Verhalende dichtkunst. Dan denk ik meteen aan iemand als Homerus, Poe of Shakespeare. The Canterbury Tales of De Goddelijke Komedie. De vertelling is op rijm gezet en beslaat legio versregels en talloze strofen. Het narratief van Jolanda Kooijmans heeft daarmee van doen, maar ook weer niet. De epiek van Venus and Adonis, Ilias en Odyssee vind ik er niet in terug. Hoewel de dramatiek van deze onderwerpen wel overeenkomen met de thema's kwaad, vervreemding, verdraaiing en angst. De duivel vliegt als een raaf tussen de regels door, maar krast ook luid hoorbaar op een afstandje. Ik meen er Edgar Allen in te horen. Ik bespreek de dichtbundel ADDERTJE, waarin smakelijk satan wordt opgediend.
De vertellingen lopen over verschillende pagina’s door en zouden eigenlijk in een enkele adem moeten worden gelezen. Hoewel je de losse onderdelen best kunt opvatten als een krantenstrip. Drie plaatjes, niet meer, maar het smaakt naar meer. Dus de volgende ochtendkrant meteen op de strippagina gekeken voor het vervolg. Zo houdt Kooijmans mij ook bij de les en kan ik niet wachten de volgende pagina te lezen. Vooral in het vierde verhaal in de mij voorliggende bundel, CONSTANT, geeft de dichter iedere keer aan het eind van de tekst een preview van de volgende bladzij en deze begint daar met de laatste regels van de vorige om de draad weer op te pakken. Zo golven de apocalyptische verhalen door van de ene naar de andere cliffhanger.
Op elke pagina lijkt een afgerond deel uit het verhaal te staan, maar het heeft geen begin en geen eind, het kan echter uitstekend los – bevrijdt van het geheel - gelezen worden. Zo goed zit de poëzie van Kooijmans wel in elkaar, dat de details op zichzelf staan en als onafhankelijk gedicht kunnen worden gelezen. Maar telkens blijft de lust het volledige verhaal te kennen. De magie zit in de losse onderdelen, zoals de krantenstrip de betovering verliest waanneer verzameld in een album. Het raakt de spanning kwijt - de lezer wil geprikkeld worden om de aandacht vast te houden. Desondanks dat dwingt in theorie Kooijmans mij de bladzij om te slaan en de volgende pagina te lezen. Gehypnotiseerd van de woorden gaat mijn blik in extase door de bundel.
Aan ADDERTJE heeft de bundel de titel te danken. Het is de vlag die de lading dekt. Want onder het gras, kronkelt Addertje tussen de regels door en jeukt in mijn gedachten wanneer het me op het verkeerde been zet, ik de zin niet meteen doorzie en kan ontleden. Het diertje, een mensje gelijk, wordt verrassend geboren in en door een bevroren meer. Er is niet op het gerekend en lacht daarom in een vuistje. ‘een lege maag komt ter wereld / met Addertje eromheen’ Een lege maag, want het heeft voortdurend honger. Zin in, zoals ik honger naar wat komen gaat in de poëzie van Jolanda Kooijmans. Addertje merkt zijn wereld op, om zich heen. Merkt vreemdsoortigheden op die zich wenden en keren, meanderen door het verhaal.
Wanneer ik denk de verhaallijn ingelezen te hebben, doemt er een nieuw feitje op waardoor ik uit de tekst raak en bij vrijwel het begin opnieuw begin om maar niets te missen. Addertje valt na een volvette voeding, een dieet van zwaluwkuikens, terug in de geadopteerde moederschoot. Ook hij/zij/hun heeft ergens gaandeweg iets gemist of over het hoofd gezien en denkt opnieuw voor een geboorte te beginnen. Door de kuikens ontwikkelt het amfibie vleugels en wordt een kleine draak. ‘uit haar bek komt een roze damp / en een tong als een flakkerende vlam’ Waar lees ik dat, ik ga op mijn stappen terug. Sloeg zijwegen in zodat ik van het rechte pad afraak aan de hand van Kooijmans. Stap stap stap.
