Joost Zwagerman besteedt in zijn essaybundel ‘Americana, omzwervingen door de Amerikaanse cultuur’ heel wat aandacht aan al die schrijvers en kunstenaars in wiens hoofd op een dag het licht uitging. Allen Ginsberg zei het al in zijn gedicht Howl: ‘I saw the best minds of my generation destroyed by madness’.
En dat klopt als een bus, vindt Joost Zwagerman: “Een land dat de sterren en de grootste talenten zo op een voetstuk plaatst, dat is ook een land dat moet toezien hoe die sterren van hun voetstuk tuimelen door destructie.”
Zes cruciale voorbeelden volgens Joost Zwagerman:
1. Mike Kelley (pleegde zelfmoord )
“Er was een cult rondom die man ontstaan. Zijn jeugdtrauma’s verbeeldde hij op een dwarse, radicale manier. De helft van de kunstwereld zei: die Mike Kelley, daar moeten we nog even aan wennen. En de andere helft liep er onmiddellijk mee weg. De eerste helft draaide ook om, zodat de man die moeite moest doen om bij het establishment te geraken later des te hartstochtelijker door hetzelfde establishment gegrepen werd.
En dat is het drama van de rebel. Als je rebels blijft, dan wordt er gezegd: ‘Hij is een persiflage van zichzelf’. Verlaat je die rebellie en probeer je mee te groeien met je leeftijd, dan stel je je geloofwaardigheid op de proef. Een rebel kan het nooit goed doen en die doem hangt over het werk.”
2. Jean Michel Basquiat (nam een overdosis drugs)
“Basquiat was de eerste Afro-Amerikaanse kunstenaar die erin slaagde tot het establishment te horen. En dan droeg hij Armani-pakken vol verfklodders: de nobele wilde die entree maakte in de gesloten witte cultuur van de hedendaagse kunst. Hij had beroemde vrienden: Madonna, Keith Haring, Andy Warhol.
Hij ging ten onder aan de hoge verwachtingen maar ook aan de belofte van seks en drugs en rock’n’roll. En dat kon hij zich veroorloven door te verkopen aan mensen die hij zonder z’n kunst nooit zou ontmoet hebben. Maar voor de emancipatie van de Afro-Amerikaan is Bill Cosby belangrijker geweest dan Basquiat.”
3. William Burroughs (kampte met een zware drugsverslaving)
“Amerikanen dwepen graag met zwarte romantiek, maar ik denk dat Burroughs een radicalinski is gebleven voor heel veel Amerikanen. Hij slaat elke romantiek dood. Er is geen hoop. Het feit dat we overleven is alleen maar omdat we niet beseffen dat we omringd zijn door planeten waar alles en iedereen nog gestoorder is dan wijzelf. Hij heeft een hele nachtmerrie-achtige boodschap.
Hij kon het zich veroorloven om subversief te zijn want hij kwam uit een welgesteld milieu. Op latere leeftijd kon hij enorm schelden op communisten, vrouwen, minderheden. Dat is wat die hele generatie ongrijpbaar maakt. Ze waren tegen het gezag, maar op latere leeftijd scholden ze niet meer op het gezag maar op mensen die in het gedrang zaten in de samenleving.”
4. Truman Capote (alcoholisme)
Op het moment dat het succes hem overvalt met zijn faction novel ‘In Cold Blood’, raakt hij in de greep van zelfdestructie en alcoholisme. Hij raakt verlamd, hij weet niet hoe hij dit grootse epos nog een vervolg moet geven en hij wordt een karikatuur van zichzelf die beschonken in talkshows komt opdagen. Hij doet alsof hij werkt aan een nog grotere roman maar dat blijkt een leugen te zijn, hij heeft er maar 1 of 2 hoofdstukken van geschreven. Zijn nadagen zijn één lange uitgestelde zelfmoord. Hij heeft zich doodgedronken zoals ook Kerouac. En dat is extra tragisch omdat hij in z’n jonge dagen zo’n zondagskind was: iedereen hield van hem.
5. Ernest Hemingway (pleegde net zoals zijn vader zelfmoord)
“Het succes dat kwam was geen onverdeeld genoegen. Er was die kwelling, die onzekerheid, en toen de grote acceptatie van buiten kwam (zoals de Pulitzer Prize) was hij niet in staat om ervan te genieten. En omdat hij niet in staat was om te genieten wakkerde hij zijn zelfhaat aan, want hij werd geacht ervan te genieten. Hij deed alsof hij ervan genoot en het goede leven leidde, maar het was allemaal zelfverachting en zelfverloochening. Het is één van de meest treurige schrijverslevens van de 20ste eeuw.
Hij pleegde zelfmoord met een bijna Japanse zelfverachting. Hij gunde zichzelf geen zachte dood, zoals barbituraten of de polsen doorsnijden in warm water. Hij strafte zichzelf met een kogel door het hoofd. Er moet iets gekwelds aan hem gezeten hebben, en één van die kwellingen was de dood van zijn vader door eigen hand.”
6. Andrew Solomon (depressie)
Andrew Solomon is een non-fictieauteur die meer dan acht jaar in de greep was van een levensbedreigende depressie en die een aantal zelfmoordpogingen heeft gedaan. Hij scrheef een meer dan 800 pagina’s tellend boek over de geschiedenis van depressie, de manier waarop we depressie behandelen in diverse landen en suicidepreventie. Voor mij was hij een wandelend voorbeeld van het feit dat de zwaarste depressie toch eindig kan zijn.
Pompidou bladert verder in ‘Americana’, de 1200 pagina’s dikke essaybundel van Joost Zwagerman. Vandaag duiken we in journalistiek en massacultuur. Vijf hoogtepunten volgens Joost Zwagerman en Björn Soenens.
1. Edward R. Murrow
Soenens: Murrow was één van de meest befaamde journalisten, uit de tijd dat men nog rookte op antenne. Hij was degene die een vernietigende toespraak heeft gehouden na de McCarthy-periode, waarbij hij in z’n programma brandhout maakte van de technieken van de communistenjager. Hij was de man met een geweten, het geweten van Amerika. Een voorbeeld voor ons allen als journalist.
2. Truman Capote
Zwagerman: In het algemeen is mijn liefde voor Amerika gelegen in de journalistiek: Truman Capote, maar ook het New Journalism van Tom Wolfe: met de wapenuitrusting van de romanschrijver is hij non-fictiestukken gaan maken. Dat is een nieuwe traditie geworden in Amerika, en je ziet dat het nog altijd inspirerend is voor veel Amerikaanse schrijvers.
Soenens: Volgens Alain de Botton moeten journalisten meer technieken uit de kunst gebruiken om impact te hebben. En dat is wat Capote gedaan heeft met In Cold Blood, de eerste ‘non-fictie-roman’. De methodiek van Capote was: achter de feiten reconstrueren, met mensen praten, de nuances aanbrengen, de grijstinten. Nagaan wat echt de motivatie geweest is? En als mensen geen motief hebben, dan laten we dat ook zien. Het horrorverhaal wordt een tragedie. Dan kan je mensen raken, meepakken en iets bijleren.
3. American Beauty
Zwagerman: Eén van mijn lievelingsfilms, die een centrale rol speelt in Americana. De Amerikaan streeft naar een beter leven, helemaal in de lijn van de slogan ‘Go West, young man!’. In dat westen is dan een suburbia. Maar als dat westen eenmaal is opgerezen en je behoort tot die middenklasse, dan moet je na je harde worsteling constateren dat je gevangen bent in datzelfde suburbia. En dat wil je niet toegeven, want je hebt er zo ontzettend hard voor gewerkt, het is het enige paradijs dat binnen handbereik ligt voor de gewone Amerikaan.
Soenens: Ik heb zelf in zo’n suburbia gewoond. Het is inderdaad ‘living hell’. De serie Weeds toont ook mooi, en met veel cynisme, hoe mensen daaruit proberen te ontsnappen.
4. Mad Men
Zwagerman: Mad Men is één van de vele bewijzen van het feit dat de tv-serie de spankracht en de kwaliteit van romans krijgt. Sommige scènes in Mad Men lijken rechtstreeks uit het brein van Franzen of Roth te komen. Los daarvan is het meeslepend en zijn de karakters overtuigend. Don Draper, de man zonder geschiedenis, wil maar één ding en dat is z’n plaats veroveren.
Soenens: Ik word depressief van de reeks, ook al vind ik ze esthetisch prachtig: de kleuren, de lichtinval, de pakken, de sigaretten, het feit dat reclamecampagnes nog getekend worden. En er zit geschiedenis in, zoals de verslagenheid na de moord op John F. Kennedy.
Maar ik word er triest van omdat er geen uitweg is voor de personages. Don Draper vlucht in een bestaan van aan de bar zitten, doelloos drinken, de ene bijslaap na de andere. Op het moment dat hij een vrouw ontmoet die wel sterk genoeg is om met hem om te gaan, stort hij in want hij kan er niet mee om. Hij wil een moderne man zijn maar zit gevangen in zijn eigen identiteitscrisis.
5. David Byrne
Zwagerman: Byrne staat naar mijn idee op dezelfde hoogte als Velvet Underground en Lou Reed, maar nog kunstzinniger. Met Talking Heads is Byrne de eerste die de nervositeit van de grootstad in de popmuziek bracht, zonder dat de spankracht van de soul daardoor moest inboeten. Het heeft witte soul, maar tegelijk de nervositeit van de gemiddelde Woody Allen-film. Dus the best of both worlds. Ik vind het uniek.
Soenens: Joost gebruikt in Americana de prachtige uitdrukking ‘popvenster’ … alle muziek die je hebt leren kennen tussen je 15de en je 25ste, die onthou je. Ik herinner me fuiven waarop ‘same as it ever was’ gedeclameerd werd. Het had ook iets kunstacademie-achtigs, omdat hij helemaal anders was dan doorsnee Amerika: Prince, Madonna, Michael Jackson.
6. Coen Brothers
Soenens: Ik ben een fan omdat de Coen Brothes altijd films maken over losers: mensen die de kracht hebben om altijd de foute keuzes te maken. Zo maken ze makenfiguren die onvergetelijk zijn. Zelfs grote sterren als George Clooney en Brad Pitt laten zich met plezier tot hun ware zelf reduceren.
Zwagerman: Als er nou ergens een stelletje losers rondloopt, dan wel in de film van de Coen Brothers. In ‘The Big Lebowski’ zit hoofdpersonage The Dude echt vast in z’n situatie, en ook de huisvader die het criminele pad opgaat in Fargo sluit zich op in z’n eigen situatie. In die zin is de boodschap nog zwarter dan bij Mad Men. Toch kom je altijd opgewekt de bioscoop uit, want het wordt zo onweerstaanbaar hilarisch gebracht.
Vijf hoogtepunten uit de Amerikaanse kunst van de 20ste eeuw, volgens Joost Zwagerman en Luc Tuymans.
1. Andy Warhol
Zwagerman: Ik ben blijvend gefascineerd door het mediafenomeen Warhol, de kunstenaar Warhol, de man als analyticus. Omdat hij zich in leven en werk bijna als een hologram heeft getoond aan de wereld, zijn er allerlei projecties op hem mogelijk. De man wil een empty box zijn. En het gevolg daarvan is dat je een spervuur van interpretaties op zijn werk losgelaten ziet worden, die ook al fascinerend zijn. Dus er zijn genoeg redenen om blijvend geïnteresseerd te zijn in Warhol. En zoveel jaren na zijn dood blijft hij griezelig alomtegenwoordig in de kunst.
Tuymans: Het heeft lang geduurd voor ik Warhol begrepen heb, tot ik een overzichtstentoonstelling zag in Centre Pompidou midden jaren ‘80. En daar begon te dagen dat het toch een zeer analytisch kunstenaar was.
2. Edward Hopper
Tuymans: Mijn allereerste fascinatie voor een Amerikaanse schilder was met Edward Hopper, toen ik een jaar of 19-20 was. In een tentoonstelling zag ik een klein schilderijtje van Hopper van een man die zijn jas aandeed en het theater uitliep. In Hopper zat iets dat ik meende te herkennen, een gestileerdheid die ik ook van Spilliaert kende.
Zwagerman: Het is posterkunst geworden. Dan is het zaak om de kunstenaar en zijn werk terug uit die context te krijgen. Dat lukt als je goed blijft kijken. Tegelijk is Hopper een fenomeen dat buiten de gemiddelde kunstwereld van Amerika staat. Als je nou één conservatief kunstenaar moet noemen, dan heb je Edward Hopper. Hij voelde zich persoonlijk beledigd door het werk van Pollock, Rothko en de Kooning. Sterker nog, hij zat bij een amateurclub in New York die elke week vergaderde over het feit dat de abstract expressionisten zo hoog aan de hemel waren gekomen en dat het een schande was.
3. Mark Rothko
Zwagerman: Rothko zei: als mensen een religieuze ervaring beleven bij het zien van mijn kunst, dan vind ik dat niet vreemd want ik had het ook bij het maken.
Tuymans: Na jaren verlangd te hebben te Rotkho Chapel te zien, ging ik er eindelijk naar toe en het was een complete desillusie. Dan zie je iemand in een Lotushouding zitten en ligt het daar vol boeken over het geloof.
4. Jeff Koons
Zwagerman: Hij is de verpersoonlijking van de pervertering van de kunsthandel. Je kan het je vandaag niet meer voorstellen, maar de aankoop van Ushering Banality, wat nu door de Nederlanders ‘het varkentje van Koons’ genoemd wordt, zorgde voor nationale verontwaardiging. In ‘Sonja op zaterdag’, een programma met Sonja Barend waar drie en een half miljoen mensen naar keken was het publiek verzameld rond verontwaardiging over die aankoop. Het ging om 40 000 euro, nu is datzelfde varkentje geschat op 18 miljoen euro. Het enige wat Jeff Koons zei: ‘Latere generaties zullen museumdirecteur Wim Beeren zeer dankbaar zijn over de economisch zeer verstandige aankoop van mijn werk’. Dat was natuurlijk een uitspraak waardoor de gemiddelde Nederlander helemaal in de gordijnen zat. In die zin is het natuurlijk pervers om te zien dat een kunstenaar aan de hand van een soort hyperkapitalisme tegelijk rebels kan zijn. Dat is het verwarrende, en daarin blijft Koons die verwarring wel scheppen.
Tuymans: Het is de pose volledig voorbij zijn. Dit is echt een oer-Amerikaans kanon, waar het idee van de vrije markt tot in den treure wordt verder gezet. Kritiek is uit den boze. Het is een heel cynische houding.
5. Jackson Pollock
Zwagerman: Hij staat bij uitstek model voor de tragische Amerikaanse held, bijna een James Dean van de schilderkunst. Hij heeft in z’n vroege jaren heel veel werk gemaakt dat nu alleen nog maar van belang is als illustratie bij datgene waarvoor hij wordt geprezen en dat zijn de drippings. Daarvoor was hij een middelmatig kunstenaar. Op het moment dat hij dat eureka-gevoel heeft gehad, ‘deze taal is de mijne: de drippings’, heeft hij erover gesproken tegen Hans Namuth en nadien is het helaas bergaf gegaan. Misschien omdat hij het heeft uitgesproken.
Tuymans: Er moet eerst een premisse uitgesteld worden zodat er verrassingen kunnen gebeuren tijdens het schilderen. Zijn werk is uit overtuiging geboren, niet uit het idee van het extreme toeval.
Pompidou grasduint een hele week in Americana, de 1200 pagina’s tellende essaybundel van Joost Zwagerman over Amerikaanse kunst, literatuur en popcultuur. Vandaag schuift Christophe Vekeman mee aan tafel.
En dit zijn de vijf hoogtepunten uit de Amerikaanse literatuur, volgens Joost Zwagerman en Christophe Vekeman:
1. J.D. Salinger – Franny & Zoeey
Zwagerman: “Een sleutelboek waar ik in Americana vaak naar verwijs. The Catcher in the Rye durf ik niet heel vaak meer open te slaan uit angst dat mijn toenmalige leeservaring wordt aangetast. Maar Franny & Zoey laat zich vele malen herlezen”.
Vekeman: “Echt een schitterend boek. Een boek om van te houden, en Franny is een personage om van te houden, meer dan Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye.”
2. Brett Easton Ellis
Zwagerman over Less Than Zero: “Het ging over hetzelfde soort ennui als De Avonden van Gerard Reve, maar helemaal doordesemend van de tijd waarin ik zelf opgroeide. Voor het eerst had ik een ervaring waarin tijd en ruimte helemaal in balans stonden. Begin jaren ’80 had je die geblaiseerde yuppiecultuur, alle idealen hadden afgedaan. Het enige wat er nog toe deed was het ideaal van snel geld verdienen. Toen dacht ik: er moet iemand zo’n soort boek schrijven dat voor West-Europa geldt, en als niemand anders het doet moet ik het doen. Dat werd Gimmick.”
Vekeman over American Psycho: “Ik heb dat boek in één ruk uitgelezen en met zoveel genoegen. Ik heb het boek massaal ingekocht om cadeau te doen aan mensen. Zoveel enthousiasme heb ik heel weinig meegemaakt in mijn leescarrière. En het was vooral de stem van Patrick Bateman – de toon tot en met het kommagebruik - dat mij werkelijk omverblies.
