Bespreking: Peter Motte, 1135 woorden
Ook “La comtesse des digues” door Marie Gevers komt uit de bundel “La petite illustration, romans, 1931, II”.
Dat was een weekblad dat in de titel expliciet vermeldde dat er illustraties in stonden, en het zijn er maar drie per aflevering, soms vier, waarbij er twee paginagrootte buitentekstplaten met zwart- en grijstinten zijn op fotopapier, en verder een…
Gestart met één van de grootste klassiekers uit de wereldliteratuur: “De miserabelen” van Victor Hugo. Hugo schreef zijn monumentale, sociaal bewogen roman, die in 1862 verscheen, naar eigen zeggen ‘voor alle volkeren’. Mede door de talrijke theater-, musical- en filmbewerkingen is het verhaal van de dwangarbeider Jean Valjean, het weesmeisje Cosette, de straatjongen Gavroche en de vele andere personages inderdaad mondiaal cultureel erfgoed geworden. De roman getuigt van een grote betrokkenheid bij het lot van de minstbedeelden in de maatschappij en is onder veel meer een aanklacht tegen een genadeloze justitie die voor de levensomstandigheden van de miserabelen geen oog heeft. Maar ook andere maatschappelijke klassen worden in Hugo’s meeslepende relaas over individu en maatschappij betrokken. Van het zowel boven- als ondergrondse leven van het negentiende-eeuwse Parijs geeft de roman een onvergetelijk portret. De gebeurtenissen spelen in de decennia na de Franse Revolutie, maar nu de verschillen tussen arm en rijk overal weer groter worden blijkt dat deze grootse roman over de sociale verdoemenis opnieuw actueel is. Les Misérables was lange tijd alleen in sterk verkorte uitgaven in het Nederlands te lezen, die geen recht deden aan dit imposante literaire bouwwerk. Dat laatste geldt ook voor de vele filmische en theatrale bewerkingen, want Hugo’s verhaal is zoveel rijker en verrijkender. De miserabelen is een volledige vertaling van deze immense roman en de eerste uitgave die door middel van een uitgebreide annotatie de lezer inzicht biedt in de historische context van de gebeurtenissen in het boek. #leestip #victorhugo #miserabelen #ellendelingen
Vooraan zat de professor die wijs en enthousiasmerend zijn licht over de Franse literatuur liet schijnen. De professor was uiteraard helemaal thuis in deze materie, vermits het zijn vakgebied was, maar gold dat ook voor zijn toehoorders? Links en rechts van hem krasten potloodpunten in het papier. Het vergde een behendige schrijfhand om het uitgesprokene bij te houden. Zijn eigen gekribbel leek…
Christophe Vekeman over ‘De Levenden Herstellen’ van Maylis de Kerangal, verschenen bij De Bezige Bij
Quotering: witte botjes (= lees iets anders)
De eerste pagina’s van De levenden herstellen van Maylis de Kerangal (1967) zouden prima kunnen fungeren als een literaire boodschap van de overheid.
Op een ijskoude februaridag omstreeks zeven uur in de ochtend rijden drie jongens van twintig, de zelfbenoemde ‘Tres Caballeros’ alias de ‘Big Wave Hunters’, nadat zij met hun surfplank de woeste Normandische golven hebben bereden, in hun busje (hun ‘van’) weer naar hun respectieve ouderlijke huizen, maar onderweg gebeurt er iets waardoor zij met hoge snelheid tegen een verkeerspaal belanden. De bestuurder en de jongen die tegen het rechterportier aan zit komen er van af met kneuzingen en lichte breuken, maar de middelste passagier, hij die geen gordel droeg, belandt onomkeerbaar in een zo diepe coma dat hij hersendood moet worden verklaard, wat wil zeggen dat hij officieel gestorven is, maar dan zonder een lijk achter te laten: zijn hart klopt nog en is kerngezond. Hij is dus een gedroomde donor, en in haar negende boek volgt Maylis de Kerangal het wedervaren van dit hart van Simon, zoals de ongelukkige heet, op zijn reis van het ene lichaam naar het andere, te weten dat van ene Claire Méjan, een moeder van drie zonen die aan myocarditis ofte hartspierontsteking lijdt.
