond inbreng. En op je sabbel. Minstens twintig keer per stukje. Dat is gezond - naar 't schijnt. Met veel genoegen slik ik elk partje van je door. In mijn vochtige en warme lijf, daar bewaar ik je. Zodat je aan mijn ribben kan blijven plakken. Of op mijn maag of lever kan gaan liggen. Ik spies mijn endeldarm toe, zodat je voor altijd in mijn lichaam blijft dolen. De vertering duurt een eeuwigheid. Maar dat mag gerust. Je vereenzelvigt met mijn darmflora. Je wordt die ene onaangename kramp die ik verdragen kan.
Plat du jour.
Gij hebt een arsenaal aan nagels om aan uw gat te krabben. Er staan dienstmeisjes in uw gang, niet omdat gij ze nodig hebt, maar omdat ge ze mooi vindt. En omdat ge door hun krullen wil friemelen als ge daar zin in zou hebben.
Uw keuken is uitgerust met ijzers voor alle mogelijke plat préférés; van croque monsieurs tot Luikse wafels. Met of zonder slagroom. Maar eten doet ge zelden thuis. Op restaurant zijt gij een vaste klant met zijn eigen plat du jour, zijn persoonlijke bediening en een tafel - voor eeuwig gereserveerd. Gij groet de kok met een broederlijke knipoog. Betalen doe je met veel gratie en een extra fooi - als de wijn u heeft gesmaakt.
De omvang van mijn keuken is verwaarloosbaar. De laatste nagel die ik had, houdt het enige schilderwerk omhoog dat mijn woonkamer siert. Geen Appel, maar een gevingerverfd meesterwerk van vroeger. Home-made. Moest ik van vagina en borsten voorzien zijn, dan zou ik in uw gang staan. Ik zou mijn stijle haren krulspelden net zolang tot gij de bolling van elke krul hebt goedgekeurd. Zodat gij kunt friemelen. Moest ge daar ooit zin in hebben.