Addertje beleeft wat een avonturen, het is nauwelijks niet voor te stellen. Daarom teken ik het voor mezelf in mijzelf gedachtig uit en herinner me eraan. Het geeft beeld aan de woorden. Dat beeld transformeert vervolgens tot een surrealistisch schilderij, een kunstwerk dat meer fantastisch is dan een ware wereld vertegenwoordigt. De metaforen vliegen me om de oren. De symbolen zijn niet van de lucht. ‘wat niet bestaat in de onderwereld / zijn dagen en nachten / Addertje droomt van de zon en de maan / de wilgen en de wind / het gekabbel van het water’ Dat beeld voor ogen houd ik vast in gedachten. Beeldend geschreven, sprekend gedacht. Dit eindigt in een zondvloed, het kwaad schoon gewassen. Moedermeer bedekt de wereld met een kletsnatte mantel (der liefde?), hun vleit zich over het bestaan waar Addertje toeschouwer is. Waar ik beschouwer ben om met krachtige schoolzwemslagen door het verhaal te laveren. Mijn begrip stroomt vol. Wordt vervolgd.
ZUUZ is vervolgens een ik-verhaal, een persoonlijk relaas. Meer persoonlijk dan de andere vertellingen. Die ik is namelijk de dichter. Die ik dat kan echter ook heel goed de lezer zijn. Ik hoef niet van een afstandje te lezen, ik kan zelf de vertelling meemaken, het zijn beleven. Maar die ik-persoon staat erbij en kijkt ernaar. Zoals ik de beren zie die broodjes smeren. Het is er niet en toch maak je het mee. Het kan niet zijn en waarlijk valt het voor. De gedachte is met de fantasie een veelkoppig buideldier, dat de waarheid in zichzelf opbergt. Er een moment op kauwt en herkauwt, dan de ontwarde wartaal spuit. Het is andermaal alsof ik Dali in de bundel ontmoet, althans meelift op zijn penseel. Of Magritte of Kahlo. Of Breton, Lucebert. Dicht bij de realiteit ben, deze als het ware kan aanraken. Maar toch blijft die werkelijkheid verpakt in cellofaan. Het schuurt aan de waarheid, maar is er verre van. Het had waar kunnen zijn, maar van een andere kant bekeken, evenwel weer niet.
Het ik kijkt tv met oudoom Drie wanneer plots de duivel in de beeldbuis verschijnt. Want het kwaad is overal en overkomt mij, ons als een dief in de nacht. Het is familie, maar staat toch telkens als ongenode gast voor de deur. Een zwager waarmee je gebrouilleerd bent, overhoop ligt en dus niet welkom is. Maar hij blijft zich opdringen. 'hij iz hol van binnen weet je / zijn holte moet gevuld met ophef en gedoe’ En ZUUZ raakt bezeten van de duivel terwijl oom Drie sterft. De pastoor geeft hem het laatste sacrament en ondertussen zit de duivel in haar oor die haar walging en afkeer influistert. 'de dood is nogal wiedez / alom en aldoor' Echter oom schijnt schijndood te zijn, hij mag in extra tijd leven. Het verhaal mijmert door, kent uitstapjes en instappen. En uiteindelijk treedt toch de dood bij oom in. Zo vrolijk beschreven dat het een fijn moment zal zijn en waarschijnlijk is. Zo waarschijnlijk dat het huis even opveert.
‘aan de muur / achter dikke lagen vernis / en de plak van een honderdjarige rookpluim / van een honderdjarige bolknak / ligt een volwassen steur op een eikenhouten tafelblad’ is de beeldende beschrijving van een geschilderd stilleven. Het is na de start van BUBBLEBEEZ VERHALALA het begin. Die start is het slot, zoals een film wel begint met het einde en daarna onthult wat er in de tijden daarvoor heeft plaats gevonden om tot het laatste te komen. Een verhaal over verderf in een hilarisch snoeppapiertje gewikkeld. Het vertelt in gemaskeerd duidelijke taal de misstand met jongelui in kloosterlijke kringen. Zoals de omfloerste trom het teken is van rouw, bedekt de tamtam van het genot verdriet. Achter de lust schuilt wellust, het plezier wordt tegenzin.