3. John Updike, de Rabbit-cyclus
Zwagerman: “Updike heeft oog voor romanpersonages die je zelden in de Amerikaanse literatuur tegenkomt: de echte, all American guy. Die gaat hij psychologiseren en die zet hij centraal in de Rabbit-reeks. Rabbit is notabene een handelaar in auto’s. En dan niet iemand met een Soprano-achtige zwarte rand, want hij zit niet in de criminaliteit. Nee, gewoon een autohandelaar. Die ook nog republikeins is. In een stadje dat min of meer gemodelleerd is naar Pennsylvania. Daar wil je zelfs als Amerikaan niet dood gevonden worden. Hoe erg kan je het maken? En dan toch de lezer bij de lurven grijpen en meeslepen in een Amerikaans familieleven.”
Vekeman: “Zijn grootste kwaliteit is zijn stijl. Hij moet het niet hebben van spectaculaire gebeurtenissen en personages, maar de manier waarop hij het kleinste detail ervaart en zijn grenzeloze vermogen om die gevoelens ook tot uitdrukking te brengen. Zelfs van een leeg flesje zou hij poëzie en proza gemaakt hebben.”
4. F. Scott Fitzgerald – the Great Gatsby
Zwagerman: Onder Amerikaanse schrijvers en lezers is de Great American Novel een echte obsessie. Het boek dat ons niet alleen iets vertelt over de ziel en zaligheid van de Amerikanen maar over het hele continent, de hele samenleving. Het mooie aan The Great Gatsby is dat het een Great American Novel is en tegelijk een hyperslank boek. Maar alles zit erin, in die 200 pagina’s: het najagen van je droom, de melancholie over het feit dat die droom nooit werkelijkheid kan worden, een enorme rouw om het verliezen van een paradijselijke situatie die ooit geweest is. En daarnaast is het ook nog eens briljant geschreven.
Vekeman: Het is heel frappant dat er weinig schrijvers zijn die zo vaak in één adem genoemd worden als Fitzgerald en Hemingway, en laat ze nu net op stilistisch vlak heel verschillend zijn. Waar je bij Hemingway die afgemeten staccato stijl hebt, daar heb je bij Fitzgerald die hele zachte, melancholische melodieën.
5. Camille Paglia
Zwagerman: Amerika had eindelijk een filosofe met star-appeal. En ze had meningen over Nietzsche, Schopenhauer, Hegel en Heidegger, maar ook over Talking Heads en Madonna. Een oerkracht met een enorme liefde voor filosofie maar ook een scherp oog over massacultuur. Een ideale filosoof voor Amerika.
Vekeman: Daarnaast heeft ze heel waardevolle ideeën die teruggrijpen naar het symbolisme en de hele Europese cultuur van rond 1900: de vrouw als natuurkracht en de man als onbeholpen rede-aanbidder die probeert al dat vrouwelijke geweld te bevatten of te overmeesteren met wisselende resultaten.
Summertime and the living is easy: POMPIDOU NON-FICTIE!
De beste non-fictie, voor u verzameld door Pompidou, te weten: Christophe Vekeman, Gudrun De Geyter, Heleen Debruyne, Sara Debroey, Greet Van Thienen en Chantal Pattyn.
Het Koninkrijk van Emmanuel Carrère. Vertaald door Katelijne de Vuyst en Katrien Vandenberghe (De Bezige Bij)
Hoe zijn christenen erin geslaagd om met een volstrekt tegendraadse boodschap als de verrijzenis de wereld te veroveren? Met die prangende vraag schrijft Emmanuel Carrère een even persoonlijk als overwogen speculatief boek over de eerste decennia van het christendom. Carrère praat over zijn periode als gelovige en gaat nu als nieuwsgierige agnost op onderzoek uit. Uit de geschreven bronnen, die dikwijls vol contradicties staan, probeert de scenarist in Carrère zich voor te stellen hoe gebeurtenissen uit de geschriften zich zouden kunnen hebben afgespeeld. Al zijn sympathie gaat daarbij uit naar de evangelist Lucas, die zich als een fijnzinnige Sancho Panza in de omgeving van de fanatieke renegaat Paulus bewoog. Uitstekend vertaald adembenemend giswerk! (GDG)
Goethe. Kunstwerk van het leven. Biografie van Rüdiger Safranski. Vertaald door Mark Wildschut (Atlas Contact)
Hij hield van een vrouw en schreef er brieven over aan een andere. Door erover te schrijven werd zijn werkelijkheid werkelijker, vond Goethe. De biografie van Rüdiger Safranski is een geschenk! Hier wordt niet alleen genereus verteld over het rijke en volle leven van een enorm nieuwsgierig en zeer begaafd schrijver en minister. Safranski schrijft tegelijk de biografie van Duitslands gouden eeuw. Als geen ander kan hij de idealen en hoofdbrekens van de Duitse romantiek uitleggen aan een publiek uit de 21ste eeuw. (GDG)
De schepping van een aards paradijs. Piet Mondriaan 1919-1933 van Léon Hanssen (Querido)
Deze meer dan 500 pagina’s tellende studie over de Parijse jaren van Piet Mondriaan schetst een zeer helder en leesbaar beeld van de kunstenaar die Holland moest ontvluchten om tot zijn neo-plasticisme te komen. Hanssen neemt je mee in zijn denkwereld, van de theosofie van Madame Blavatsky tot zijn hang naar de oosterse denkers. Bovendien zet Hanssen Mondriaan, hoe vergeestelijkt hij ook was, als mens neer. Van zijn stuntelige omgang met vrouwen (Mondriaan had wellicht nooit seks) tot zijn ruzies met Theo Van Doesburg, voorman van De Stijl, zijn fascinatie voor de foxtrot en de jazz en de robotachtige manier waarop hij op deze nieuwe muziek danste. Dit boek leest als een prachtige dwarsdoorsnede van het interbellum in de lichtstad, die niet meer zo avant-gardistisch was als voor WO1, en die Mondriaan nooit zou waarderen. Subliem. (CP)
Madame de Maintenon. 1635-1719. De heimelijke echtgenote van Lodewijk XIV van Hans Bots & Jan Schillings (Vantilt)
Het gebeurde zoals in de Familie Von Trapp. Lodewijks heimelijkste echtgenote, Madame de Maintenon, komt in beeld wanneer ze de zorg op zich neemt van zijn bastaardkinderen. Opvoeden blijft haar lust en leven en met de hulp van de koning zal ze het instituut Saint-Cyr oprichten, waar meisjes van lage adel demoiselles leerden worden. Historicus Hans Bots werkt mee aan de verzamelde briefwisseling van en aan Madame de Maintenon met de vermaarde Franse onderzoeker Marc Fumaroli. Wat dit rijk geïllustreerde boek over haar vertelt komt dus uit de eerste hand. Veel onheil dat Frankrijk en Europa trof, werd ten onrechte aan haar toegeschreven. Maar uit dit bevattelijke overzicht blijkt wel dat ze een belangrijke schakel was tussen de Franse clerus en het toenmalige koningshuis. (GDG)
Pieter Bruegel The Elder. Fall of the Rebel Angels. Art, Knowledge and Politics on the Eve of the Dutch Revolt van Tine Luk Meganck (Silvana Editoriale / Royal Museums of Fine Arts of Belgium)
Een fascinerende studie van kunsthistorica Tine Luk Meganck naar de vele betekenissen die zich ontvouwen in één enkel schilderij van Pieter Bruegel de Oude. In ‘De val van de opstandige engelen’ verknoopt Bruegel het Bijbelse thema over de hoogmoed (de val van de engelen én en passant verwijst hij ook nog naar de Apocalyps) met de politieke spanningen in de Nederlanden rond 1562, het moment waarop hij het werk schilderde. Bovendien zijn de hybride monsters op het schilderij samengesteld uit allerlei voorwerpen die men kon aantreffen in de rariteitenkabinetten waar de geleerden uit Bruegels tijd zo tuk op waren (van Indiaanse vedertooien, gordeldieren, Ottomaanse kromzwaarden, tot exotische flora en muziekinstrumenten) en die getuigden van de toegenomen kennis over de wereld. Een boek dat je anders en beter naar dit duizelingwekkende schilderij -dat in de Brusselse Musea voor Schone Kunsten hangt- doet kijken. (SDB
De stamhouder van Alexander Münninghoff (Prometheus)
Als je Alexander Münninghoff op café zijn levensverhaal zou horen doen, deed je hem af als een bezopen fantast. Zijn oma was een Russische socialiste die het mooie weer maakte in de Letse beau monde, zijn grootvader een gewiekste ondernemer die tijdens WOI spioneerde voor de geallieerden. Een oorlog later vocht zijn vader als onverschrokken Nazi aan het Oostfront. Genoeg materiaal voor zes romans, maar Münninghoff spon er één waanzinnige familiekroniek uit. (HDB)
Oorlogsenthousiasme van Ewoud Kieft (De Bezige Bij)
Wie een beetje murw is geslagen door de vloed aan boeken over de Eerste Wereldoorlog, wordt hier weer klaarwakker van. Ewoud Kieft heeft een voor een historicus verbazend meeslepende pen - hij is daarnaast romancier én zanger in een rockbandje. In 'Oorlogsenthousiasme' legt Kieft uit hoe de intellectuele en artistieke Europese elite in de aanloop naar 1914 warm liep voor een grote, zuiverende oorlog. Een bijzonder verontrustende reis door een tijdsgeest. (HDB)
Event. Filosofie van de gebeurtenis van Slavoj Zizek (Boom)
Wie deze zomer een avontuurlijk boek wil lezen, vol duizelingwekkende bochten langs filosofen, films en de Bijbelse geschiedenis kan terecht bij een filosoof. De Sloveense filosofische superstar Zizek ontleedt de gebeurtenis als iets dat je ontwricht en je leven door elkaar gooit, of zelfs dat van een heel volk, zoals bij een radicale politieke breuk. Van de intens persoonlijke ervaring als verliefdheid tot een nieuwe kunstvorm: Zizek's rijke denkervaring in een boek gegoten. (GVT)
Onrust. Het leven van Jacob Israël de Haan van Jan Fontijn (De Bezige Bij)
Een met vaart geschreven biografie van de schrijver van de eerste expliciet homoseksuele roman van de Nederlandse letteren, Pijpelijntjes (1904), én de eerste Jood ooit die in Palestina het slachtoffer werd van een door Joden gepleegde politieke moord (1924). Boeiend genoeg, maar het mooiste aan het boek is wel dat het stimuleert om het werk van tijdgenoten van De Haan als Carry van Bruggen, Frederik van Eeden, Frans Coenen, Marcellus Emants en dergelijke nog eens – of voor het eerst – ter hand te nemen. (CV)
An Anthology. Women’s Work is never done van Catherine de Zegher (AsaMER. MER. Paper Kunsthalle)
Catherine de Zegher, sinds twee jaar directeur van het Museum voor Schone Kunsten in Gent, had altijd een bijzondere belangstelling voor het werk van vrouwelijke kunstenaars. Als kunsthistorica en curator met een internationale actieradius verrichtte ze pionierswerk. In dit prachtig uitgegeven boek verzamelt ze haar gesprekken met een aantal belangwekkende kunstenaars. Van baanbrekers als Nancy Spero, Martha Rosler en Eva Hesse, niet-westerse kunstenaars als Julie Mehretu, Simryn Gill en Gego, tot de namen die heden het mooie weer maken als Joëlle Tuerlinckx, Ellen Gallagher en Ann Veronica Janssens. Opmerkelijk is dat de Zegher ook Anne Teresa Dekeersmaeker opnam, lang voor bekend werd dat ze Wiels zou innemen. De manier van schrijven van de Zegher is circulair, ze danst met haar pen en woorden rond de boodschappen die worden verkondigd. En daarom is haar stijl zeer verwant met de aard van het werk van deze vrouwen, dat zich meer met cirkels dan met straight lines laat associëren. Women’s work is never done, de titel van dit boek, is daarom zeer juist, want ook de cirkel tolt rond en is nooit af en oneindig. Een ontdekking om langzaam te consumeren. (CP)
Summertime and the living is easy: POMPIDOU FICTIE!
De beste romans van het moment, voor u verzameld door Pompidou, te weten: Christophe Vekeman, Gudrun De Geyter, Heleen Debruyne, en Chantal Pattyn.
Babbitt van Sinclair Lewis (Van Oorschot)
De beste roman die ik tot nog toe in 2015 gelezen heb verscheen in 1922 en is van de hand van de enigszins vergeten grootheid Sinclair Lewis, zijnde de eerste Amerikaan ooit die, in 1930, de Nobelprijs Literatuur won. Hoofdfiguur is de iets te dikke, zesenveertigjarige suburbbewoner George F. Babbitt, een huizenverkoper die wanhopig tracht het beste te maken van een leven dat hem af en toe met welhaast kinderlijke geestdrift vervult, maar doorgaans bitter tegenvalt. Geestig, tragisch, top! (CV)
Donker ligt het eiland van Kevin Barry (De Bezige Bij)
De Ierse schrijver Kevin Barry (1969) moet het niet hebben van de ingenieuze plots - hij is eerder een Tsjechov dan een Roald Dahl, zijn verhalen zijn veeleer foto’s dan films -, maar hij weet als geen ander telkens van bij de eerste zin sfeer te creëren en personages neer te zetten die moeiteloos je aandacht vangen en ook vasthouden. Niet zelden leert Barry ons morsige toogplanten kennen, melancholieke Ierse randfiguren, ‘zwaarmoedig als uilen’, en neemt hij ons mee naar kroegen waar ‘de dagen maar niet wilden voorbijgaan, en de nachten sukkelden er zo’n beetje achteraan’. Een ware ontdekking. (CV)
De kunst van het crashen van Peter Verhelst (Prometheus)
Peter Verhelst ging twee jaar geleden drie keer over kop op de E40. Die miraculeuze ontsnapping aan de dood deed de schrijver nadenken over die luttele seconden dat hij het bewustzijn verloor, en dus een deel van zijn leven kwijt speelde. Dat manco (van tijd en ruimte) leverde de roman De Kunst van het crashen (de titel Crash was helaas al door J.J. Ballard ingenomen) op. Dit boek moet je lezen zonder je af te vragen hoe de fact & figures zich tot elkaar verhouden, want Verhelst creëerde weer een schitterende puzzel. Het geniale aan dit boek is de stijl, die Verhelst voor het eerst op de natuur toepast. Zijn ‘Studie van een rennende man’ is meesterlijk. Lees dit boek terwijl je je oogleden nu en dan door de zon laat verblinden, zodat je zelf even buiten bewustzijn raakt, om dan, met oranje en blauwe en roze stippen op je netvlies, dat uit ‘de tijd’ treden bijna fysiek meemaakt. (CP)
De laatste dag van Beppe Fenoglio (De Bezige Bij)
Italiaanse klassieker uit 1969 die net als het eveneens net (her)uitgegeven De mooie zomer van Cesare Pavese leesvoer vormt dat strandliggers aller landen met gemak aan het likkebaarden zal krijgen. De zeer filmisch geschreven novelle, die lijkt te zijn gemonteerd op het ritme van een repeteergeweer, doet sterk denken aan het werk van Amerikaanse hardboiledschrijvers als Ernest Hemingway en James M. Cain en heeft als enige minpunt dat ze zo dun is. (CV)
Knockemstiff van Donald Ray Pollock (Karaat)
Een ‘roman in achttien verhalen’ die zich volledig afspeelt in het werkelijk bestaande, meer specifiek in de Amerikaanse staat Ohio gelegen plaatsje uit de titel. Verschenen in december 2014, maar nu pas in mijn bezit beland. Ik heb op dit moment alleen nog maar de eerste twee verhalen gelezen – over whisky drinken uit een asbak, incest, godsdienstwaanzin en andere geneugten des levens – en heb me stellig voorgenomen om heel, héél zuinig te wezen op de zestien die ik nu nog te goed heb. Knockemstiff is deze zomer hoe dan ook mijn favoriete reisbestemming.(CV)
Een honger van Jamal Ouariachi (Querido)
Met een uitgekiend adoptieprogramma van een twintigtal Ethiopische jongeren wekt Alexander Laszlo publieke belangstelling in eigen land. Na hun opleiding zullen ze een voorhoede vormen om hun land uit de armoede te halen. Maar dat pakt verkeerd uit wanneer één van die jongeren klacht indient wegens pedofilie. Jamal Ouariachi vertelt met een uitwaaierende vaart die aan A.F.Th. Van der Heijden doet denken. Hij kaart daarbij de dubbelzinnigheid van ontwikkelingshulp aan en de taboeïsering van pedofilie. Heikele thema’s. En Ouariachi is een durver. (GDG)
Notities uit de jungle van Hanya Yanagihara (Nieuw Amsterdam)
Van seksueel wangedrag beschuldigde bejaarde wetenschapper blikt vanuit de gevangenis terug op zijn wedervaren op een Micronesisch eiland, waar de geheel van de buitenwereld afgesloten bevolking schildpaddenvlees at dat hen honderden jaren oud deed worden. Een psychologische avonturenroman annex parabel met als voornaamste boodschap: waar het eeuwige leven lonkt, daar loert eindeloze rampspoed om de hoek. (CV)
Onderwaterzwemmer van P.F. Thomése (Atlas Contact)
Het is een uitspraak van Karl Marx dat de geschiedenis zich eerst als tragedie en dan als klucht herhaalt. Voor de veertienjarige verteller begint die geschiedenis op het einde van de tweede wereldoorlog wanneer hij in het holst van de nacht de rivier overzwemt met zijn vader. Hij bereikt de overkant zonder zijn vader. Het boek vertelt over zijn ontreddering. Levenslang, zouden we eraan kunnen toevoegen. Al krijgt deze meesterlijke elegie in de Afrikaanse jungle een hilarische wending en op Cuba een louterende afloop. Een straffe schrijver-componist, die Thomése. (GDG)
Liefde bij wijze van spreken van Yves Petry (De Bezige Bij)
Een auto-ongeluk stuurt de levens van drie vrienden een andere kant uit. Een van hen laat zijn schrijfambitie varen en trekt zich als bio-ingenieur terug in de bossen. Zijn zus broedt, nu haar ouders zijn omgekomen, op een nageslacht. Jaren later probeert een jeugdvriend, een schrijver op retour, zicht te krijgen op hun driehoeksverhouding. Liefde lag in eerdere romans van Yves Petry nooit voor de hand. Maar na het lezen van ‘Liefde bij wijze van spreken’ betekent liefde niet meer hetzelfde. Daarnaast is deze fijn geschreven roman een meditatie op de urgentie van het schrijven. (GDG)
Swanns kant op van Marcel Proust. Vertaald uit het Frans en van een nawoord voorzien door Martin de Haan en Rokus Hofstede. (Athenaeum Polak & Van Gennep).
