Dt. 6:1-9; Mt. 5:13-16 – tekst: Mt. 5:14a.
Het is voor ons vaak een worsteling herkenbare christenen te zijn. Hoe weten andere mensen dat we christenen zijn, dat we naar de kerk gaan en dat God onze Vader is? Waaraan zien ze dat? Soms zijn we geneigd anonieme christenen te zijn. We geloven, we gaan naar de kerk, we lezen onze Bijbel, maar dat doen we meer voor onszelf. Anderen merken er weinig of niets van. Wat merken mijn kinderen ervan dat ik geloof? Wat merken mijn vrienden ervan, mijn buren?
De vraag is: moeten ze dat merken? Moet het er duimendik bovenop liggen dat we gelovig zijn, dat we naar de kerk gaan? Het kan soms irritaties oproepen als we overdreven met ons geloof te koop lopen.
Maar wat zou er gebeuren als we nooit met iemand over ons geloof spraken? Hoe zou het evangelie dan gecommuniceerd worden? Hoe zouden andere mensen dan ooit weten dat er een God bestaat, dat Jezus ons redt, dat de Heilige Geest werkt? Als we bijvoorbeeld als ouders nooit met onze kinderen over het geloof zouden praten, dan zouden we niets aan geloofsopvoeding doen en dan zouden onze kinderen nooit weten van God en de Bijbel. Zijn wij als christenen herkenbaar? is de vraag.
Maar moet dat herkenbaar zijn alleen door onze woorden gebeuren? Moeten we ook niet doen wat God van ons vraagt en daardoor laten zien dat we christenen zijn?
Juist over al deze vragen gaat het in het gelezen gedeelte uit Mattheüs 5. Dit gedeelte is onderdeel van de Bergrede. Hierin onderwijst Jezus zijn discipelen en vele anderen. Ze mogen aan zijn voeten zitten en luisteren naar zijn woorden. Zo mogen ook wij vanmorgen aan zijn voeten zitten en luisteren naar zijn woorden. In korte en krachtige zinnen zegt Jezus waar het over gaat. Hij is een goed onderwijzer.
Hij zegt tegen zijn discipelen, maar ook tegen ons vanmorgen: “Jullie zijn het zout van de aarde”. Wat bedoelt Hij daarmee? Hij legt dat ook uit in het volgende. Hij zegt: “Stel je voor dat het zout zijn smaak verliest. Waar is het dan nog nuttig voor? Je kunt het evengoed weggooien.” Stel je voor, ik koop in de supermarkt een zak zout en gebruik dat om mijn eten op smaak te brengen. Maar er gebeurt niets. Het eten blijft even zoutloos als het was, smakeloos. Dan kan ik het zout beter in de kliko gooien. Ik heb er niets aan.
Jezus past dit toe op ons. Wij moeten aan de wereld zout toevoegen, smaak toevoegen. Wat bedoelt Hij met het zout? Het evangelie. Wij moeten aan de wereld het evangelie brengen, zodat mensen Jezus leren kennen als de Messias, als de Verlosser. Dat is onze opdracht. Jezus heeft in Mattheüs 28 zijn discipelen de zendingsopdracht gegeven: “Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb.” Het is geen gemakkelijke opdracht. Dat weten we allemaal. We stuiten vaak op tegenstand en verzet als we praten over ons geloof. We worden soms versleten voor ouderwets en dom.
Toch zullen we in woorden en daden iets moeten laten zien van ons geloof, anders zijn we zouteloos.
Op Bonaire kennen we de waarde van het zout. In het zuiden van ons eiland is er een zoutmeer en er zijn zoutbergen. Het zout wordt geëxporteerd. Je kunt er mooie foto’s van maken. Zo moeten ook wij het zout exporteren, het zout van het evangelie. Dat kan in woorden. We mogen hopen en bidden dat anderen ervoor openstaan. Maar we mogen ook in onze daden laten zien dat we gelovige christenen zijn. Anders wordt het wel heel gemakkelijk en goedkoop. Stel je voor dat je wel met je kind spreekt over Gods liefde, maar je kind merkt niet van jouw liefde voor hem?
Jezus sluit in dit alles ook aan bij het gelezen gedeelte uit Deuteronomium 6. God wil het volk wat meegeven voor het nieuwe leven in het beloofde land. Hij wil het volk niet met lege handen daarheen laten gaan. Hij is als een goed vader die zijn kind iets wil meegeven als het gaat studeren in een ver land. Hij wil dat zijn kind voorbereid is voor het leven daar.
