‘Ik heb tegen haar gezegd dat ze je niet steeds van die complimentjes moet geven. Ik zei dat je dat echt niet leuk vond.’
O, wat vond ik Pieter toch een leuke knul. Hij nam het voor me op tijdens de psycho motorische therapie toen ik er niet was.
Pieter en ik deelden onze afkeer van de psycho motorisch therapeute. We mochten niets doen in de gymzaal, als de therapeute er nog niet was en we eerder klaar waren met omkleden.
Dat is voor mensen die van bewegen houden als tegen een kind in de snoepwinkel zeggen dat ze geen snoepje mogen pakken.
Pieter kon moeilijk stil zitten. Hij had vaak iets in zijn handen om mee te spelen en droeg sokken in zijn sandalen.
Tijdens mijn opname in de psychose unit van de open afdeling kwam ik hem voor het eerst tegen. Hij was erg begaan met zijn mede cliënten op de afdeling. Een Poolse man die vrijwel nooit sprak kreeg zijn speciale aandacht. Pieter liet hem klassieke muziek horen en probeerde contact met hem te maken. Ik werd een beetje moe van het ‘redderssyndroom’ wat veel cliënten hebben tijdens hun opname. Ze helpen graag anderen en vergeten zichzelf compleet.
Aan de hand van het kamernummer van iedere cliënt kon Pieter informatie lezen. Zo stond mijn kamernummer voor de Reisleider. Volgens Pieter was ik degene die de reis uitstippelde, zodat de rest kon volgen. Ik kon er wel om lachen. Wat ik niet grappig vond was dat hij hele blocknotes vol schreef met informatie waarmee hij anderen kon helpen. Er zat geen samenhang in en kwam psychotisch op mij over.
Pieter at heel langzaam. Hij vond het zonde om eten weg te gooien, dus als er iets overbleef bleef hij net zolang eten totdat het op was. Tosties en curry waren zijn favorieten. Ik hield er niet van om lang aan tafel te zitten, dus ik irriteerde me iedere avond een hoedje. Ik liet niets blijken, want ik wilde niet dat iemand in mijn kaarten kon kijken.
Ik kwam hem een half jaar na mijn opname tegen toen hij deel ging nemen aan de deeltijd behandeling voor mensen met een psychotische kwetsbaarheid. Van een schijnbaar vrolijke jongeman was hij veranderd in een angstige en schuchtere jongen die in eerste instantie de mensen om zich heen niet aan durfde te kijken. Een wereld van verschil. Ik vond het leuk hem weer tegen te komen, want hij was een aardige en slimme jongen.
Toch kon ik zien dat de chaos in zijn hoofd nog niet was gaan liggen. Hij woonde bij zijn ouders en blowde regelmatig. Hij nam geen anti psychotica meer, want hij was ervan overtuigd dat toen hij op de afdeling deze medicatie ging slikken, hij nog psychotischer werd door dezelfde medicatie.
Het was een grote stap voor hem om deel te nemen aan de deeltijdbehandeling. Als hij een afspraak had met zijn behandelaar kwam hij regelmatig niet opdagen. Dat snapte ik volkomen. Zijn behandelaar was verbonden aan de psychose unit, en al die tijd dat ik er opgenomen was negeerde ik zijn behandelaar compleet. Ik vond het een betweterige autoritaire man die nogal verslaafd was aan de nicotine. Hij benaderde zijn cliënten alsof ze oost-indisch doof waren, ook al spraken ze een andere taal.
Toen Pieter eenmaal gesprekken kreeg met een psycholoog kwam hij wel opdagen. De psycholoog hielp hem echt vooruit en snapte wat hij bedoelde, vertelde Pieter. ‘Waarom vraag je dan niet of de psycholoog je behandelaar kan worden?’, vroeg ik hem. ‘Het kan toch gewoon dat het niet klikt tussen bepaalde mensen.’ ‘Mijn behandelaar is zo betweterig en autoritair’, zei Pieter. ‘Ik voel me steeds als een klein kind behandeld als ik bij hem ben’, zei hij.
Een maand later werd de psycholoog zijn nieuwe behandelaar. Dat vond ik werkelijk top voor hem en top dat de mogelijkheid er is om te wisselen van behandelaar als het echt niet klikt.
Hij kon prachtig zingen. Een paar oude vriendinnen van de middelbare school zaten in het zelfde kerkkoor als waar Pieter in gezongen had. We waren allebei verbaasd dat we dezelfde mensen kenden. We kenden allebei de liedjes van Alfred Jodocus Kwak en die konden we letterlijk mee zingen.
Verder was ik stil en nam ik geen iniatief tot meer contact. Ik durfde niet en ik was heel erg moe. Ik zat vol met risperdal en de dichte wolken hadden ieder gaatje licht in mijn hersenen gedoofd.
Nooit ben ik echt sociaal geweest tijdens de deeltijdbehandeling. Misschien in het begin toen ik nog hyper de pieper was en nog niet alle levenslust was gedoofd. Later misschien een enkele keer als ik zag dat een nieuwe deelnemer niet wist waar de koffie automaat stond.
Ik werd overladen met de problemen van anderen en deze keer had ik de rol van cliënt. Ik hield vaak mijn mond en probeerde de problemen van anderen te negeren. Af en toe zei ik iets aardigs. Hoe langer ik deelnam, hoe stiller ik werd. Ik werd overladen met informatie, terwijl ik het liefste rust wilde. Ik wilde mezelf weer kunnen voelen en in een creatieve, veilige omgeving mezelf ontplooien. Ik had een hekel aan de provocaties van jonge mannen, die als wilde reeën sprongen in de ruimte.
Ik ben echt aardige mensen tegengekomen tijdens mijn opnames en deeltijdbehandeling. Maar op een of andere manier kap ik het contact toch altijd af. Ik doe dat bij bijna iedereen. Dan laat ik gewoon niks meer van me horen. Ik ben nog weleens gaan wandelen met een meisje uit de deeltijdbehandeling. Ze praatte continu over haar psychoses en wat ze allemaal wel niet dacht tijdens haar psychose. Haar lichaam was bedekt met tatoeages, die ze grotendeels bij zichzelf had gezet. Ze liep in cirkeltjes in haar hoofd en ik werd er erg moe van.
Ik had geen zin om over psychoses te praten. Ik wilde nu juist kijken naar de bomen en de bloesem, naar de eenden en de kuikens. Ik kwam haar later weer tegen bij een herstelgroep waar ik aan deelnam. We hadden dezelfde trajectbegeleider. Maar ik weet bijna zeker dat het haar behandelaar was die een leer-werkplek voor heeft gecreëerd. Of in ieder geval het iniatief ertoe genomen heeft.
Nu plant ze de routes van bussen voor oudere mensen, vertelde mijn behandelaar. Dat vertelt ze dan op een manier alsof ik inspiratie moet halen uit dit ‘succes’ verhaal. Maar wie vertelt mij dat ze nu gelukkig is? Dat gaat mij natuurlijk niets aan, maar succes is voor mij als je gelukkig bent met je leven en waar je nu staat. En dan interesseert het mij geen hol of je planningen maakt, vrijwilligerswerk doet, een betaalde baan hebt of een succesvol bedrijf hebt.
Succes zit hem in het ervaren van kleine geluksmomenten die je op een onbewaakt moment komen bezoeken.