Proust vertalen is om heibel vragen. Rokus Hofstede en Martin de Haan provoceren met een charmeoffensief. Hun in het oog springende vertaling van du côté de chez Swann duidt al meteen beweging en wandeling aan en klinkt even ongewoon als de Franse titel in november 1913, toen Marcel Proust het eerste deel van zijn Recherche liet verschijnen. De vertalers wilden Proust niet zozeer moderniseren maar aantonen dat hij dat vooral niet nodig heeft. Prousts humor en soms vileine scherpzinnigheid in dialogen komt in deze vertaling volop tot haar recht. Eentje nog over Madame de Crécy, Swanns Odette, en we zwijgen erover: ‘da’s me nu eens een vrouwtje dat er gis uitziet, ha, sakkernondeju.’ (GDG)
Het beste wat u deze zomer kan gaan bekijken. In eigen land dan nog! Voor u verzameld door Chantal Pattyn.
Atopolis. Mons. Tot 18 oktober.
Dirk Snauwaert, directeur van Wiels in Brussel, werd door Mons 2015 uitgenodigd om een tentoonstelling te maken in de pas gerestaureerde Manège de Sury. Wie Mons zegt, zegt Borinage. En wie Borinage zegt, zegt Misère au Borinage, de documentaire die Henri Storck samen met Joris Ivens maakte in 1933. Hierdoor is de Borinage internationaal gestigmatiseerd als een een regio van sociale miserie. Het is één van de eerste plekken waar de industriële revolutie het slechtste van zichzelf liet zien. De uitdaging was om deze stigmata niet te bevestigen maar te ontrafelen.
Belangrijk voor de theoretische onderbouw van Atopolis is het denken van Edouard Glissant (Martinique, 1928-2011). Glissant, één van de meest uitdagende zwarte intellectuelen, benaderde globalisering vanuit een cultureel perspectief en bepleitte een radicaal egalitair (en dus universalistisch) model, met als centraal begrip ‘de relatie’. In zijn poging om een esthetica van de mondialisering te schrijven kwam hij bij ‘de relatie’ uit als een systeem van permanente openheid en een permanent in verbinding staan - zonder uitsluitende maatregelen als ethniciteit - van mensen en dingen.
Dit kan allemaal wat complex lijken maar het is het niet als je Atopolis bezoekt.
Eén van de kunstenaars die met het gedachtengoed van Glissant aan het werk ging is de Zwitser Thomas Hirschhorn. Zijn enorme installatie illustreert op een sublieme manier alle tentakels van het denken van Glissant. Je mag er zelfs je eigen bijdrage aan toevoegen.
Nog een hoogtepunt, weliswaar uit 2008, is de installatie van onze Belg in Mexico Francis Alÿs. Hij liet aan de twee kanten van de straat van Gibraltar, in Tarifa en in Tanger, twee groepen kinderen de zee in gaan. Met in hun handjes een schoen waarop een zeiltje is bevestigd. Het werk lijkt naïef, maar het is overdonderend in zijn speelsheid. Alÿs laat er ook wat schilderijtjes zien. En de rij schoentjes met zeil staan zichzelf in een spiegel te bekijken.
Snauwaert haalde een aantal kunstenaars met internationale portee binnen. Nog een subliem werk is dat van El Anatsui (Ghana, 1944) die op de Biennale van Venetië onlangs met de Gouden Leeuw werd bekroond. El Anatsui, die vanuit Nigeria opereert, en daar nogal wat mensen aan het werk zet, hing er één van zijn kolossale zeilen op. Het werk bestaat uit de dekseltjes die de dopjes van whiskyflessen sieren, en uit metalen plaatjes, en al die zaken werden met koperdraad aaneengenaaid. Je gelooft je ogen niet.
Ik ging ook totaal overstag voor de bijdrage van Jack Whitten (Bessemer, Alabama, 1939) die voor Atopolis zijn grootste werk ooit creëerde. Het is een soort altaarstuk geworden. Voor Edouard Glissant. Een mens zou er van gaan knielen.
Maar er mag ook gelachen worden op Atopolis. Adrian Melis (Havana, 1985) plaatst een aantal kritische kanttekeningen bij leven en werken in Cuba. Ik vertel niets, ontdek het zelf! En koop een droom van een Cubaan!
Een ontdekking: de serie foto’s van Vincen Beekman (Brussel, 1973). Hij trok op met locals. Vierde hun verjaardagsfeestjes, ging met hen naar zee. De kitsch-factor is hoog, maar dit is documentaire fotografie die nergens veroordeelt. Beekman kreeg als het ware een solo in Atopolis. Mooi!
Atopolis is van een zeer hoog niveau. Snauwaert toont een aantal kunstenaars die ook op de Biennale van Venetië (Thomas Hirschhorn, Huma Bhabha, Saadane Afif, Vincent Meessen) te zien zijn, maar beweert dat hij al twee jaar geleden de afspraken maakte. En ik geloof hem! Mons mag blij zijn met zo’n toptentoonstelling.
Lili Dujourie. Plooien in de Tijd. SMAK, Museum voor Schone Kunsten (Gent) & Mu.ZEE (Oostende) Tot 4 oktober.
Nadenkend over het werk van Lili Dujourie (1941), die eindelijk de waardering krijgt die ze verdient in dit land met twee tentoonstellingen, in het SMAK en MuZEE, én een presentatie in het MSK, kom ik tot een paradoxale vaststelling. Haar oeuvre, waaraan ze bouwde sinds 1967, schijnt uit een aantal tegenstellingen te bestaan: hard/ zacht, beweeglijk/ stilstaand, kleurrijk/ zwart wit, sculpturaal/ plat ... maar net door die breuklijnen komt het tot een verpletterend en harmonisch evenwicht.Ik was een twintiger toen ik voor het eerst een video van haar zag. En ik was verkocht, op dezelfde manier als toen ik voor het eerst Marguerite Duras las, of La Traviata van Verdi (een opera die haar trouwens zou inspireren tot een van haar werken uit fluweel, net als Tosca van Puccini) zag.
Dat dit bestond: dat verzoende me het leven. In dat werk, een video (één van de ‘Hommage à’) filmde ze zichzelf, naakt tussen de lakens, terwijl ze alle poses van de in de kunstgeschiedenis uitgebeelde vrouwen aannam. Pas later leerde ik haar baanbrekende werk ‘Amerikaans Imperialisme’ (1971) kennen, waarmee ze een krachtig statement maakte over het toen vigerende minimalisme. Dat minimalisme was, achteraf bekeken, ook een quasi exclusief mannelijke aangelegenheid, zoals de rest van de kunstwereld in die tijden. Het is trouwens één van de oorzaken dat haar werk te weinig bekend is. Mannen houden van vrouwen, maar niet als ze te krachtig zijn en tegenspreken. Dujourie bleef al die tijd hardnekkig aan haar oeuvre bouwen, consistent in zijn veelzijdigheid. Later maakte ik kennis met haar sculpturen van fluweel. Met vaak: rood, blauw en groen: de kleuren die de Vlaamse primitieven zo vaak bezigden, met alle symboliek van dien. Er is geen medium dat Dujourie onaangeraakt (video, fotografie, dia, papier, marmer, graniet, spiegel, gips, klei, fluweel, staal, papier-maché) liet. Ze is radicaal, zonder te kiezen. Ze schreef zich in geen enkele stroming in. Maar de hele kunstgeschiedenis zindert mee in haar werk. Of zoals ze zelf zegt: haar werk is de lichamelijke verwerking van alles wat ze in haar leven zag. Zonder hiërarchie.
Haar hele oeuvre wordt gekenmerkt door perfectie en sensualiteit. Zelfs als ze marmer of graniet gebruikt. Ik was zowel in het SMAK als in MuZEE totaal verrukt door een serie werken met papier, die ze begin jaren 70 maakte. Dujourie roept een hele wereld op door een aantal snippers uit tijdschriften aan een voor de rest lege muur te hangen. In Oostende is een reeks werken te zien die alleen uit bont gekleurde vellen papier bestaat. Ik moest aan Matisse denken, voor wiens Cut Outs ik vorige zomer in Tate Modern stond. Zo mooi en zo heerlijk intuïtief. Of is het schijn? Dujourie is een kunstenaar die alle tragedies van dit leven in een vorm heeft gegoten. Terwijl ze in veel van haar werken aan de kunstgeschiedenis refereert, en nooit over de emotionele content van haar kunst praat, word ik altijd totaal gegrepen en ben ik geroerd. Ik was, na twee zalen in het SMAK, al buiten adem. Ook omdat ik werken zag die zelden werden getoond. Als ik de schrijvers over haar werk lees, moet ik vooral buiten het werk kijken, en wijst de kunstenaar ons op de afwezigheid van de dingen. Maar dat is het nu net, dat haar kunst mij ergens ver van dat werk vandaan brengt. Met mijn neus op de feiten. Alleen de beste kunstenaars kunnen dat. Ik hoop dat SMAK & MuZEE haar oeuvre eindelijk de internationale renommée kunnen bezorgen die Lili Dujourie verdient. Volgens de curatoren leg je het bezoek best af op één dag, terwijl je van Gent naar Oostende rijdt. Waarmee je letterlijk in de zee stapt. De zee van Lili.
Jan Fabre. Stigmata. Acties & Performances. 1976-2013. M HKA, Antwerpen. Tot 26 juli.
Bouche B in het Muhka! Germano Celant, ja, de grote curator die ook een biennale van Venetië op zijn naam heeft staan, maakte een schitterend boek en een tentoonstelling over de acties en performances van Jan Fabre. De tentoonstelling, die uit het Maxxi in Rome komt, is werkelijk subliem. Op zo'n 100 tafels zijn alle acties van Fabre gedocumenteerd. Ertussen: beelden. Van Jan, met Jan, over Jan. Aan de muren: pakkende teksten die de praktijk van Jan duidelijk maken. Ik keek mijn ogen uit, want ik was 8 toen Jantje, die in zich in ’t geheim aan de Academie had ingeschreven, zijn eerste performances deed.
Zoals met zijn neus in het tramspoor meer dan vier uur het traject Groenplaats- 7de Olympiade laan afleggen. Of drie uur lang in de Amsterdamse hoerenbuurt de zin ‘L'art gratte au coeur de la vie!’ scanderen. Op video’s kan je de meeste van zijn performances bekijken. Ook de reprises ervan. Zoals Fabre die in een pak (met bolhoed) vol spijkers met schuurpapier zijn benen te lijf gaat. Tot bloedens toe. Jan is dan ook de krijger van de schoonheid. In zijn woorden: I will never betray beauty! Uit de film ‘Doctor Fabre will cure you’. En daar wil hij al zijn haar voor afscheren, de wolken meten, zichzelf in een pak van rundsteaks hullen en voor bloeden. Samen met Marina Abramomic bijvoorbeeld. Zij de virgin, Jan de warrior.
Ik vind dit één van de beste tentoonstellingen die ik ooit over Jans werk zag. Het wordt eens te meer duidelijk dat alles wat hij onderneemt in het theater of de beeldende kunst vanuit deze acties kan worden verklaard. En hoe hij als kunstenaar zich vooral door wetenschappers liet inspireren. Het is één groot zelfportret. Indrukwekkend en verhelderend. De perfecte voorbereiding op het 24 uur durende Mount Olympus dat deze zomer in première gaat en op 6 december in het Concertgebouw in Brugge te zien zal zijn.
Jef Geys. SMAK, Gent. Tot 6 september 2015.
In het SMAK is een heel bijzondere tentoonstelling met werk van onze hardnekkig zwijgende Kempenaar Jef Geys te zien. De man die ik nooit mag interviewen omdat hij daar niet van houdt. Maar ik ga beaat naar al zijn tentoonstellingen gaan kijken. Als hij ooit toehapt, ben ik een geïnformeerde vrouw. Twee jaar geleden maakte hij het Belgische Paviljoen op de Biennale tot een indrukwekkende ervaring. Heden in Gent. En ik ontdekte zo veel dat ik nog niet kende. Geys stelt er een stuk uit zijn enorme archief tentoon. In plastic mapjes aan de muur gehangen. En al zijn opbergmappen achter een bak plexi. Heerlijk zijn zijn dentellekes koffieonderleggers) in papier. Met kriebels en tekeningen over de actualiteit van de dag. Ze geven een onwaarschijnlijke inkijk in het denken van onze kunstenaar uit Balen, die ‘s ochtends bij een kop koffie zijn gedachten over de krantenkoppen uit De Gazet van Antwerpen, De Morgen of Het Belang van Limburg noteert. Prachtig is zijn plattegrond in gekleurde tape van het Museum voor Schone Kunsten aan de overkant van het SMAK. Nooit gerealiseerd, staat er op het kaartje.
Geys is een conceptueel kunstenaar die het leven omarmt. Zo blijkt uit al die documenten. En dan te weten dat deze tentoonstelling ontstond nadat Iris Paschalidis , hoofd collectie van het SMAK, na jaren geleden door Jef Geys uitgenodigd te zijn gewest voor een kop koffie, uiteindelijk naar Balen trok. Met een tentoonstelling als resultaat. En een nieuwe aflevering van Het Kempisch Informatiedagblad. Te koop voor 3 euro. Zo kennen we Geys weer.
Facing Time. Rops/ Fabre. Ropsmuseum en andere plekken in Namen. Tot 30 augustus.
Rops en Fabre, dat zijn vier handen op 1 buik. Wat Jan Fabre deelt met de meester uit Namen is die fascinatie voor eros & thanatos. In het Ropsmuseum, die heerlijke plek, gaat Fabre met zijn neus op de Pornocrates (met de naakte vrouw die een varken aan de leiband houdt) van Félicien Rops staan.
De combinatie van hun tekeningen is heel geslaagd. In de tuin buiten zit Jan in zijn bad. Hij bewaakt ook de citadel van de stad. En het dak van het theater. En hij nam het complete Maison de la Culture in! Maar een hoogtepunt is zijn installatie in de barokke Eglise Saint-Cloud. Ja, de kerk waar Charles Baudelaire het begaf! In 1866. Wellicht een inzinking ten gevolge van de syfilis waar hij aan leed. Maar op welke tegel gebeurde het? Lees daarom de roman Les Derniers Jours de Charles Baudelaire (1988, Grasset) van Bernard-Henri Lévy (in het kort: BHL) die op de opening zijn liefde voor zowel Rops, Fabre als Namen uitsprak en, stank voor dank, een aantal weken later een taart in het gezicht kreeg door ‘entarteur’ Noël Godin. Een mens moet er wat voor over hebben om elke dag als BHL door ‘t leven te gaan.
Inspirations. Dries Van Noten. Momu, Antwerpen. Tot 31 augustus.
Tienduizenden mensen bezochten sinds de opening op 12 februari de tentoonstelling waarmee Dries Van Noten een inkijk in zijn persoonlijke en artistieke universum geeft. Het is (maar ik zag Alexander McQueen nog niet in Londen!) de beste modetentoonstelling die ik ooit zag. Dat komt omdat het ook geen modetentoonstelling volgens het boekje is. En al zeker geen retrospectieve. Van Noten laat in zijn creatieve brein kijken. En daar hoort film, punk, etnografica van overal ter wereld, silhouetten van collega-couturiers (Chanel, Balenciaga, ...) en heel veel beeldende kunst bij. De Rothko uit het Boymans Van Beuningen in Rotterdam is subliem. Net als de werken van Thierry De Cordier, Yves Klein en Elisabeth Peyton. De presentatie van deze tentoonstelling is trouwens uniek. Niet te missen!
Stephan Vanfleteren. Fotografiemuseum, Charleroi. Tot 6 december.
Van Fleteren heeft iets met Charleroi. Hij bezocht le pays noir lang geleden al als persfotograaf en hij geraakte in de ban van de bizarre mix van verval maar ook van de overlevingsdrang van de Caroliens. In opdracht van Mons 2015 trok Van Fleteren opnieuw naar Charleroi. Hij ging er op zijn favoriete terril zitten, dronk pinten met de locals en maakte een serie ijzingwekkende portretten. Van mensen en dingen. En van kleine mensen vooral, die de stad van burgemeester Paul Magnette, onlangs in een hevig gevecht met de winnaar van World Press Photo verwikkeld, doen leven in zijn grauwheid. Het boek is prachtig: Il est clair que le gris est noir. Bij Hannibal.