Het is een reisverslag met vele omwegen en haltes, evenwel, want de schrijfster schenkt niet enkel haar aandacht aan Simon en zijn hart, maar ook aan zijn ouders, aan zijn liefje, aan de dokter op de spoedopname, aan de nieuwe verpleegster Cordélia, aan de donorcoördinator en noem maar op: van al deze mensen wordt de levenssituatie kort geschetst, wordt hun voornaamste passie beschreven, wordt verteld hoe zij de afgelopen nacht doorgebracht hebben et cetera, een techniek die uiteraard sterk doet denken aan onder meer films als Short Cuts en in het Nederlandse taalgebied De jurk van Alex van Warmerdam, en die hier moet illustreren ‘hoe versnipperd de wereld is’ en ‘dat de mensheid is vermalen tot een oneindig aantal dwars dooreenlopende paden’, zoals De Kerangal ergens schrijft.
Een heel originele wijze om een compositie te creëren is een en ander dus heel zeker niet, maar dat wil natuurlijk niets zeggen. Erger is dat er nog een aantal doorslaggevender bezwaren tegen de roman zijn in te brengen.
Zo is er de onbeteugelde gerichtheid van de schrijfster op details. Nu zal iedereen die ooit een basisboek prozaschrijven heeft opengeslagen wel weten dat het weergeven van details een beproefde en noodzakelijke methode is om als schrijver het vertrouwen van de lezer voor je te winnen én om zijn verbeelding te prikkelen, maar trop is toch echt too much, lijkt me. De onvermoeibaarheid, namelijk, waarmee De Kerangal uiterlijkheden, handelingen, locaties en gevoelens beschrijft, krijgt mijns inziens bij momenten aspergerachtige allures en leidt hoe dan ook tot vele bladzijden die waarlijk geen enkele vorm van informatie verstrekken die van belang is voor het verhaal en bijgevolg als niet anders dan als holle belletrie moeten worden aangemerkt.
Daarnaast is er het sneue feit dat je van al die verschillende personages in het boek niemand echt leert kennen, en dit om de eenvoudige reden dat niemand echt een persoonlijkheid lijkt te bezitten. Zo spectaculair als een harttransplantatie wezenlijk is, zo zielloos zijn de mensen die dit boek bevolken: werkelijk niemand komt tot leven onder de pen van De Kerangal, nooit is er eens iemand die iets buitenissigs of afwijkends doet, nooit wordt er eens iemand of iets, al was het maar een ver karaktertrekje, beschreven dat je doet opkijken of nadenken, dat je doet hoofdschudden, walgen of grinniken. Alles en iedereen baadt in voorspelbaarheid. Natúúrlijk heeft de moeder van Simon verdriet. En zijn vader ook. En zijn zij boos. En vinden zij het moeilijk om zo snel na zijn onverwachte overlijden de beslissing te nemen om zijn hart (en longen en nieren en lever) af te staan.
En natúúrlijk is Claire nieuwsgierig naar de anonieme donor dankzij wie zij verder zal kunnen leven, en natúúrlijk voelt zij zich behalve blij en dankbaar ook schuldig, – maar de vanzelfsprekendheid van een en ander houdt de schrijfster niet tegen, helaas, om dit allemaal met zo uitzonderlijk veel misbaar uit de doeken te doen dat je van de weeromstuit te kampen krijgt, als lezer, met een groeiende, gloeiende hekel aan al deze doodbrave mensen en dit al met al zonder meer doodsaaie boek.
Christophe Vekeman over Petronilla van Amélie Nothomb (De Bezige Bij)
Quotering: bruine botjes (= lekker weglezend, maar niet erg hoogstaand)
Het was een flink poosje geleden dat ik nog eens een boek van Amélie Nothomb gelezen had, maar dat lag zeker niet aan Amélie zelf, want de populaire Waalse – zij het in Japan geboren – schrijfster annex diplomatendochter maakt er al sinds haar debuut in 1992 een erezaak van elk jaar een roman te publiceren. In deze romans, steevast minder dan tweehonderd kleine bladzijden dun, ontvouwt Nothomb een grimmig mens- en wereldbeeld en flirt zij gaarne met de decadenterige sfeer van de Franse symbolisten en met het genre van de gothic novel, een fascinatie die zij ook tot uiting brengt in haar vestimentaire stijl: veel zwart en dieprood fluweel en hoge hoeden et cetera.
Tot op heden wil de schrijfster met alle geweld gevaarlijk en bedreigend, mysterieus en een beetje krankzinnig op de mensen overkomen, en de perceptie is haar op dat vlak inderdaad ook heel dikwijls ter wille, maar mijn eigen bewondering voor haar is altijd enigszins halfslachtig geweest. Als Nothomb een spookachtige verschijning wilde neerzetten, zag ik al te dikwijls gewoon een ouder wordend meisje met een boel te bleke en slecht aangebrachte fond de teint op haar gezicht, en het gekoketteer met haar eetprobleempjes en haar zogenaamde ‘schrijfverslaving’ was lang niet altijd van dien aard dat ik er sterk van onder de indruk geraakte.