God zegt via Mozes dat het volk zich moet houden aan de wetten die Hij gegeven heeft. Dat geldt voor hen, hun kinderen en kleinkinderen. Aan elke generatie wil God iets meegeven. En als het volk zich houdt aan Gods wet, zal het, in de woorden van Jezus gezegd, het zout van de aarde zijn. God geeft het volk dan ook een belofte: het zal gezegend worden. ”Het zal u goed gaan in het land dat overvloeit van melk en honing en u zult sterk in aantal toenemen”. Een mooie belofte, maar is het nu zo, dat ons leven alleen maar rozengeur en maneschijn is, als we ons houden aan Gods geboden? Nee, ook als christenen hebben we soms tegenslagen. We hebben misschien zorgen over onze gezondheid, onze financiële situatie, onze kinderen. Maar wat we wel mogen weten: als we ons houden aan Gods geboden, als we het zout van de aarde zijn, worden we gezegend. God zegent ons werk en onze woorden. Hij verleent er kracht aan. En wat God belooft doet Hij ook altijd. Dat lezen we ook talloze malen in de Bijbel.
Wat we ook lezen in Deuteronomium 6 is de geloofsbelijdenis van Israël. Ik heb hem een keer horen zingen in een synagoge in Jeruzalem. Indrukwekkend. “Luister, Israël, de Heer, onze God, de Heer is de enige”. Ja, de God van Israël is een uniek God. En deze God wil met ons op weg gaan, met u, met jou, met mij. Ik hoop in de drie maanden dat ik hier ben iets voor de gemeente te kunnen betekenen, ja, tot zegen te zijn. Dat zijn misschien grote woorden, maar het zout van het evangelie is niet krachteloos, maar vol kracht. Daar ben ik van overtuigd. Het zout van het evangelie werkt in de harten van de mensen, soms openlijk, soms op een verborgen wijze.
Ik zei het al: Jezus is een goed onderwijzer. Met nog meer voorbeelden maakt Hij zijn punt duidelijk. Hij neemt nu het voorbeeld van het licht, maar Hij bedoelt hetzelfde als het voorbeeld van het zout. Hij zegt tegen zijn discipelen: “Jullie zijn het licht in de wereld”. Jullie moeten met jullie licht schijnen in deze duistere wereld. Jullie moeten zijn als een stad op een berg. Die kan onmogelijk verborgen blijven. Van verre zie je hem al.
En ik denk dan aan de vuurtoren op de zuidpunt van ons eiland. Ik weet niet of hij nog werkt, maar hij was voor de schepen een baken in de duisternis. Aan het licht konden ze zien: daar is Bonaire, daar moet ik heen.
Het licht moet ergens toe dienen, anders is het nutteloos. Het moet schijnen. Stel je voor, je hebt een lamp. Je doet hem aan, maar vervolgens gooi je er een kleed overheen. Dan zie je het licht niet en de lamp is gewoon nutteloos.
En dan besluit Jezus deze perikoop met deze woorden: “Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.” Hoort u het, gemeente? Wij moeten het licht van het evangelie laten schijnen in deze wereld. Maar de wereld mag ook onze daden zien, dat ze in overeenstemming zijn met Gods wil en wet. En waartoe mag de wereld Gods licht zien? Dat ze God de Vader eren. Want Hij is het waard. Hij is Schepper van hemel en aarde. De wereld mag Gods licht zien om de juiste weg te gaan. Wij mogen Gods licht zien, zodat we doen wat Hij vraagt.
Samenvattend mogen we zeggen: wij als gelovigen mogen een lichtend licht en een zoutend zout zijn. We mogen ertoe doen in deze wereld. Onze aanwezigheid kan en mag niet onopgemerkt blijven.
Tenslotte: hoe heeft Jezus zijn eigen woorden in de praktijk gebracht? Hoe was Hij een zoutend zout en een lichtend licht? Hij zegt ergens: “Ik ben het licht van de wereld”. Dat zijn mooie woorden. Maar hoe heeft Hij die in de praktijk gebracht? Dat deed Hij door zijn leven voor ons te geven aan het kruis. Hij stierf daar voor ons, om ons te verzoenen met God de Vader. Wij waren en zijn zondaren, maar in onze plaats leed en stierf Hij. In die zin was Hij het licht voor de wereld, in die zin was Hij het zout van de wereld.
Toen Hij op aarde rondwandelde, bracht Hij zijn eigen woorden al in de praktijk. Hij was met de armen en ontrechten. Maar aan het kruis van Golgotha kreeg dit een hoogtepunt.
Wij mogen Hem daarvoor dankbaar zijn. Wij kunnen die dankbaarheid laten zien door het zout van de aarde te zijn en het licht in de wereld.