The Flat Field Works. Andrea Zittel. Midddelheim Museum, Antwerpen. Tot 27 september.
De Amerikaanse Andrea Zittel denkt na over hoe wij ons in de ruimte en in een samenleving gedragen. Toen ze in New York aankwam was ze zo arm dat ze met een aantal platen een mini-onderkomen voor zichzelf creëerde. In dat werk zit de crux van haar hele oeuvre. Ondertussen woont en werkt ze in Joshua Tree Park en verdient ze genoeg om een hele ploeg aan het werk te houden. Haar werk zit tussen kunst en design in, want Zittel maakt ook tapijten en gebruiksvoorwerpen. Maar altijd gaat het over de sociale rol die kunst kan innemen. Voor de Hortiflora maakte ze The Flat Field Works. Het lijken lage sokkels waarop doorgaans kunst wordt geplaatst, maar er staat niets op, want je mag er zelf gaan op zitten, gitaar spelen, lezen, … in het Braempaviljoen is een sublieme presentatie te zien met tapijten en werk op papier.
Pass. Mullem, Huise, Wannegem-Lede. Tot 5 juli.
Kris Martin en Jan Hoet Jr. maakten een verrassende tentoonstelling in een stukje bucolisch Vlaanderen, even af de N60 die naar Oudenaarde leidt. Mullem is ook het dorp waar Martin woont. Neem je fiets mee of trek stevige schoenen aan voor een artistieke wandeling, met een paar beestig goede werken onderweg! Subliem was de blauw geschilderde balk (Über-Nacht) die Thierry de Cordier in het altaar van een kerk ophing. Net als de bijbels die Pascale Marthine Tayou in houten koranstandaarden legde. En de werken van op papier van David Claerbout (zo weten we weer wat een uitstekende tekenaar hij is!) in een sacristie. Tussen miswijn en kazuifel. Zoek de sculptuur van Michael Borremans in een kapelletje. Indrukwekkend is de betonnen kubus die Mattieu Ronsse ergens in ’ t veld neerpootte. Binnenin is ’t alsof je zijn atelier binnenstapt. Nog straf: Bag drop & Fender van Joris van de Moortel, het werk van Adriaan Verwée, de serie van Dirk Braeckman, een foto van Tine Guns op de gevel van een kerk en een bronzen ad valvas-bord van Kris Martin zelf.
Liberated Subject: Present Tense. Stichting De 11 Lijnen. Oudenburg. Tot 11 juli. Alleen op vrijdag, zaterdag en zondag. Of op afspraak. www.de11lijnen.com.
De 11 lijnen is een privé-stichting van twee artsen, die een hoeve uit 1690 met een prachtig uitzicht op de polders in Oudenburg lieten verbouwen door Alvaro Siza. In een aparte ruimte kan je deze bijzonder boeiende tentoonstelling bekijken die enkel werk van kunstenaars uit Afrika of de diaspora laat zien. Centraal staat een ensemble van de in 2002 overleden Zuid-Afrikaan Ernest Macoba, die in 1938 naar Parijs trok en zelfs lid van Cobra werd (en waarover ook een kunstwerk gaat in het Begisch paviljoen op de Biennale van Venetië) Daarrond: werken van de generatie na Mancoba. In veel werk komt de identiteitsvraag aan bod, net als nationalisme, kolonialisme en globalisering. Schitterend is een film van een paar minuten van de Marokkaanse Française Yto Barrada. Ook het werk van Jack Whitten is bijzonder. Ik viel als een blok voor een schilderij van Lynette Yiadom Boakye, van Ghanese afkomst en vanaf begin juni te zien in The Serpentine in Londen.
Nog een ontdekking zijn de werken van Portia Zvavahera (Zimbabwe) en Nicholas Hlobo (Zuid-Afrika).
Ze gaan wonderwel samen met het werk ‘Black diamonds’ van de bij ons welbekende Pascale Marthine Tayou (Kameroen) - nog tot half mei in The Serpentine - , dat verwijst naar de handel in bloeddiamanten, een schilderij van Marlene Dumas en één van Julie Mehretu, de diplomatieke koffers van Mechac Gaba, werk van Theaster Gates en Robin Rhode. Een ontdekking. En by the way: werk van Whitten en Barrada is ook te zien op Atopolis deze zomer in Mons!
Christophe Vekeman over De Laatste Dag van Beppe Fenoglio, verschenen bij De Bezige Bij
Quotering: zwarte botjes met een rood accent (op de grens van ‘zeer goed’ tot ‘overweldigend goed’)
Zonet zijn er bij De Bezige Bij maar liefst drie Italiaanse klassiekers verschenen: een trilogie van Cesare Pavese, een roman van Giorgio Bassani en een novelle van ene Beppe Fenoglio, die door Alessandro Barrico in zijn inleiding één van de grootsten uit de Italiaanse letterkunde wordt genoemd. Barrico voegt eraan toe dat wij ons niet hoeven te schamen, want dat buiten Italië sowieso geen mens ooit van hem heeft gehoord. Ook in zijn geboorteland, trouwens, waar hij wel degelijk bekend is, weten slechts zeer weinigen dat het ware juweeltje van Fenoglio’s oeuvre een verborgen parel is, met name dus het onderhavige De laatste dag.
Het boek, dat voor het eerst nu in het Nederlands verschijnt, is geschreven begin jaren vijftig, maar werd pas uitgegeven in 1969, zes jaar na Fenoglio’s dood. Het blijkt namelijk zo te wezen dat zowel Fenoglio als zijn uitgever begin jaren vijftig gelijktijdig door een uitermate radicale vlaag van verstandsverbijstering waren getroffen, want niet alleen vond de uitgever de novelle ‘te filmisch’ en ried hij zijn auteur aan om haar te herwerken tot een aantal aparte korte verhalen, Fenoglio was daarenboven gek genoeg om dit advies zowaar ter harte te nemen. Terwijl Barrico dus wel degelijk meer dan overschot van gelijk heeft wanneer hij De laatste dag de hemel in prijst.
Hoofdfiguur van de novelle is de genaamde Ettore, die heel veel van zijn moeder houdt, al blijkt dat niet altijd uit zijn gedragingen. Op de eerste pagina zien wij hem doende een sigaretje te roken, waarna hij zijn peuk op een hoopje zaagsel naast de kachel mikt.
‘Maar het kwam dichterbij neer, naast zijn moeders voet. Ze boog voorover om te kijken en richtte zich toen weer op achter het fornuis. “Waar keek je naar?” vroeg hij dreigend. “Ik vroeg me af wat er gevallen was.” Ze had haar best gedaan om onverschillig te klinken. “Ik ken die manier van kijken van jou. Maak ‘m uit!” schreeuwde hij.’
Reken daarbij dat het een paar tellen later gebeurt dat moeder zich met een aardappelmesje tegen zoonlief dient te verdedigen, en je kan eenvoudig concluderen dat in vergelijking met deze familie pakweg de leden van ’t gezin Van Paemel een buitengewoon fijnbesnaard en hoffelijk gezelschap vormen.
Nu heeft de tweeëntwintigjarige Ettore anderzijds toch echt wel een goed excuus om te doen en te laten wat hij zoal doen en laat, of dat vindt hij in elk geval toch zelf:
‘Dit leven is niets voor mij, omdat ik gevochten heb in de oorlog. (…) En nu ben ik de hele dag aan het niksen omdat ik probeer er weer aan te wennen, dat is ’t enige waar ik mee bezig ben.’
Hij is dus een rebel with a cause, zeg maar, hij heeft als ex-partizaan te veel meegemaakt om zich nog te kunnen voegen in de burgerlijke samenleving, laat staan dat hij nog de fut zou kunnen opbrengen om voor een baas te gaan werken, – reden waarom hij zich beklaagt dat hij niet de zoon is van een miljonair, en reden ook, zelfs, waarom hij op een gegeven ogenblik een invalide in een door twee honden getrokken houten karretje benijdt omdat die zijn kapotte benen al bedelend te gelde weet te maken. Het ligt voor de hand, kortom, dat hij algauw zijn heil gaat zoeken in de criminaliteit, temeer omdat hij zodoende een aantal van de wrange sensaties uit de oorlog opnieuw kan ervaren…
(c) Getty Images
Wat De laatste dag zo bijzonder maakt, is deels het inderdaad zeer filmische karakter van de novelle, die als het ware gemonteerd is op het ritme van een repeteergeweer, deels ook de bitse, kale, beenharde schrijfstijl van Fenoglio, die uitstekend past bij het karakter van de al met al best goedbedoelende, maar sterk beschadigde en tragische hoofdfiguur, en die voorts eerder doet denken aan de schriftuur van Hemingway, Raymond Chandler, James M. Cain (van The Postman Always Rings Twice) en andere Amerikaanse ‘hardboiled’ auteurs dan aan de stilistische weelde die je doorgaans met de Italiaanse letteren associeert. Echt zo’n boekje waarvan je spijt hebt dat het uit is, en dat je zó weer opnieuw zou willen beginnen te lezen. En wat let je eigenlijk?
Maar wanneer ze naar Dreux of Pierrefonds was vertrokken – helaas zonder hem permissie te geven om daar op eigen houtje, als bij toeval, naartoe te gaan, want ‘dat zou vreselijk gênant zijn’, zo zei ze – stortte hij zich op de opwindendste liefdesroman die er is, de dienstregeling van de spoorwegen, waaruit hij de manier kon afleiden om bij haar te komen, ’s middags, ’s avonds, vanmorgen zelfs! De manier? Haast meer dan dat: de toestemming. Want laten we wel wezen, het spoorboekje, en treinen als zodanig, waren er niet voor niks. Als men het publiek in druk laat weten dat er om acht uur ’s ochtends een trein vertrekt die om tien uur in Pierrefonds aankomt, dan wil dat zeggen dat naar Pierrefonds reizen een geoorloofde handeling is, waartoe een mens ook mag overgaan zonder dat Odette het goedvindt; het is bovendien een handeling waaraan een volstrekt andere bedoeling ten grondslag kan liggen dan het verlangen om Odette tegen te komen, aangezien mensen die haar niet kennen die handeling dagelijks verrichten, in zo groten getale dat het de moeite loont er locomotieven voor onder stoom te zetten.
De dienstregeling van de spoorwegen als opwindende liefdesroman. Uit de nieuwe vertaling “Swanns kant op” van Marcel Proust, door Rokus Hofstede en Martin de Haan. (Athenaeum)
Leven en dood van een groot schrijver annex onaangenaam mens
Christophe Vekeman over ‘Onrust, het leven van Jacob Israël de Haan’ door Jan Fontijn, verschenen bij De Bezige Bij
Zeggen dat het in de sterren kon worden gelezen, zou waarlijk overdreven zijn, maar een verrassing is het toch ook heel zeker niet dat uitgerekend Jan Fontijn het schrijven van de biografie van Jacob Israël de Haan op zich heeft genomen. Fontijn, immers, publiceerde eerder al over Carry van Bruggen, zijnde de zus van De Haan, over Frans Coenen, met wie Carry een buitenechtelijke relatie had, en natuurlijk ook over Frederik van Eeden – het over twee lijvige boekwerken verdeelde Tweespalt -, die gedurende de laatste vijfentwintig jaar van De Haans bestaan zijn beste vriend geweest is.
In zijn inleiding haalt Fontijn Richard Holmes aan, die de biografie ‘an instrument of historical justice’ genoemd heeft. ‘Een belangrijke drijfveer voor mij,’ deelt Fontijn ons mee in aansluiting daarop, ‘om deze biografie over Jacob Israël te schrijven is het beeld recht te zetten of te nuanceren dat anderen over De Haans leven en persoonlijkheid beweerd hebben.’ Los van het feit dat het wel héél erg krom Nederlands is waarvan de biograaf zich hier bedient (een beeld beweren??), is het nog maar de vraag of hij in de betreffende opzet geslaagd is.
Goed, als een ‘door en door verraderlijke natuur’, zoals Abel Herzberg hem genoemd heeft, rijst De Haan nu niet meteen uit Onrust op, maar ‘een bijzonder aangenaam mens’ zijn anderzijds toch ook niet meteen de woorden waarmee ik na lezing van het boek de auteur van onder andere Pijpelijntjes (1904) en Pathologieën (1908) zou willen omschrijven. Hij was een ‘sjofel’ en ‘vies’ kind, en in de kweekschool, waar hij een opleiding als onderwijzer volgde, was hij het type dat na de dood van een medestudent aan tuberculose een leraar de opmerking wist te ontlokken: ‘Jammer, dat het Haantje niet is geweest.’ Zelf voor de klas staande, deelde hij klaarblijkelijk naar hartenlust klappen uit en trok hij leerlingen graag aan de haren, waarbij hij overigens – tot overmaat van gruwel – doodgemoedereerd in korte broek gekleed ging.
Maar een groot schrijver was hij wel. Als dichter is hij geprezen door zulke uiteenlopende figuren als zijn tijdgenoot Albert Verwey, maar ook, later, door Gerard Walschap, J.C. Bloem en Gerrit Komrij, en zijn roman Pijpelijntjes, die met een in die tijd in de Nederlandse letteren ongekende openhartigheid handelt over een homoseksuele, sterk sadomasochistisch gekleurde relatie in de Amsterdamse volksbuurt De Pijp, is ook vandaag nog steeds zeker het lezen waard. Het boek veroorzaakte een groot, zeer groot schandaal, dat De Haan zijn rubriek ‘Van en voor kinderen’ bij het socialistische dagblad Het Volk kostte, en dat hem bijgevolg deed breken met de socialistische partij, die met homoseksuelen allesbehalve hoog opliep.
Van de weeromstuit trachtte De Haan, die ook zelf zeer gebukt ging onder zijn geaardheid, na een korte periode als ‘decadent’ à la Joris-Karl Huysmans, zijn leven te beteren door zich te bekeren tot de godsdienst van zijn kindertijd, namelijk het jodendom. ‘Het hervonden geloof,’ poneert Fontijn, ‘was essentieel voor De Haan, omdat vroomheid de enige mogelijkheid was om zijn wroeging over zijn leven als homoseksueel draaglijk te maken.’ Als jood behoorde hij aanvankelijk tot de strekking van het zionisme, en dat zou zo blijven totdat hij verhuisde naar Palestina. Daar, immers, komt hij tot de vaststelling dat ‘de Joden wel een volk zonder land’ zijn, ‘maar het land geen land is zonder volk.’ En met name de jongere exemplaren van het laatstgenoemde volk bevallen hem wel. In een krantenstuk tekent hij op: ‘Ik heb juist veel Arabische vrienden. Ik bewonder hun schoonheid, zoals ik van de vrome Joden de vroomheid bewonder.’
Van het een komt het ander, en van lieverlede gaat De Haan zich in de hogere Arabische kringen bewegen en ontpopt hij zich nu weer tot rabiaat anti-zionist, dermate rabiaat, zelfs, dat hij zich in Jeruzalem algauw onmogelijk maakt en niet mis te verstane doodsbedreigingen ontvangt: het is sterven of opkrassen. Opkrassen doet Jacob Israël de Haan geenszins, en op 30 juni 1924 wordt hij tot verbijstering van de hele internationale gemeenschap op klaarlichte dag in Jeruzalem door drie revolverschoten gedood, zodat de schrijver van de eerste expliciet homoseksuele roman uit de Nederlandse literatuur ook het slachtoffer wordt van de eerste politieke moord op een Jood door Joden in Palestina. De moord was namelijk niet zomaar de eenmansactie van een losgeslagen gek, maar werd begaan door ene Avraham Tehon in opdracht van de Haganah-organisatie. Zelfs het latere presidentiële echtpaar Ben-Zvi en Rachel Yanait zou erbij betrokken geweest zijn.
Leven, werk en persoonlijkheid van Jacob Israël de Haan, alsook de tijd waarin hij leefde, zijn kortom meer dan interessant genoeg om deze vuistdikke, met vaart geschreven biografie als een aanrader te bestempelen, al wil ik van de gelegenheid gebruik maken u, gewapend met een bibliotheekkaart, alvast de zomer in te sturen met nog een aantal andere leestips.
Naast Onrust en Pijpelijntjes zijn dat Een cocquette vrouw van Carry van Bruggen, Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden, Verveling van Frans Coenen en het volledige werk van De Haans tijdgenoot Marcellus Emants. Veel plezier gewenst.
Nadenkend over het werk van Lili Dujourie (1941), die eindelijk de waardering krijgt die ze verdient in dit land met twee tentoonstellingen, in het SMAK en MuZEE, én een presentatie in het MSK, kom ik tot een paradoxale vaststelling.
Haar oeuvre, waaraan ze bouwde sinds 1967, schijnt uit een aantal tegenstellingen te bestaan: hard/ zacht, beweeglijk/ stilstaand, kleurrijk/ zwart wit, sculpturaal/ plat ... maar net door die breuklijnen komt het tot een verpletterend en harmonisch evenwicht. Ik was een twintiger toen ik voor het eerst een video van haar zag. En ik was verkocht, op dezelfde manier als toen ik voor het eerst Marguerite Duras las, of La Traviata van Verdi (een opera die haar trouwens zou inspireren tot een van haar werken uit fluweel, net als Tosca van Puccini) zag. Dat dit bestond: dat verzoende me het leven. In dat werk, een video (één van de ‘Hommage à’) filmde ze zichzelf, naakt tussen de lakens, terwijl ze alle poses van de in de kunstgeschiedenis uitgebeelde vrouwen aannam. Pas later leerde ik haar baanbrekende werk ‘Amerikaans Imperialisme’ (1971) kennen, waarmee ze een krachtig statement maakte over het toen vigerende minimalisme. Dat minimalisme was, achteraf bekeken, ook een quasi exclusief mannelijke aangelegenheid, zoals de rest van de kunstwereld in die tijden. Het is trouwens één van de oorzaken dat haar werk te weinig bekend is. Mannen houden van vrouwen, maar niet als ze te krachtig zijn en tegenspreken.