In haar nieuwe roman, Petronilla, was ik nog geen handvol bladzijden ver, of ik had wederom een tweeledig gevoel. Enerzijds strooit Nothomb met spitse oneliners als ‘Drinken zonder dronken te willen worden is even schandelijk als naar gewijde muziek luisteren en zich voor verheven gevoelens afsluiten’, anderzijds heb je van meet af aan het gevoel dat ze beloftes doet die ze niet waarmaken zal.
Nothomb valt met de deur in huis en heeft het over haar grote liefde voor champagne, een godendrank, een elixir, een roesbrenger die ‘nergens anders mee te vergelijken’ valt. Jarenlang heeft ze gedronken zoals iedereen, maar het voornaamste gevolg daarvan waren katers. ‘Toch ben ik altijd blijven denken dat er meer te halen viel uit mijn zoektocht.’ De suggestie, echter, dat ze vervolgens een boek(je) lang verslag zal uitbrengen van de een of andere avontuurlijke queeste naar de diepste geheimen die betreffende drank in zich draagt, of van haar totale onderdompeling in de sprankelend duistere wereld van de champagnejunkie, wordt algauw gepareerd door wat Nothomb ons vervolgens met iets te veel aplomb vertelt: dat ze eens zesendertig uur gevast heeft en daarna een hele, nee, echt waar, een héle fles champagne naar binnen werkte. Je maakt wat mee in het leven.
De roman gaat dan ook niet over champagne of drinken of alcohol, maar wel over vriendschap, meer bepaald de vriendschap van de vertelster met genaamde Petronilla, een personage dat is gebaseerd op de Franse schrijfster Stéphanie Hochet. De ik-figuur ontmoet de tweeëntwintigjarige Petronilla in 1997 tijdens een signeersessie, waarna zij, jawel, een fles champagne leegdrinken, waarna Petronilla buiten tussen twee geparkeerde auto’s in haar blaas ledigt, waarna de gechoqueerde Nothomb jarenlang geen contact meer met haar zoekt. Maar later komt het toch weer goed tussen de twee en beleven zij een aantal, doorgaans – let wel - met champagne besprenkelde avonturen die ongetwijfeld erg plezierig zijn geweest om mee te maken, maar die misschien niet écht spectaculair genoeg zijn om in een boek wereldkundig te maken…
Stéphanie Hochet
Toch is Petronilla – net als de andere boeken die ik van Nothomb heb gelezen – allesbehalve een vervelend of anderszins verwerpelijk werkje. Nothomb weet als vanouds een verteltrant aan te houden die zowel kurkdroog als licht hysterisch kan worden genoemd ...
‘Ik had het gevoel dat ik het dieptepunt had bereikt, ook al brengt het ongeluk om zoiets te denken. De realiteit slooft zich altijd uit om je te laten zien hoe weinig verbeelding je hebt’)
... en verstaat gek genoeg de kunst om clichés te hanteren op een frisse, levendige manier ...
‘“Wat moet ik zonder jou, jij aap?” riep ik brutaal naar haar. Ik plofte neer op mijn bed, meer dood dan levend’
... zodat ze je stilistisch onophoudelijk blijft prikkelen. Daarnaast staan er scènes in het boek die mettertijd misschien wel onvergetelijk zullen blijken te zijn, zoals die waarin Nothomb naar Londen afreist om er Vivienne Westwood te gaan interviewen en erachter te komen dat deze de meest onaangename tang ter wereld is – de ontmoeting eindigt ermee dat Nothomb de zwarte poedel van de modegigante in opdracht van die laatste mee naar buiten neemt voor een sanitaire wandeling…
Modeontwerpster Vivienne Westwood ... niet echt een vriendin van Amélie Nothomb.
Petronilla is kortom, dankzij de sterke stem van Nothomb, en ondanks de dunne verhaallijn, een prettig weg lezend boekje, hoogstaand en vluchtig als een coupe van goede kwaliteit.
Christophe Vekeman over Je moet veel van mannen houden van Marie Darrieussecq (De Arbeiderspers)
Quotering: witte botjes (= lees iets anders)
Ik had opvoorhand nogal wat bezwaren tegen Je moet veel van mannen houden van Marie Darrieussecq, maar vond ze zelf in alle eerlijkheid oneigenlijk en weinig doorslaggevend. Zo achtte ik de voorflap van het boek, waarop een zwarte man en blanke dame blijkbaar bezig zijn iets te bedrijven wat misschien wel de liefde is, nu niet meteen van die aard dat ik haar achter glas wilde ophangen boven mijn bed, maar goed, wat had Marie Darrieussecq tenslotte in de pap te brokken aangaande de voorflap van de Nederlandse vertaling van haar nieuwe roman?
Ook aan het feit dat haar foto op het achterplat mij sterk deed denken aan een meisje dat ik al jaren ken en nooit heb kunnen uitstaan, kon Marie maar weinig doen, diende ik toe te geven. En juist, Je moet veel van mannen houden is niet de beste titel van de eeuw, maar anderzijds toch wel weer een hele stap voorwaarts in vergelijking met bijvoorbeeld haar debuut uit 1998, dat in het Nederlands als Zeugzoenen vertaald werd. Het boek zelf, hield ik mij voor, kon dus alleen maar meevallen.
Dat deed het niet, helaas. Lieve hemel, nee.
Er zijn schrijvers die je van bij de eerste bladzijde van hun boek weten te vervullen van de blijde overtuiging dat ze bulken van het talent, en dat je hoe dan ook bij hen in goede handen bent, en er zijn er zoals Marie Darrieussecq, die zich geen ogenblik inhouden om zinnetjes als ‘Zijn pupillen wonden zich tot een vurig lint’ en ‘Ze deed ze weer dicht, zonk weer terug in het rode zwart’ op de nochtans volmaakt onschuldige lezer los te laten.
Los Angeles
Centraal in het boek staat Solange, een jonge vrouw die in Parijs geboren is, maar sinds vier jaar in Los Angeles woont en daar als actrice aan de kost komt. Op een feestje ontmoet zij genaamde Kouhouesso, waarna er het volgende gebeurt:
‘Hij straalde een krachtveld uit, tastbaar, verblindend, de klap van een aanhoudende explosie. Er sloeg een golf door haar heen die haar uit elkaar deed vallen. Haar atomen werden verpulverd. Ze loste op en dat wilde ze toen al: uit elkaar vallen.’
Kouhouesso is van het zwijgzame type, en gelukkig maar: ‘Ieder woord van hem is kostbaar, vormt een kleine opening in zijn zware hoofd’. Daarnaast is hij niet zo dol op haar als zij op hem, en is het duidelijk dat de relatie die tussen hen ontstaat geheel en al door hem bepaald en ook gedomineerd wordt. Zijn hart ligt bij de door hem te regisseren verfilming van Joseph Conrads Heart of Darkness, de korte roman die Francis Ford Coppola inspireerde tot het maken van Apocalypse Now, maar die zich uiteraard niet in Vietnam maar wel in Congo afspeelt – en daar is het ook, in het Regenwoud, dat Kouhouesso zijn film wil gaan opnemen. Zowel Solange als George Clooney, die op vrij ruime schaal figureert in dit boek en zodoende bewijst dat hij er als romanpersonage lang niet zoveel van bakt dan als acteur, zullen er in meespelen.
George Clooney. Beter als acteur dan als romanpersonage.
Je moet veel van mannen houden gaat niet alleen over een eenzijdige amour fou (‘Ze bedreven snel de liefde, in één ruk, ademloos. Ze zou tien jaar van haar leven hebben gegeven voor die paar minuten. Dat was de gekte. De ziekte’), maar ook over het kleurverschil tussen mensen. Kouhouesso – het liet zich al raden – is namelijk afkomstig van Kameroen en ‘chocoladebruin’, wat Solange zich zeer bewust laat worden van haar eigen bleke huid. Ze is als de dood om zichzelf op racistische gedachten te betrappen, bijvoorbeeld wanneer ze zich afvraagt of zwarten niet de neiging hebben om almaar overal te laat te komen. Kouhouesso doet er overigens maar weinig aan om haar gerust te stellen: ‘Wat jij wil is een diploma. Een diploma voor niet-racisme. Je gaat alleen met me naar bed om dat te krijgen.’ Solange dan weer – zó gek kan de liefde maken - zou ‘haar huid willen openkrabben om hem de universele Benettonkleur van haar bloed te laten zien’. Niet doen, Solange!
Je moet veel van mannen houden is een boek dat handelt over de stomvervelende clichés waarin het zelf schaamteloos blijft steken, is geschreven in de hemeltergend kitscherige stijl van een erotische, beetje SM-achtige roman zonder al te veel seks, en moet het vooral van de ontelbare witregels hebben.