Dujourie bleef al die tijd hardnekkig aan haar oeuvre bouwen, consistent in zijn veelzijdigheid. Later maakte ik kennis met haar sculpturen van fluweel. Met vaak: rood, blauw en groen: de kleuren die de Vlaamse primitieven zo vaak bezigden, met alle symboliek van dien. Er is geen medium dat Dujourie onaangeraakt (video, fotografie, dia, papier, marmer, graniet, spiegel, gips, klei, fluweel, staal, papier-maché) liet. Ze is radicaal, zonder te kiezen. Ze schreef zich in geen enkele stroming in. Maar de hele kunstgeschiedenis zindert mee in haar werk. Of zoals ze zelf zegt: haar werk is de lichamelijke verwerking van alles wat ze in haar leven zag. Zonder hiërarchie.
Haar hele oeuvre wordt gekenmerkt door perfectie en sensualiteit. Zelfs als ze marmer of graniet gebruikt. Ik was zowel in het SMAK als in MuZEE totaal verrukt van een serie werken met papier, die ze begin jaren 70 maakte. Dujourie roept een hele wereld op door een aantal snippers uit tijdschriften aan een voor de rest lege muur te hangen. In Oostende is een reeks werken te zien die alleen uit bont gekleurde papiersnippers bestaat. Ik moest aan Matisse denken, voor wiens Cut Outs ik vorige zomer in Tate Modern stond. Zo mooi en zo heerlijk intuïtief. Of is het schijn?
Dujourie is een kunstenaar die alle tragedies van dit leven in een vorm heeft gegoten. Terwijl ze in veel van haar werken aan de kunstgeschiedenis refereert, en nooit over de emotionele content van haar kunst praat, word ik altijd totaal gegrepen en ben ik geroerd. Ik was, na twee zalen in het SMAK, al totaal verrukt. Ook omdat ik werken zag die zelden werden getoond. Als ik de schrijvers over haar werk lees, moet ik vooral buiten het werk kijken, en wijst de kunstenaar ons op de afwezigheid van de dingen. Maar dat is het nu net, dat haar kunst mij ergens ver van dat werk vandaan brengt. Met mijn neus op de feiten. Alleen de beste kunstenaars kunnen dat. Ik hoop dat SMAK & MuZEE haar oeuvre eindelijk de internationale renommée kunnen bezorgen die Lili Dujourie verdient. Belgisch paviljoen op de Biënnale van Venetië in 2017?
Gregory Frateur zingt - met Bram Weytens aan de piano - live in Pompidou! Norine Blues, in de jaren twintig geschreven door Paul Magritte (broer van!) voor Madame Norine, befaamde Brusselse couturière. straks ook live in BOZAR, voor de opening van mode-expo The Belgians.
Onze eigenste Pat Donnez pleegde een boek, ‘zijn eerste echte roman’, noemt hij het zelf. In ‘Lichterlaaie’ legt Donnez zijn nochtans springlevende hoofdpersonage in een graf en laat hij hem een affaire beleven met een vrouw met een lichtallergie. En dat allemaal in een door- en door Vlaams dorp in 1974.
Klinkt te gek voor woorden? Nochtans liet hij zich inspireren door ene Louis Luypaerts, die in 1974 het wereldrecord grafliggen op zijn naam schreef. Afrit 9 ging hem een paar decennia na de recordpoging nog eens opzoeken.
Pompidou’s wandelgids voor de Biennale van Venetië
De voorbije weken hoorde u in Pompidou al heel wat over de Biënnale van Venetië. Misschien bent u ondertussen het noorden kwijtgeraakt tussen al die paviljoenen en palazzi ...
Niet getreurd! Chantal Pattyn maakte speciaal voor de Pompidou-luisteraars een wandelgids langs de hoogtepunten van de Biënnale. En die kunt u hier downloaden.
Koen Vanmechelen is te zien op Glastress, één van de vele nevenevenementen op de Biënnale van Venetië. Met een databank vol zaden, een dromedaris, eieren, oesterzwammen en knippen brengt hij een verhaal over kunst en wetenschap.
Tot 22 november 2015 te zien in Palazzo Franchetti en bij de Berengo Foundation (Murano).
Christophe Vekeman over ‘J’ van Howard Jacobson, verschenen bij Prometheus.
Quotering: kaaimanbotjes (= recalcitrant)
In mijn nieuwe, begin september te verschijnen roman valt reeds op de eerste bladzijde geheel conform de waarheid te lezen dat ik altijd al ‘een enorme hekel’ heb gehad aan het genre van de zogeheten ‘dystopie’, maar toch liet ik me verleiden om het goed ontvangen J van Howard Jacobson ter hand te nemen. Misschien omdat het gewoon heel lang geleden was dat ik nog eens een dergelijk boek had gelezen, misschien ook omdat ik prima herinneringen koester aan de F getitelde roman van Daniel Kehlmann, maar zeker ook omdat helemaal aan het begin van J reeds zinnen aan te treffen vielen als ‘In werkelijkheid zat er maar weinig sleur in haar leven, afgezien van de gewoonte om dat te denken.’
Het meisje over wie het hier gaat, heet Ailinn Solomons en is zonet verhuisd naar Port Reuben, waar ze Kevin ‘Coco’ Cohen heeft leren kennen. Het leek liefde op het eerste zicht te zijn, al is er inmiddels een beetje een kink in de kabel omdat hij zich heeft laten ontvallen dat ze ‘dikke enkels’ heeft. Toch zullen de twee in de loop van het boek liefdespartners blijven, – misschien zelfs tegen wil en dank, want van langsom meer krijgen zij met het gevoel te kampen dat iets of iemand hen in elkanders armen drijft of heeft gedreven.
Het is dan ook geen doordeweekse samenleving waarin J zich afspeelt, en ook dat blijkt meteen al van bij het begin. Zo is het lastig om aan geschiedenisboeken te komen en zijn, afgezien van de telefoon, alle ‘elektronische communicatievormen uitgeschakeld na WAT ER WAS GEBEURD, INDIEN HET WAS GEBEURD, waarbij de sociale media geacht werden te hebben bijgedragen aan de snelle verbreiding van het ermee gepaard gaande geweld’. ‘WAT ER WAS GEBEURD, INDIEN HET WAS GEBEURD’ is, indien het daadwerkelijk gebeurd is dus, meer bepaald van start gegaan tijdens de zogenaamde ‘Twitternacht’ en moet iets zó onmenselijk gruwelijks geweest zijn dat het haast niet anders kan of Jacobson heeft tijdens het schrijven een tweede Holocaust in gedachten gehad, temeer omdat er een soort taboe rust op woorden die beginnen met de letter ‘J’, omdat ‘Twitternacht’ doet denken aan ‘Kristalnacht’, en omdat na ‘Operatie Ismaël’ iedereen een andere naam heeft gekregen en al deze andere namen Joods aandoen.
(c) Getty Images
In J is van elektronische communicatievormen geen sprake meer.
Hoe dan ook is het onuitsprekelijke in het boek net voor 2020 voorgevallen, en wat het ook geweest mag zijn, een tweede massamisdaad tegen de Joden of niet, de herinnering eraan blijkt zo ondraaglijk te wezen dat ze met alle geweld moet worden uitgewist. Het verleden ‘bestaat opdat we het vergeten’, luidt het ergens, en de breuk ermee is zo totaal mogelijk. Alles is kortom anders in deze toekomstige maatschappij, die niet alleen een dictatuur is van de politieke correctheid, waarin iedereen geacht wordt alsmaar ‘Sorry’ te zeggen zonder te weten waarom, of althans terwijl ze ‘volhouden dat er niets is om sorry over te zeggen’, maar waarin bijvoorbeeld ook ‘slechts één artikel per huishouden’ toegelaten is ‘dat meer dan honderd jaar oud is’. Op de radio worden alleen nog humorloze ballades gedraaid, want muziek is per definitie ‘de expressie van liefde’, en van de improvisatie, scherts en onvoorspelbaarheid van pakweg de jazz heeft men een heilige schrik. Hetzelfde wat betreft de conceptuele kunst: dit toppunt van gevoelloosheid, deze ‘machinale verstandskunst’ uit het vermaledijde verleden is volledig verdwenen, kunstenaars schilderen nu alleen nog harmonieuze landschappen. Dat het paradoxale gevolg van een en ander is dat tongzoenen een heuse gewelddaad is geworden, dat echtelieden elkaar vanzelfsprekend naar het leven staan en dat agressie kortom de gewoonste zaak van de wereld is geworden, schijnt geen mens op te vallen. Wellicht heeft men het te druk met elkaar in opdracht van de overheid te bespioneren en te manipuleren…
Heeft J van Howard Jacobson mijn liefde voor het dystopische genre enig leven weten in te blazen? Niet heus, eerlijk gezegd. Niet dat er niet een en ander voor het boek te zeggen valt. Hier en daar lijken de absurde humor en de navenante stijl van Jacobson zich te bewegen tussen die van Joseph Heller en Witold Gombrowitcz, bijvoorbeeld, dus dat zit zeker snor, maar naarmate de roman vordert, wordt de tekst logger en logger, met dialogen die al te dikwijls aan de al te lange kant zijn, terwijl je als lezer gaandeweg ook gewoon je interesse in de lotgevallen van de hoofdpersonen verliest. De eigenlijke hoofdpersoon van het boek – en van elke dystopie, natuurlijk – is immers de wereld waarin het zich afspeelt: wát er zich in afspeelt, staat bijna vanzelf op het tweede plan, en dat is zeker in J funest voor de spanning en de nieuwsgierigheid van althans déze lezer.
Conclusie: als waarschuwing mag het dan al kunnen tellen, maar als roman is J geen hoogvlieger.
Pieter T’Jonck kampeert al een hele maand op het KunstenfestivaldesArts in Brussel. En brengt ondertussen verslag uit van alles wat hem (en mij!) van zijn (en mijn) sokken sloeg: Here we go!
Kunstenfestivaldesarts: almost only highlights!
Het is lastig kiezen dit jaar op het kunstenfestivaldesarts. Op een paar dagen zag ik niets dan intrigerende, zeer goede tot werkelijk uitstekende voorstellingen. Daar tekenen zich voorzichtig een paar rode draden in af, thema’s of werkwijzen die blijkbaar sterk leven onder kunstenaars.
Encyclopédie de la parole: suite n°2
Het begon voor mij met de ‘Encyclopédie de la parole’, Suite nr. 2. Vorig jaar was ik al in de wolken over hun eerste ‘Suite’. 11 professionele performers en evenveel gasten gaven een concert van ‘uitspraken’ (het onvertaalbare franse ‘parole’) onder leiding van een dirigent.
De suite nr. 2 vertrekt min of meer van hetzelfde principe: Joris Lacoste, artistiek leider van het ensemble, verzamelde samen met een groep medewerkers een berg zinnen, dialogen, aansporingen, toespraken uit diverse bronnen. Sommige zijn heel kort en kernachtig, zoals de aanwijzingen van een fitness lerares, sommige extreem langdradig, zoals de uiteenzetting van de Portugese Minister van Financiën in 2012 over toestand van de economie na de bankencrash.
Er is echter ook een groot verschil: deze keer worden de woorden niet unisono of simultaan gebracht, maar als een soort canon van elkaar overlappende stemmen, die het vaak over bijzonder uiteenlopende dingen hebben. De groep is ook veel kleiner: slechts 5 in plaats van 22 performers.
De individuele stem klinkt zo veel sterker door, en ontwikkelt zich soms tot een volwaardig personage. Gedenkwaardig is bijvoorbeeld het telefoongesprek tussen Emmanuelle Lafon en Nuno Lucas. Zij is een vrouw die in een desperaat dispuut verwikkeld is met een telefoonmaatschappij. Hij is de man die klachten behandelt, maar nauwelijks iets kan inbrengen tegen de scheldtirades van de vrouw. Aanvankelijk voel je mee met de man, die lijzig beleefd blijft als de vrouw uit de bol gaat. De conversatie is dan bepaald hilarisch. Zodra echter duidelijk wordt dat de maatschappij de vrouw in de luren legt, verschuift je sympathie echter naar haar. De tragiek van de eenling die vruchteloos opbokst tegen een onverschillig en almachtig systeem wordt daar heel duidelijk. Op een paar minuten, gewoon met twee stemmen… Buitengewoon. Bijna nog sterker is een monoloog van Barbara Matijevic, in de rol van een deelneemster aan de Amerikaanse versie van het TV-programma ‘Big Brother’. Ze schreeuwt haar woede uit over het verraad van een medespeler die ze net iets teveel intieme zaken toevertrouwde, waarna hij die kennis aanwendde om haar uit het programma te werken. Ook hier weer: de enkeling in een systeem dat zij niet begrijpt waardoor ze een gemakkelijk slachtoffer wordt.
Het zijn maar twee voorbeelden uit een heel lange reeks uitspraken die zo uit het leven geplukt zijn, en de meest diverse onderwerpen en situaties uitdrukken. Van de aankondiging van een bokswedstrijd tot een cursus ‘zelfhulp’ of fitness. Maar wat betekent dat dan? Dat is niet eenduidig te bepalen. Naar het einde van de voorstelling hoor je bijvoorbeeld door elkaar:
1. een Portugese Minister van Financiën die in een onbegrijpelijk economisch koeterwaals eindeloos door neuzelt over hoe goed de economische herstelmaatregelen van het land lopen na de crisis, en hoe tevreden de Troika wel niet is. Van een contradictie meer of minder heeft hij niet terug, alsof hij zelf niet goed snapt wat hij staat te bazelen. Op een bepaald ogenblik wordt de speech zelfs even onderbroken, alsof hij gewoon de draad kwijt was. Pas tegen het einde, als het gehoor al lang in slaap gewiegd is, komt de kat op de koord: de financiers zijn gelukkig maar de werkloosheid is dramatisch en om dat op te lossen zal de werkende bevolking zwaar moeten inleveren. Wat ze met plezier zullen doen, neemt de Minister aan.
2. Bijna tegelijkertijd hoor je het verdict voorlezen van de Russische tycoon Mikhail Khodorkovsky en Platon Lebedev. Minstens even onbegrijpelijk.
3. Tussendoor ook een dankwoord bij een Oscar uitreiking,
4. Een mantra,
5. Een hip hop opname in de Bronx,
6. Een hypnotiseur en zo voort…
Vreemd genoeg leidt die kakafonie van stemmen en thema’s niet tot verwarring, maar scherpen die overlappende uitspraken juist de waarneming aan. Niet in het minst omdat de 5 performers hun toon en timbre precies aan de tekst en het personage dat er in opdoemt aanpassen. Nuno Lucas, nochtans een geboren Portugees, slaagt er bijvoorbeeld in om het Portugees van de ministeriële redevoering on-Portugees slaapverwekkend en doods te laten klinken. Een prestatie op zich.
Al die stemmen samen roepen echter vooral een wereld op waar willekeur en chaos regeren, een wereld van winnaars en verliezers, terwijl iedereen op zijn kleine stek toch de schijn ophoudt dat alles loopt zoals het hoort te lopen. Of gehypnotiseerd slaapwandelt?
Of Joris Lacoste zo kritiek wou leveren op het reilen en zeilen van onze wereld valt moeilijk te achterhalen. De nevenschikking van klankfragmenten is vooral ironisch: ze weerstaat interpretatie maar lokt ze toch voortdurend uit. Over de betekenis van het einde kan er echter weinig twijfel bestaan. Vladimir Kudryavtsev en Olivier Normand imiteren de gesprekken tussen een luchtverkeersleider en de piloot van de Swissair 111 vlucht die in 1998, op weg van New York naar Genève, boven Nova Scotia (CA) neerstortte. Het licht deemstert daarbij steeds verder weg. Op het fatale moment, als de luchtverkeersleider geen antwoord meer krijgt, is het bijna aardedonker. Net dan begint een ander verhaal. Een vrouw spreekt op voice mail een bericht in. Het gaat over niets bijzonders, behalve dat ze gewoon haar vriend nog eens wou horen. Een vocaal liefdesbriefje dus. Terwijl achter de performers voetlicht begint te gloren als een dageraad herhalen zij de woorden in koor. Alle woorden en beweringen die de revue passeerden lopen zo uit op twee thema’s: dood en liefde. Daar komt het leven inderdaad ongeveer op neer, maar door al wat vooraf ging weet je wel dat het daarom niet simpel of gemakkelijk is.
Arkadi Zaides: belichaamd archief
Arkadi Zaides werkt, net als Joris Lacoste, met archieven. Alleen gaat het hier om beelden, niet om woorden, en wordt de selectie niet gestuurd door abstracte compositorische ideeën als contrast, verdubbeling en tegenstelling, maar door een duidelijk politiek motief. Het archief waar Zaides uit put bestaat uit clandestiene filmbeelden die Palestijnen maakten van Israëlische kolonisten op de ‘West Bank’, het omstreden gebied waar de Israeli’s nog steeds nieuwe nederzettingen bouwen op gronden die van oudsher de Palestijnen toebehoorden.
Het bijzondere is dat die films gemaakt werden met camera’s die B’Tselem, een Israëlische mensenrechtenorganisatie, ter beschikking stelde. De films documenteren dus het (wan-)gedrag van de Israëlische kolonisten en worden zo argumenten in een pleidooi voor een meer respectvolle omgang van de Israëli’s met de Palestijnen. De meest ‘onschuldige’ beelden tonen slechts opstootjes van kolonisten tegen Israëlische soldaten die de orde moeten handhaven. Meer dan ongemakkelijk zijn beelden van kinderen die stenen werpen naar Palestijnen of volwassenen die velden in brand steken. Walgelijk is de brutaliteit van een kolonist die vredesactivisten intimideert met zijn blaffende stem, en hen voor nazi’s uitscheldt. Je kan niet nalaten te denken dat de man net iets teveel lessen uit de geschiedenis getrokken heeft…
Zaides legt voor de voorstelling begint kort de herkomst uit van de beelden die hij zal tonen. Een tijd lang kijkt hij, net als de toeschouwers, slechts toe terwijl de filmbeelden voorbij komen op een scherm. Links ervan krijg je telkens ook een korte omschrijving van wat je ziet. Niet overbodig, want de eerste van die clandestien gemaakte beelden zijn erg schichtig. Al snel is het echter niet zo moeilijk meer om de beelden te interpreteren. Net dan intervenieert Zaides. Aanvankelijk enkel door de een of andere persoon op het beeld te imiteren, alsof hij door die imitatie ook wil verstaan hoe die figuur letterlijk in de situatie staat.
Naarmate de beelden gewelddadiger of onthutsender worden, wordt ook de lichaamstaal van Zaides anders: zijn gebaren gaan soms aan de bewegingen vooraf, of herhalen ze achteraf. Die lichamelijke montage van het brute filmmateriaal wordt al snel ook verdubbeld door een openlijke bewerking van de beelden. Ze gaan bijvoorbeeld in een eindeloze loop, worden vertraagd, lopen omgekeerd enzovoort. Ook de klank blijft niet ongemoeid. Als een Joodse kolonist in een van de laatste fragmenten vredesactivisten voor nazi’s uitscheldt wordt dat ene fragmentje van een zin versterkt en loeihard herhaald. Het einde van de voorstelling is daardoor soms nauwelijks te harden: verschillende van die schreeuwerige kreten worden door elkaar op maximum geluidsterkte keer op keer door elkaar herhaald. Dat grijpt je onwillekeurig aan. Zaides speelt voor hoezeer een omgeving die doordesemd is van onthutsende beelden en ontredderend geschreeuw op je systeem gaan werken met een al even obsessieve herhaling van heftige gebaren en brutale sprongen. De films, klanken en bewegingen, want van ‘dans’ in conventionele zin kan je hier moeilijk spreken, verdubbelen elkaar hier voortdurend.
Wat je op die manier uiteindelijk ziet is een man die onder stroom lijkt te staan door de negatieve energie die van de beelden uitgaat, en zowat als een gek van de ene pose naar de andere schiet, in een eindeloze en pijnlijke herhaling. Zo opent Zaides een deur naar een werkelijkheid waarin er geen rust meer bestaat, waarin je nooit van je bestaan zeker kan zijn, waar geweld voortdurend op de loer ligt. Op die manier wordt het werk een sterk pamflet tegen de kolonisatiepolitiek op de West bank. Toch overtuigt dat beeld tegelijk maar half. Je blijft de retorische constructie ervan duidelijk voelen: als mensen zo lijden dan kan dit geen juiste zaak zijn, toch? Maar het wordt in dat puur emotionele argument zo drammerig en doorzichtig –want natuurlijk weet je dat de man niet écht voelt wat hij speelt maar dat alleen maar oproept, zij het op basis van echte gebeurtenissen- dat je als kijker eerder afstand en weerstand gaat opbouwen, niet tegen de zaak op zich, maar tegen de manier waarop die bepleit wordt. Waardoor je na afloop ook niet verder doordenkt over wat je zag. Niet de beste voorstelling op dit festival dus. Dan heb je, zowel politiek als theatraal toch veel meer om op te sabbelen bij de Needcompany of bij Halory Goerger.
‘The blind poet’ van de Needcompany is twee dingen in één. Het is een portret van een gezelschap dat, zoals ooit de gewoonte was, als één familie lief en leed deelt op zijn dooltocht langs de wereldpodia. Tegelijk is het een vlammende kritiek op de bekrompenheid van Europa vandaag. Maar vooral, het is twee uur fantastisch, opwindend, ontroerend, grappig, tragisch theater.
De toon is meteen gezet als Grace Ellen Barkey het podium beklimt om zichzelf te portretteren. Ze draagt traditionele Indonesische kledij, met een kroon, maar haar gezicht is geschminkt als een Europese clown. Ook haar overmaatse schoenen passen meer bij een clown dan een danseres.
Toch is ze zich van de prins(es) geen kwaad bewust. Ze proeft de klank van haar naam, en herhaalt die in elke mogelijke toonaard, van gracieus tot stoer en rauw. Dat gaat steeds sneller, tot ze haar naam schreeuwend en stampvoetend scandeert, aangemoedigd door het ensemble in de orkestbak.
Die zotte zelfverheerlijking vindt la Barkey niet meer dan normaal, want ze is, naar eigen zeggen, een multicultureel wonder, met Indonesisch, Chinees, Duits en Hollands bloed in de aderen. Mohamed Toukabri komt ongevraagd tussen: ‘Jij bent misschien een multicultureel wonder, maar ik ben de puurste monocultuur’. Maar dan mag hij weer ophoepelen.
Daarna geeft Jan Lauwers Maarten Seghers het podium om zichzelf te bewieroken. Dat pakt echter anders uit. Zijn stamboom, veertig generaties smeden, voert hem naar de Middeleeuwen en de kruistochten. Een bitter verhaal van ridders die kinderen opaten omdat de paarden te kostbaar waren. Een dood paard, opgebaard op een reusachtige hefboom illustreert dat levendig.
Voor de pauze passeren ook Hans Petter Dahl en Anna Sophia Bonnema de revue. Dahl is één en al de pocherige, stoere Viking. Maar ook daar zit de mot in de mythe: ooit liet hij iemand verdrinken omdat hij te stoned of te bang was om in het water te duiken. Zo’n helden zijn dit toch niet, ondanks hun kabaal en snoeverij over grootse geschiedenissen en culturele suprematie.
Dat geeft Anna Sophia Bonnema mee in haar portret voor de pauze: ‘Ik ben iedereen, en de wereld ben ik. En daarom is het goed dat we alleen over onszelf praten. Want dat is de ware geschiedenis. Dat is de ware liefde. Al het andere is valsheid in geschrifte’. Versta: alle gewauwel over identiteit rechtvaardigt slechts de bekrompenheid en zwakte waar we niet mee om kunnen gaan.
Na de pauze is het weer één en al spektakel als Benoît Gob snoeverig vertelt over zijn jeugd. Al is dat een intriest verhaal van verwaarlozing. Hier is het ensemble op zijn best: vanuit de orkestbak ondersteunen ze dit straatvechtersepos met dreunende gitaren. Even lijkt het multiculturele thema hier weg, maar dat keert met kracht terug bij Jules Beckman, een Amerikaan van Russisch-Joodse afkomst. Ook al geen erg gelukkige jeugd, zo blijkt.
Ondertussen rollen twee reusachtige objecten het podium op: abstracte schaakstukken die elkaar met lansen belagen. Nu zijn de Middeleeuwen en kruistochten weer helemaal terug. Mohamed Toukabri speelt daar als laatste op in, met het meest verwarrende zelfportret. Hij komt op als een bling-bling Tunesiër, die het niet kan laten zijn gsm te beantwoorden, ook al staat op het podium. Cliché, cliché. Wat wij zien als we Arabieren zien.
Als hij zijn geschiedenis induikt, haalt hij echter een gedicht van de blinde dichter Abu al’ala al Ma’arri (973-1053) boven. Die maande ons toen al aan om de wereld niet te beschuldigen van de spoken in ons eigen hoofd. Precies wat ook Lauwers ons wil laten voelen. Hij gooit daar een fantastisch, spokerig eindbeeld bovenop, dat je perplex achterlaat.
Identiteiten
Lauwers graaft met zijn ensemble naar de achtergrond van de manier waarop we onze identiteit denken. Erwin Jans gaat daar in een zeer lezenswaardige tekst bij ‘The blind poet’ diep op in. (De paradox is dat veel kijkers op de duur de tekst interessanter leken te vinden dan de uitwerking ervan op het podium, een mening die ik overigens helemaal niet deel – het zijn slechts twee erg verschillende benaderingen van een thema). Het thema van identiteit, of verlies van identiteit, komt nog veel vaker voorbij op dit festival, o.a. in ‘The dark ages’ van Milo Rau en zowel grappige als intens trieste ‘Cuando vuelva a casa voy a ser otro’ van Mariano Pensotti. Ik kom er bij gelegenheid op terug. Het zit uiteraard ook in het werk van Mårten Spångberg en Matija ferlin (waarover verder meer). Over de vraag naar de plaats van de kunst in die kwestie probeert Halory Goerger dan weer zijn licht te laten schijnen.
Halory Goerger: Corps Diplomatique
‘Germinal’ , dat Goerger maakte in samenwerking met Antoine Defoort, was één van de grote ontdekkingen van KFDA in 2013. Niet alleen daar trouwens. In de zomer van dat jaar riskeerden mensen een zonnesteek om in een moordend heet Avignon aan te schuiven in de hoop nog een kaartje te bemachtigen voor dat stuk. Et pour cause! Het stuk stelde een soort metafysica van het digitale tijdperk voor, een radicale ‘umwertung’ van alle klassieke ontstaansmythes. Het grappioge was dat ze daarvoor een oud medium als theater inzetten, dat traag, omslachtig, zwaar is, en dus helemaal niet past in de flitsende logica van het digitale tijdperk. Van de weeromstuit kwamen veel automatismen die in de virtuele wereld volkomen logisch lijken in een vreemd daglicht te staan.
‘Corps diplomatique’ is een voortzetting van dat onderzoek. De situatie is ‘eenvoudig’. Plaats van actie is een ruimtesonde met vier kosmonauten. De sonde wordt losgekoppeld van een ruimtestation om een koers te zetten naar verre, onbekende planeten. De sonde zal nooit meer terugkeren. De idee is immers dat de bemanning zichzelf door klonen reproduceert en zo eeuwig kan blijven leven, tot ze, hopelijk, op een dag buitenaardse beschavingen ontmoet. Ondertussen kan ze zich onledig houden met het schrijven en produceren van theaterteksten die ooit op een dag, na eeuwen rijping, kunnen getoond worden aan vreemde beschavingen. Vandaar dat de sonde een buitengewoon grote vrije ruimte heeft, de ‘espace Jean Vilar’, niet toevallig een plek die ook in Avignon bestaat ter ere van de grote stichter van het festival.
De opzet is niet ongelijk aan die van een tijdscapsule die NASA etc. al eerder het zwerk in schoten met de bedoeling om onbekende beschavingen kennis te laten maken met ons. Als je daar goed over nadenkt, is dat natuurlijk onzinnig, want hoe zou een buitenaards wezen nu ooit moeten begrijpen wat pakweg een beeld van Paul Van Hoeydonck precies voorstelt? Vandaar dat dit ruimteschip alvast is uitgerust met een meer gesofisticeerd middel: een serie banners die op mysterieuze wijze gedachte-inhouden onmiddellijk overdragen op wie ze aanraakt. (Even absurd, als je er over nadenkt natuurlijk).
Wat dit gedachte-experiment echter meer dan venijnig maakt is de selectie van de bemanningsleden: ze moeten kinderloos én onvruchtbaar zijn, mogen geen blijk geven van een bijzonder talent of specifieke vakkennis en verder niets te verliezen hebben. Je moet niet al te veel van de huidige theaterpraktijk weten om het bijtende sarcasme daarover in deze attributen te herkennen.
Voor de slechte verstaanders is er ergens halverwege de reis een incident dat de ‘waardeloosheid’ en betekenisloosheid van het theater in onze samenleving nog flagranter illustreert. De eerste generatie kosmonauten is dan op één na, Goerger zelf, door een ongeval al omgekomen, en vervangen door klonen. Deze ‘jonge’ klonen hebben weinig op met de oubollige ideeën van Goerger over de nobele taak van theatermakers, een opdracht waar Goerger zelf overigens ook niet echt meer in gelooft. Maar de fut is er helemaal uit als ze plots vernemen dat de regering een tweede sonde, met een veel grotere crew en dito middelen, de ruimte inschoot. Die groep is een afsplitsing van de ‘Cirque du Soleil’. Niemand gelooft nog in die onafhankelijke theatermakers.
Zijn stellen ondertussen zelf vast dat ze al lang niet meer in hun repetitieruimte gekomen zijn, en ook nauwelijks een idee hebben wat ze daar zouden kunnen doen. Ook dat was natuurlijk voorspelbaar, vermits ze al bij aanvang geselecteerd waren op hun gebrek aan ideeën. Die zouden zich wel vanzelf ontwikkelen. Dat is wellicht de meeste venijnige kritiek die Goerger spuit. De beslissing van de regering om de ‘Cirque du Soleil’ en de ‘Berliner Philharmoniker’ alsnog na te sturen is enkel te verklaren door het besef dat ideeën weliswaar niet wenselijk zijn, maar dat er toch spektakel moet zijn om de tijd te verdrijven. En vermits deze bemanning daar niet het minste benul van heeft, zijn ze toch niet echt het juiste ‘corps diplomatique’.
Uit louter verveling kijkt de crew dan maar zelf naar de banners die ze meevoeren. Plots ontdekken ze er rituele gewaden van de paus. Dat brengt hen finaal toch op een idee: als ze die nu eens zouden namaken. Zou dat geen mooi theater opleveren. Dat is het slotbeeld van de voorstelling. Op dit punt stelt de voorstelling echter ook teleur. Deze ‘grap’ lijkt een nooduitgang om het gedachtenexperiment naar een eind te brengen, maar uiteindelijk is dat niet meer dan een wrange grap. Wat het betekent als een maatschappij gevangen zit in een steriele, gedachteloze en eindeloze reproductie van zijn eigen rituelen, zonder de achtergrond ervan nog te kennen, wordt hier niet meer geëxploreerd. Wachten op het vervolg lijkt de boodschap.
Mårten Spångberg: La substance, but in english
Wie wel een poging doet om dit probleem door te denken of toch te representeren is Mårten Spångberg. De vorm van deze 4u en 20 minuten durende voorstelling is overbekend, zij het dat ze wat in onbruik raakte. Spångberg brengt een ‘happening’, het genre waarvan Peter Brook ooit meewarig wist te melden dat het ons een zeldzame keer in contact brengt met krachten die onszelf te boven gaan maar helaas in de meeste gevallen eindigt in oeverloos gedoe met troep waar je als kijker geen boodschap aan hebt. Ik volgde maar een goed half uur van deze bedoening, wegens teveel voorstellingen op één dag en te grote afstanden, maar dat volstond wel om de opzet te vatten.
Het werk speelt zich af tegen een reusachtig patchwork van goudkleurig glitterende en zwarte stukken stof waar merknamen als Chaneel op geborduurd zijn. Links ervan een grote witte wand waar grillige lijnen allerlei figuren suggereren. Tijdens de voorstelling kleuren jonge mensen die figuren in met helle kleuren en laten ze zo figuren als een hoed oplichten in deze spaghetti van lijnen. Op het podium zelf staan een tiental performers, die langzaam, als in een trance, bewegen op de house muziek die Spångberg zelf programmeert. Hij zit onderuit gezakt, met een pc, voor het witte zijpaneel, en kijkt haast verveeld toe. De performers zijn in de weer met verf en kleren, en versieren zichzelf en elkaar daarmee, in een eindeloos doorgaand ritueel. Een onderkoelde, eindeloos vertraagde rave party. Zoiets.
Het werkte op mijn zenuwen, maar misschien was dat vooral omdat ik aan het piekeren was over hoe ik van daar weer op tijd het volgende spektakel zou halen – de kwaal van de festivalganger- wantr achteraf merkte ik dat ik dat ik de beelden niet snel uit mijn hoofd kreeg. Alsof hier iets wezenlijks in scène gezet was. De buitengewoon lange tekst bij de voorstelling, die op de website van het Kunstenfestivaldesarts ne te lezen valt, suggereert dat inderdaad ook. Het is zowat een filosofisch traktaat dat uiteen zet waarom we identiteit op dit ogenblik vooral zien als een kwestie van intensiteit, en niet langer als ‘substance’, zien. Intensitiet is dan de mogelijkheid om ‘zonder iets in de wereld te veranderen, de wereld te vergelijken met zichzelf, en hem iets beter of sterker te vinden dan hij is’. Die uitspraak is echter ook, en misschien is dat in deze context ongewild, een perfecte samenvatting van wat theater sinds de barok doet: intensiteit opvoeren –dingen belangrijker maken dan ze zijn- zonder daarom aan die dingen of aan de wereld iets te veranderen. Kruis dat met een erg hedendaags, en in zijn verschijning alvast erg oppervlakkig, ritueel, en je krijgt een voorstelling die je aan het denken zet over de betekenis en inzet van pakweg ‘Tomorrowland’ of reclameboodschappen die steeds weer ‘intensiteit’ als het ultieme verkoopargument aanhalen. Of hoe theater als oud medium iets kan zeggen of zichtbaar maken over wat in het digitale tijdperk speelt
Wat niet betekent dat de tekst van Spångberg de zaak volledig verheldert. Her en der is ze zelfs bepaald duister. Maar de ambitie om quasi ‘ready made’ beeldmateriaal te koppelen aan een doortimmerd betoog over hoe we onszelf ervaren blijft wel opmerkelijk. Wordt ooit wel vervolgd.
Boris Charmatz: manger
Nog zo’n tegendraadse choreograaf, wiens weerbarstige beelden de code van onze ervaring steeds weer lijken te willen kraken is Boris Charmatz. ‘Manger’ is de hekkensluiter van het festival, maar ik zag het eerder in Théâtre de la Ville in parijs. Veertien performers wagen zich in dat stuk aan de heikele taak om terzelfdertijd te eten, te zingen en ook nog te bewegen. Wat valt daar nou aan te zien, vroegen velen zich al af? Meer en minder dan het lijkt.
Een sierlijk spektakel is het alvast niet: mensen die bladen (ouwel-)papier in hun mond proppen en ondertussen met open mond zingen en gesticuleren. Smakelijk nog minder. Le Nouvel Obs eiste daarom het ontslag van Charmatz als artistiek leider van het Centre Choréographique de Rennes. Het vond ‘Manger’ een aanslag op al het goede en mooie in de dans. Het moet geleden zijn van toen Jan Fabre ‘artiste associé’ was op het Festival van Avignon dat de Franse pers een staatszaak maakte van kunst.
Net als Fabre telt Charmatz naast rabiate tegenstanders echter ook fervente fans. Tate Modern nodigde hem recent bijvoorbeeld uit om twee dagen lang het museum ‘over te nemen’. Eerder deed Moma New York dat ook al. Libération was er, anders dan Le Nouvel Obs, telkens laaiend over. Zo’n uitnodiging van topmusea krijg je immers enkel als je hoog aangeschreven staat als kunstenaar. In Charmatz’ geval is dat des te merkwaardiger omdat hij zich vooral als danser, minder als choreograaf en zeker niet als beeldend kunstenaar opstelt. Het gaat hem steeds om de danser en zijn lijf. Daarom herdoopte hij het Centre Choréographique van Rennes trouwens symbolisch tot ‘Musée de la Danse’.
Maar wat maakt hem dan zo controversieel? Waarom zien musea hem anderzijds graag komen? In zekere zin sloeg Nouvel Obs de nagel op de kop. Charmatz weigert lippendienst te bewijzen aan het goede en schone. Hij lijkt er zelfs plezier in te scheppen het omgekeerde te tonen. Al zou Charmatz eerder zeggen: de keerzijde tonen. De mooiste bloemen groeien op de mestvaalt, dus moet je die stank op de koop toe nemen. De prachtigste bewegingen zijn vaak ook de gevaarlijkste. Dus doe je beter niet alsof het vanzelf gaat. Dat is Charmatz in een notendop. In de danswereld wordt dat maar schoorvoetend aanvaard. De beeldende kunst kan beter om met zo’n aanpak.
Die herken je ook in ‘Manger’. Het gaat Charmatz niet om eten als sociaal ritueel. Hij toont het als fysieke acties: kwijlen, slikken, bijten, overgeven zelfs. Dat is ongewoon: in de kunst gelden zo’n beelden meestal als provocatie. Hier niet: Charmatz laat zijn performers vanuit de zaal naar het podium komen. Hij benadrukt zo dat wat zij doen precies hetzelfde is als wat iedereen elke dag doet.
Meteen zegt hij zo ook dat eten een fundamentele daad is, net als ademen. Toch worden we er ongemakkelijk van om naar eten te kijken als was het een doelbewuste, kunstige actie. Eten is immers vooral onwillekeurig. We kwijlen zonder het te weten. Als we eten zijn we als dieren. Als we eten, of ademen, opent het lichaam zich bovendien. Het vermengt zich met vreemde stoffen of scheidt zelf van speeksel en ontlasting af. Allemaal dingen waar we minder meester van onszelf zijn dan we zouden willen. Geen toeval dat veel obsessies, tics en verlangens verbonden zijn met eten.
Over die schimmige zone waarin we zowel mens als dier zijn, zowel bewust als onbewust handelen, gaat ‘Manger’. Elke performer speelt zijn pak papier hier binnen op zijn unieke manier. Die spreekt boekdelen: de hyper-methodische eter tegenover de veelvraat die teveel in zijn mond propt en alles weer uitspuwt bijvoorbeeld. De ‘dans’ sluit daar vaak bij aan: de performers likken en zuigen dan aan hun tenen of armen. Meestal blijven ze sterk op zichzelf. Eten is hier een eenzame daad. Slechts af en toe is er contact. Eigenlijk zie je simultaan veertien solo’s.
Contact maken de dansers vooral door samen te zingen. De muziekkeuze is bizar: ‘hemels’ gezang van Josquin Desprez wordt gevolgd door de kinky popsong ‘Je t’ obéis’ van Sexy Sushi. Een keer komt er ook een gedicht door. ‘Le bonhomme de merde’ van Christophe Tarkos gaat over een man die het lijf van een ander binnendringt en daar overal stront vindt. In zang en de tekst drijven zo onbewuste voorstellingen rond eten boven.
Het is echter niet om die reden dat veel kijkers zo verstoord raken door ‘Manger’. Wel omdat Charmatz er een punt van maakt om zijn beelden nooit compleet uit te werken. ‘Rariteiten’ verschijnen en verdwijnen nog voor je er een naam op kan plakken. Daardoor confronteert de voorstelling je met het irritante, gevoel dat we zelfs in zoiets gewoons als eten een vreemde voor onszelf zijn. Dat is precies wat er ‘te zien’ is.
Matija Ferlin: We are kings, not humans
Matija ferlin was twee jaar geleden al te gast op het het KFDA met ‘Sad Sam Lucky’. Dat was een van de betere momenten van die editie. Ferlin wist met een paar goed gekozen objecten (een tafel vol kolenas, een witte vloer vol krassen en strepen en een stapeltje boeken en losse tekstbladen) een wereld te suggereren. Geen al te vrolijke nochtans. De roetwalmen van het voormalige Oostblok drijven naar je toe in het begin. Toch vatte Ferlin steeds weer blij gemoed zijn taak aan om beweging en klank bij teksten te vinden. Daar draaide het om: hoe je met je vege lijf van niets iets kan maken op een podium. Er zat echter systeem in zijn gekte. Bij elke nieuwe ronde niette hij teksten op zijn tafel en dronk hij van een groot glas water. Het glas werd zo de ‘maat’ van het stuk: eens het glas leeg was, was de voorstelling ook voorbij. Mooi vond ik dat. Iets eenvoudigs als een glas water werd hier bijna kwansuis een erg suggestief suspense element. Staat drinken immers voor: ‘de kelk tot de bodem ledigen’ of moet je het letterlijk nemen? Zonder water haal je het immers niet in dit stoffig milieu van kool en gruis. De voorstelling zat vol van dat soort dubbelzinnige, rijke beelden. Ferlin vergaloppeerde zich daar op de duur wat in, maar zijn puntige schetsen blijven boeien.
In ‘We are kings not humans’ gaat het op zijn manier weer over de woorden en de dingen, of hoe je met woorden en gebaren vat kan krijgen op de werkelijkheid om je heen. Ferlin creëerde het stuk voor het Kroatische Nationaal Theater. Deze keer graaft Ferlin zich echter niet autobio. Dit stuk kan je bijna als een antropologische studie omschrijven naar de manier waarop kinderen de taal naar hun hand zetten om zich te verhouden tot de wereld om hen heen. Ter voorbereiding van deze voorstelling hield Ferlin heel wat workshops met kinderen, waarin ze het blijkbaar hadden over grote onderwerpen als het ontstaan van de wereld, de toekomst, wat de mensen tot mensen maakt en ga zo maar door. De grote vondst van het stuk is dat Ferlin de tekst die hij daaruit distilleerde niet laat spelen door kinderen –dat zou wellicht ook vreselijk op de zenuwen werken- maar door volwassen, professionele acteurs van het Nationaal Theater.
Hij plaatst ze in een bizar decor van Mauricio Ferlin: een gesloten kijkdoos met uitgesproken perspectivische verwijding van de zijwanden en vloer. Het vreemdste is echter het dakvlak, dat niet vlak is, maar geknakt in twee symmetrische, schuin oplopende vlakken, een beetje als een sterk vervormde zolderruimte. De wanden van deze ingewikkelde kijkdoos zijn tot ooghoogte bekleed met sterk verbleekt behangpapier, versierd met vogels in de takken van de bomen. Daarboven wordt het oppervlak grauwig grijs, alsof je naar een vervuild, afgebladderd pleisterplafond zou kijken. Echt alsof je na vele tientallen jaren zou terugkeren naar een plaats die al die tijd aan zijn lot overgelaten werd. Dat is in zekere zin ook wat hier gebeurt.
Vanuit de zaal komen een na een zes figuren met een groot blauw tafelkleed over het hoofd het podium op. Ze verdringen zich op de Zweedse bank die frontaal midden voor op het podium staat. Even denk je dat het om burka’s gaat maar dat zet je meteen weer uit je hoofd als je ze in koor zingen over hun levensvragen. Daarna verdwijnt dit bizarre koor door verborgen deurtjes in de zijwanden van het decor, en heb je even tijd om de paar meubelstukken te bekijken die in een hoekje bijeen gestouwd zijn. Dit is echt een vergeten rommelzolder.
Meteen daarna gaat een deur achteraan open en verschijnt een enigszins gezette, grijzende man met bril (Dušan Gojič). Hij begint een hele uiteenzetting over dino’s en mensen en hoe die aanvankelijk samenleefden met mensen. Daar versta je natuurlijk geen woord van, want alles verloopt in het Kroatisch. De boventiteling brengt hier raad. Daar is echter iets vreemds mee aan de hand, merk je meteen. Zinnen zitten vaak grammaticaal of logisch verkeerd in elkaar. Het betoog van de man is trouwens op zijn minst onwetenschappelijk, zelfs tamelijk incoherent –of erg fantasierijk, zo je wil- te noemen. Dat wordt er niet beter op als een hupse jonge vrouw in bloemetjeskleed (Jadranka Dokić) het podium betreedt. Zij orakelt iets over metrieten en kristallen als de bron van alle leven (als ik me dat juist herinner ten minste). Na hen duiken ook Ivan Jončić, Livio Badurina, Ana Begić Tahiri en Iva Mihalić op. Ze praten allemaal dat kromme taaltje, vol zelf verzonnen woorden waarmee ze op een bizarre manier de wereld naar hun hand zetten. Al heel snel snap je dat je hier kinderen in het lijf van volwassenen ziet. Meteen snap je ook die ‘burka’s’: het zijn tafelkleden de ze over hun hoofd gooiden als een vermomming, of om spookje te spelen.
De acteurs gedragen zich nochtans, op hun woordgebruik en denkbeelden na, voor de rest helemaal als volwassenen. Zelden zijn de momenten waarin ze zich laten gaan. Dan gaan ze plots gaan liggen en in het ijle staren of zetten ze een primitief kinderdansje aan. Maar toch herken je in die volwassenen het kind dat ze ooit waren. Tenminste, je ziet hoe hun volwassen persona sterk verbonden is met ideeën en gedrag uit hun kindertijd. Tahiri bijvoorbeeld draagt een nuffig-burgerlijke rok en hooggesloten blouse. Met haar hooggeheven hoofd, rechte rus en strakke houding is ze een en al zelfbeheersing. Maar dat zit ook al in de kindergedachten die ze meegeeft. De krampachtige houding van Badurini, die haaks staat op zijn eerder gesofisticeerde kledij, verraadt een wat angstige man die wel graag een wat mooier en voller leven zou willen leiden, maar daar niet aan toekomt. Als hij plots, met zijn kinderstem, vertelt dat hij graag rustig wil leven tot hij oud wordt, dan zie je in de volwassene het fantasierijke, maar timide kind helemaal doorbreken. Bij alle acteurs ontstaat dat vreemde, fascinerende dubbelbeeld. Ze houden dat ook tot op het einde, als ze weer samen op het bankje belanden, vol. Voor een groot deel komt dat doordat hun taal en gedachten bijzonder authentiek overkomen. Ze klinken niet alsof een volwassene heeft geprobeerd een kindertaaltje neer te schrijven. Dat blijkt achteraf ook zo te zijn. De tekst ontstond op basis van een workshop met kleuters en kinderen. Die werden in thematische workshops aangemoedigd om hun kijk op dingen weer te geven. Uit die workshops werden de teksten voor dit stuk gedistilleerd. Die authenticiteit laat de acteurs toe om op een vanzelfsprekende manier het kind in hen een stem te geven.
Romeo Castellucci
Het zal je als regisseur maar overkomen: een of andere punk komt even voorbij, kijkt snel rond en holt weg naar zijn volgende klusje. Onderweg schrijft hij op Cobra.be zijn verslagje: ‘Castellucci snertvervelend’. Waarom dat zo zou zijn, daar heb je wel het raden naar. Geen tijd zeker?
Nu kan Romeo Castellucci ook wel behoorlijk irritant kan zijn. Hij tovert ons altijd weer beelden voor waar je op het eerste gezicht geen touw aan vast kan knopen, maar die toch zo intiem verknoopt zijn met onze beeld- en woordtraditie dat je desondanks blijft zoeken naar een verband of diepere betekenis. Er is zo altijd iets raadselachtig aan zijn werk. Het heeft iets van een rebus die moedwillig ingewikkeld maakt wat dat misschien niet noodzakelijkerwijze is.
‘Menselijk gebruik van menselijke wezens’ is zo’n stuk dat veel tekens rondstrooit zonder er, zoals in een puzzelboek, een oplossing bij te geven. Paradoxaal genoeg is dit stuk echter tegelijk overduidelijk, en wel vanaf het eerste ogenblik. Je komt binnen in een ijskoude kelder waar vier personen in een wit beschermingspak met bril en gasmasker staan. De ruimte stinkt dan ook doordringend naar ammoniak. Je moet zelfs je neus dichtnijpen om het uit te houden. De vier figuren houden duidelijk afstand: tussen hen en het publiek staat op de vloer een witte lange balk, een soort goot. Achter die goot manipuleert het kwartet een enorme witte schijf.
Die schijf herken je meteen, want in het programma staat die schijf ook afgebeeld onder de naam ‘La generalissima’ , de meest algemene taal. Het programma vermeldt: ‘de principes van het verdichten en schrappen die regeren over het menselijk Gebruik tussen menselijke wezens doen een beroep op de geestelijke en miraculeuze kracht van de taal om de lichamen te overstijgen’. Ze vermeldt ook dat deze taal volgens datzelfde principe in vier opeenvolgende stappen steeds abstracter wordt tot de hoogste sfeer die maar uit vier woorden bestaat, maar nog steeds toelaat te communiceren.
Dat zie je inderdaad bijna in één oogopslag. Op het witte vlak zijn vier concentrische cirkels geplaatst. In de buitenste ring is de schijf verdeeld in 400 segmenten. De volgende ring reduceert die tot 80 vakjes, de derde tot 16 om tenslotte, in de kern van de grote cirkel inderdaad te eindigen met vier kwadranten. De buitenste ring bevat een lexicon van 400 woorden dat iemand toelaat zich in courante situaties uit de slag te trekken. In de volgende ring vat een abstracter verzamelbegrip vijf woorden uit de buitenste cirkel samen. ‘Groep/Alle/Politiek/Besparen/Vertalen’ wordt zo geplaatst onder de noemer ‘maatschappij’. Niet meteen een neutrale samenvatting, maar wel een denkbare. Van ring 2 naar ring 3 gaat het dan van ‘Maatschappij/School/Wet/Ziekte/Recht’ naar ‘Regel’. Ook weer een denkbare maar niet noodzakelijk reductie. Van daar af wordt de logica echter bepaald cryptisch, want ‘Regel/pre-graf/Mijn/Ik’ (de laatste twee begrippen zijn trouwens geen essenties maar slechts relatieve, lege begrippen) wordt samengebracht onder het niet-bestaande (maar wel begrijpelijke) ‘Agon’. De andere drie kernbegrippen, ‘Apothema’, ‘Meteoor’ en ‘Blok’ zijn dat veel minder. De cirkel suggereert zo in elk geval wel dat er een soort sleutelwoorden zouden bestaan die als bron, als code dienen voor al wat mensen verder kunnen zeggen. De kern lijkt een steen van Rosetta van het menselijk spreken.
Op het geïmproviseerde podium is deze woordencirkel echter meteen, overduidelijk, ook iets anders: een grafsteen. Elke keer als de vier beschermpakken de schijf verplaatsen weerklinkt een hard geschuur, als van een steen die over de grond schraapt. De schijf/grafsteen belandt zo voor een deuropening naar een volgende ruimte. Ze wordt daar langzaam van weggerold, als uitnodiging aan het publiek om zich daarheen te begeven. Deze iconologie is overbekend: het graf van Christus wordt steeds weer beschreven als een grot waar een steen voor weggerold werd. Dat zien we hier. De combinatie van het woordendiagram met het beeld van een grafsteen suggereert echter ook deze schijf de sleutel tot de metafysica verbeeldt. Het raadsel van de wederopstanding als broncode van onze wereldopvatting. De ammoniakgeur krijgt daarin een specifieke, en tegenstrijdige betekenis: ammoniak is immers het restproduct van verrotting, het laatste stadium van de afbraak van levende materie waarin zich stikstof-waterstof verbindingen vormen. Ammoniak is een eindpunt, de steen een vertrekpunt. In elk geval: de vier figuren gieten nu in de goot die hen scheidt van de kijkers een nog meer ammoniak. Die nog penetranter geur doet het publiek snel vluchten. (Misschien was het brein van het Kuifje dat Cobra erop uitstuurde ondertussen zo beneveld door de ammoniakdampen dat hij niet meer kon denken. In dat geval kan hij op absolutie rekenen…)
In de volgende ruimte wordt die spanning tussen begin- en eindpunt op een andere manier zichtbaar. Het is alweer een overmaatse bunkerruimte, veel te groot voor de beperkte actie die zal volgen. Her en der zijn onttakelde decorstukken te zien. In een hoek vormen die een soort scheidingswand met daarachter een estrade. Achter die scheidingswand komen ontblote bovenlichamen omhoog, als poppen in een poppenkast of schietkraam. Je ziet geen gezichten, enkel ruggen, wat het poppenkasteffect nog versterkt. Na enkele verschijningen trekken ze aan hun haar, en merk je dat hun weelderige haardos slechts een pruik is. Het is een van die beelden waar Castellucci het patent op heeft: eenvoudig, direct, maar zo meerzinnig dat je er geen blijf mee weet.
Dat is allerminst het geval voor wat volgt. Een groep mensen, omstaanders, komt binnen. Twee van hen begeven zich naar de wand waar eerder de blote bovenlijven verschenen, en stellen zich tegenover elkaar op. Het is het begin van een hoogst bizar tafereel. De linkse, struise man met baard, in glanzend pak, affirmeert immers dat hij God is, en beveelt de andere, schrielere man, in een donker pak, om uit de doden op te staan. Voor de slechte verstaander verschijnt nagenoeg tegelijk op de achtermuur een beeld van de wederopstanding van Lazarus, zoals Giotto dat afbeeldde in de Scrovegni kapel in Padua. Het is, als veel van de fresco’s van Giotto, best grappig. Natuurlijk is er de beduusde Lazarus en de verheven Christus met aureool, evenals twee vrouwen die zich op de grond voor de Heiland storten in beate verering. Maar er zijn ook een paar vrouwen op de achtergrond die toch maar liever hun sluier voor hun neus houden, want wat stinkt die Lazarus na vier dagen in het graf toch! Met de stank in het eerste lokaal in gedachten is dat een zeer herkenbaar beeld.
Het meest onthutsende moment van het stuk volgt nu. In Castellucci’s apocriefe versie van dit verhaal weiger Lazarus gewoon het geschenk van God. Hij wil niet uit de doden opstaan en inviteert Christus om meteen naast hem in het graf te liggen in plaats van zijn missie, die uiteraard ook eindigt met het graf en de wederopstanding, te volvoeren. Dat verhaal wordt maar liefst vier keer opgevoerd, als een illustratie van de werking van de ‘Generalissima’ . Bij elke nieuwe ronde wordt gegrepen naar een volgende trap in de reeks van taalverdichtingen die terug te vinden zijn op de taalschijf/grafsteen uit het eerste deel. De actie zelf wordt daarbij ook steeds schetsmatiger. Aanvankelijk is er nog een werkelijke woordenwisseling, waarbij Christus de pose met twee uitgestoken, bezwerende vingers aanneemt die je ook op het fresco van Giotto ziet. Bij de laatste ronde echter rollen de omstaanders de schijf weer naar voor, en plaatsen die op de estrade voor de projectie van het fresco. Christus neemt plaats naast de schijf en krijgt een koperen schijf, als een aureool, aangemeten. Lazarus daarentegen maakt zich uit de voeten. Hij weigert dit spel nog te spelen. Dit tweede deel kent daarna een onverwachte ontknoping. De omstaanders komen nogmaals dichterbij en vouwen een groot zwart doek open. De gloriërende Christus laat zich in dat doek wikkelen, en wordt, als in één begrafenisstoet, door de omstaanders op hun schouders weggevoerd. De processie keert terug naar de eerste ruimte.
Daar wordt deze dode Christus weinig ceremonieel neergelegd, opgebaard in het midden van de zaal. Achter hem staan twee Tibetaanse reuzentrompetten symmetrisch uitgesteld, maar de twee mannen die er achter staan bespelen ze niet. Ze kreunen, brullen, gorgelen zelf diepe keelklanken in een microfoon. Een rouwzang die ondraaglijk hard versterkt wordt. Dat blijft doorgaan, zolang als er nog toeschouwers in de ruimte zijn.
Dat God hier dood is, en met hem de taal als bezwering ook ten onder ging lijkt weinig twijfel te lijden. Lazarus, en met hem de mensheid weigeren zich te committeren aan zo’n werkelijkheid. Waardoor meteen ook alle beelden en woorden die daar omheen ontstaan zijn aan slijtage onderhevig zijn. De sleutel zit in het fresco van Giotto, dat nog een zweem van heiligheid verspreidt, maar tegelijk, in de menselijkheid van de personages, een onttoverd beeld van het verhaal van Lazarus, als een stinkend lijk, geeft. Maar dat overlijden blijft wel doorzeuren, als een eindeloze klaagzang, tot ook de laatste mens verdwenen zal zijn. Snertvervelend is dat inderdaad, in zekere zin. Alleen is dat niet het eerste of laatste wat je over deze voorstelling zou willen melden.
Anne Teresa De Keersmaeker: My breathing is my dancing
Het was een drukte van belang op de derde etage van Wiels tijdens de laatste dagen van ‘Work/Travail/Arbeid’, de solo-tentoonstelling van Anne Teresa De Keersmaeker (nu ja, solo is een raar woord in dit geval, omdat er natuurlijk wel meer dan 20 performers aan te pas komen om het werk getoond te krijgen) . Dat maakte het moeilijk om nog echt te genieten van dit in alle opzichten grensverleggende werk. (Ik schreef er hier al eerder over en werkte die gedachte verder uit in het komende nummer van Etcetera). Een verdieping lager, op de tweede etage, werkte De Keersmaeker tijdens de negen weken van de tentoonstelling aan nieuw werk –al spreek je misschien beter van een verdere uitwerking van wat ze boven toonde.
Als zo vaak de laatste jaren opent ‘My breathing is my dancing’ eerst met muziek, met ‘L’ Opera per flauto van Salvatore Sciarrino, uitgevoerd door Chryssi Dimitriou. De jonge vrouw stapt naar het midden van de ruimte, tussen de twee zware betonkolommen die de grote zaal op de tweede etage van Wiels bepalen, vat post voor een muziekstandaard en barst los. Dat moet je je echt wel zo voorstellen, want deze eerste beweging is als een lange reeks heftige ademstoten over het mondstuk van de dwarsfluit, die daardoor een rauw, schril geluid, geen warme en ronde klank produceert. De vrouw ademt zo krachtig en staccato dat haar hele lichaam er soms door weggeslingerd lijkt te worden. Op het einde van die eerste beweging stapt De Keersmaeker, die eerst als een toeschouwer tegen de muur leunend toekeek, over de diagonaal van de ruimte, voorbij de middenkolommen tot vlak voor de opening van de tweede zaal. Ze doet haar kaki jasje uit en blijft toekijken terwijl de tweede beweging van het muziekstuk aanzet. Pas nu merk je hoe bijzonder haar broek en bloesje zijn: ze zijn gemaakt van een ragfijne, doorschijnende en huidkleurige stof waar haar oranjerode ondergoed doorheen schemert. Die kleurencombinatie steekt fel af tegen haar fluo gele sneakers. Van op een afstand kijkt ze naar de fluitiste, ademt mee met de nu veel rustiger verlopende uitvoering en zet af en toe, haast onmerkbaar, een kleine beweging aan, met een beheerste kleine uithaal als de muziek even versnelt. Plots doet ze rustig haar sneakers uit en verdwijnt naar de tweede zaal. Ze volgt daarbij een knaloranje lijn die je nu pas opvalt tussen alle cirkels en lijnen die in krijt op de grond uitgezet werden.
In die tweede zaal ‘gebeurt’ er echter niets. De Keeersmaeker staat er quasi stil, kijkt terug, trekt haar sneakers weer aan en keert weer naar de eerste ruimte. Reculer pour mieux sauter? Inderdaad neemt zij nu, in plaats van de fluitiste, de ruimte in beslag. Haar uitvalsbasis is, net als bij de muzikante, de ruimte tussen de twee centrale pijlers. Daar draait ze rond, en zwiert haar armen nu eens in deze, dan weer in een andere richting die ze al stappend ook verder vervolgt. In het begin blijven die vluchtlijnen kort. Ze beweegt nog bedachtzaam. Vaak haft ze haar armen sierlijk als een krans boven haar hoof, en kijkt ze mee de hoogte in. Langzaam worden de bewegingen echter abrupter, de looplijnen langer en de armbewegingen schetsmatiger en bruusker. Soms vertrekt ze zo plots en heftig dat het wel lijkt alsof ze uit startblokken schiet, of zich met kracht wil ontworstelen aan het gravitatieveld van de kolommen, om zich verder in de ruimte te wagen. Ondertussen veranderen haar stappen ook van aard. Ze probeert steeds meer ongewone passen uit. Soms laat ze haar voeten vol neerkomen op de grond, wat haar gang zwaar en nadrukkelijk maakt. O andere momenten balanceert ze op haar hielen, wat haar verplaatsingen een wankel karakter geeft, zeker als het almaar sneller gaat. Terwijl ze steeds meer richtingen uitzet, volgen nog meer variaties, als huppelen. De massa van haar lichaam speelt steeds nadrukkelijker een rol, bijvoorbeeld als ze op het einde van een lijn voor- of achterover blijft hangen alsof ze haar snelheid wil afremmen met haar eigen lijf. Op het einde van deze beweging vraagt De Keersmaeker plots aan het publiek welke richting het verder nog uit zou kunnen. Daar volgde geen antwoord op, maar het beklemtoont wel dat de dans thematisch sterk bepaald is door de lijnen die uitgezet worden, maar daar tegelijk een grote vrijheidsgraad in toelaat.
Het deed me onwillekeurig denken aan de improvisaties van Steve Paxton: dezelfde grillige variatie, die toch nooit puur arbitrair wordt, omdat ze gebouwd is op reële krachten van snelheid en massa in de beweging. Misschien kwam het beeld van Paxton ook bovendrijven om een andere reden. De Keersmaeker plaatst de pupiter van de fluitiste weer in het midden van de zaal, zij het nu niet tussen de twee centrale pijlers, maar excentrisch ervan. Dimitriou bespeelt haar fluit nu voor het eerst op conventionele wijze, in een uitvoering van een partita voor fluit van Johann Sebastian Bach. Ook Paxton bracht zijn improvisaties jarenlang op muziek van Bach, zij het dan vooral op de Goldberg Variaties, gespeeld op piano door Glenn Gould. Maar je merkt hier een zelfde soort plezier in het gelijktijdig verkennen van de ruimte, de muziek en de spontane ingevingen die dat uitlokt in het eigen lichaam.
Uiteindelijk keert de muziek terug naar de Sciarrino’ s werk –of bespeelt Dimitriou hier de fluit op zijn wijze, als een voorwerp dat de klank van de adem versterkt en hoorbaar maakt eerder dan ze te laten verdwijnen in de muziek? Dat werd mij niet helemaal duidelijk. Er tekent zich echter wel een nieuw thema af in de dans als De Keersmaeker verschillende keren neerzijgt en lang blijft liggen, alsof ze bezweken of dood was. In die momenten weet je wel zeker dat deze dans geen zuivere abstractie is, maar een directe bewegingsmeditatie, die kernfiguren van het leven –omhoog reiken, richting kiezen, onder gaan- bespeelt . Uiteindelijk stevent de danseres in een allerlaatste beweging af op de verste hoek van de ruimte waar op de muur drie regels gekribbeld staan: ‘Le temps des baleines / le temps des insectes / le temps des humains’. Wellicht niet toevallig de drie kernbewegingen of –begrippen in Gérard Grisey’ s ‘Vortex temporum’, het werk dat de tentoonstelling een etage hoger inspireerde. Hier voert dat naar een erg verschillend, meer expressionistisch idioom, maar de fundamentele inzet blijkt dezelfde.
Woostergroup in de mist
Soms kan het vreemd lopen. Velen keken wellicht reikhalzend uit naar de passage van de Wooster Group op dit Festival, maar hun ‘Cry, Trojans!’ bleek de grote verwachtingen niet te kunnen inlossen. Het was dan ook een nogal vreemd waagstuk van het ensemble om ‘Troilus and Cressida’ van Shakespeare op te voeren. Het stuk wordt immers beschouwd als een van zijn ‘problem plays’, stukken die nauwelijks opgevoerd werden, zelfs niet in zijn tijd omdat niemand weg wist met de richtingloze plot. Ze vermengt twee verhalen: enerzijds de basisplot van de Illias, die gaat over de woede van Achilles over zijn gebrek aan erkenning binnen de Griekse troepen, en vervolgens zijn gruwelijke woede tegen Hector die zijn vriend Patroklos vermoordde. Anderzijds is er een later verhaal over Troilus, de broer van Hector, die door Pandaros gekoppeld wordt aan de beeldschone Cressida. Pandaros is overigens de (in de Wooster versie nogal nichterige) oom van die Cressida. Nadat Troilus en Cressida elkaar dure eden van eeuwige trouw gezworen hebben duiken ze meteen het bed in, maar de dag erop blijkt dat er een Trojaanse strijder kan geruild worden voor Cressida, die als een soort oorlogsbuit (mede door toedoe van haar overgelopen vader) met de Grieken geruild wordt. Troilus laat dat toe, en dat is een van de meer bizarre plotwendingen in het stuk, zeker als je weet dat er ook een groot pleidooi van Hector aan vooraf gaat waarin die voorstelt om die vermaledijde Helena maar terug te sturen naar de Grieken en zo komaf te maken met de verwoestende oorlog. Nog vreemder is dat Troilus haar dan gaat bespieden in het Griekse kamp waar Cressida het, deels uit lijfsbehoud, aanlegt met Diomedes. Weg de eeuwige liefde dus.
De enige periode waarin het stuk een zekere populariteit kende was na WO I, omdat de algemene instorting van maatschappelijke waarden toen wel heel goed leek te sporen met de ‘waardenloosheid’ van het stuk.
Waarom waagde de Wooster Group zich nu aan dat stuk, en waarom spelen ze het alsof de Trojanen ‘native americans’, Indianen dus, zijn? Waarom zijn hun bewegingen gekopieerd van de bewegingen die je in een montage van twee films ziet die simultaan spelen, nl. ‘Fast runner’, een echte Inuit film, die Inuit legendes evoceert, en anderzijds de independent film ’Smoke signals’ (ook alweer met native Americans in de hoofdrollen) en tenslotte ook en onvervalst fifties Hollywood drama.
Om eerlijk te zijn: ik zou het niet zo meteen kunnen zeggen. Er is een voorgeschiedenis: de Royal Shakespeare Company daagde het ensemble uit om voor de Olympische Spelen in London een gezamenlijke voorstelling te maken van het stuk, maar dan wel zo dat de Britten de Griekse en de Amerikanen de Trojaanse kant van het stuk voor hun rekening zouden nemen. De confrontatie met de Britse aanpak bleek echter totaal niet te kloppen met de ‘native american’ insteek van de Amerikanen, zodat het project een stille dood stierf, waarna de Amerikanen verder gingen met hun deel van het verhaal.
Dat legt nog altijd niet uit natuurlijk wat er zo Trojaans zou zijn aan indianen. Interessanter is wat regisseur Liz Lecompte vertelt over de tekst van Shakespeare. Ze ontdekten dat die op zichzelf, quasi los van de plot, een zeker drama suggereert, en dan met name in de talrijke bloemrijke monologen. Nu wil ik dat best geloven, omdat taal inderdaad eerder dan de plot de drijvende kracht is in vele stukken van Shakespeare. Denk maar aan het recente ‘Golden hours’ van Rosas, naar ‘As you like it’.
Daar paste de Wooster Group echter ook weer een soort vervreemdingstechniek op toe door de acteurs tijdens het stuk niet alleen te dwingen binnen de bewegingstaal van de films die parallel lopen, maar door ze ook nog eens, via een oortje, te bestoken met analoge teksten van andere acteurs, uit andere stukken. Daar gooien ze dan nog eens een onafhankelijk ontwikkeld set design van de Nederlandse kunstenaar Folkert De Jong bovenop. Allemaal om de juiste afstand tegenover de tekst te bekomen.
Als dat in veel stukken van de Wooster Group, vooral als ze Amerikaanse klassiekers onder het mes legden, prima lukte, dan lijkt de saus hier niet te pakken. De distantiëring wordt hier een techniek die je na enige tijd min of meer snapt, maar je verder gewoon koud laat, was het niet dat het ensemble nog altijd beschikt over formidabele acteurs als Kate Valk of Scott Shepherd die zelfs deze mission impossible nog het bekijken waard maken. Jammer dus.