Oogappel Ot lacht als een boer met kiespijn, ondergaat zijn lot want Jezus knipoogt naar hem. Ot houdt zich vast aan de Schrift, daaruit put hij nog enige bemoediging. En de dromen die in de nacht gedroomd worden geven de burger moed maar boezemen ook angst in. Het poëtische verhaal leest als een verwrongen nachtmerrie. Eindigt tot slot zoals het is begonnen en verder. Salvador proef ik, de Verlosser. Het is aan de godin van de jacht gelijk: Dali. Ik mis nog smeltende klokken als de volharding der herinnering. Het surrealisme sluipt tussen de regels door, zet zich vast in de gedachte bij de woorden. Hoewel het fantasie lijkt behandelen de gedichten werkelijke zaken. Het wordt echter niet met ware naam en toenaam verkondigt, modieus gekleed komt de naakte waarheid echter helder aan het licht. Ik kijk door de nevel naar het licht aan het eind van de tunnel. Door de symbolen en metaforen, de parabels en gelijkenissen, slaat de realiteit in als een bom, een donderslag aan heldere hemel.
‘Dodeneiland’ van Gerhard Meier: een onuitputtelijk boek over niets
Op een frisse nazomerdag in november flaneren twee oude vrienden door hun ingeslapen provinciestadje. Ze pikken in op wat ze zien in hun directe omgeving en bespreken al slenterend de meest uiteenlopende onderwerpen, maar het epicentrum waarrond al hun gedachten cirkelen is de dood. De imponerende elegie Dodeneiland van Gerhard Meier is een fraaie, herontdekte klassieker van het modernisme, geschreven in een zeldzaam bezwerend en elegant proza.
Boek over niets
Gerhard Meier (1917-2008) schreef op relatief korte tijd een klein maar belangrijk oeuvre. Hij leefde nagenoeg onafgebroken in zijn geboorteplaats Niederbipp, een kleine gemeente in het Zwitserse kanton Bern, waar hij een groot deel van zijn leven ook werkte als ontwerper in een lampenfabriek. Pas nadat hij eind 1956 zes maanden in een sanatorium doorbracht voor een tuberculosebehandeling, begon hij met schrijven. In 1964 publiceerde hij een eerste dichtbundel, Das Gras grünt. Meier schreef in een gestaag tempo verder gedichten, korte prozastukken en romans. Zijn grootste invloeden waren Claude Simon, Marcel Proust, Leo Tolstoj en zijn landgenoot Robert Walser. In 1979 kwam het eerste deel van zijn inmiddels beroemde Amrainer-tetralogie uit, Dodeneiland. Voor Peter Handke de aanleiding om in datzelfde jaar de aan hem toegewezen Franz Kafka Preis voor de helft aan de bekendste Niederbipper ooit te schenken. Hoewel Meier tijdens zijn leven veelvuldig werd gelauwerd en hij op een kleine maar trouwe schare bewonderaars kon rekenen, blijft hij een niche-auteur. Met andere woorden, een ideale toevoeging aan de Koppernik-stal.
Meier ontleende het motto van Dodeneiland aan Flaubert, die in een brief aan Louise Colet schreef: ‘Wat me mooi lijkt, en wat ik zou willen maken, is een boek over niets.’ Een onvolledig citaat met een staartje, want iets verder in dezelfde lange, door komma’s aangejaagde zin, wil Flaubert zijn vriendin ervan overtuigen dat het zijn grootste streven is om een boek te schrijven dat nauwelijks of niet verbonden is met een externe werkelijkheid. Nee, zijn échte streefdoel is een boek dat zichzelf samenhoudt en wel alleen dankzij de interne kracht van zijn stijl, net zoals de Aarde zich zwevende houdt in de ruimte, zonder enige vorm van ondersteuning. Een boek, zo stelt Flaubert, met zo weinig mogelijk onderwerp. De mooiste werken zijn die met de minste inhoud, zo concludeert hij. Meier nam de raad van de Franse grootmeester ter harte en schreef een boek waarin met moeite iets gebeurt. Inhoud, daarentegen, heeft Dodeneiland in overvloed.
Op wandel
Baur en Bindschädler, twee oude legerkameraden, maken hun vaste wandeling langs de Aare, een zijrivier van de Rijn, richting Olten. Baur is een melancholisch mijmerende en filosoferende kletsmajoor waar geen speld is tussen te krijgen. Laverend tussen heden en verleden rakelt hij herinneringen op, in het bijzonder over zijn kindertijd in Amrain, een stadje dat verdacht veel weg heeft van Niederbipp. Bindschädler van zijn kant luistert geduldig, observeert en rapporteert. Hij is Baurs klankbord. Pas na een pagina of twintig heeft de lezer door dat Bindschädler Baur aan het citeren is en dat hij de feitelijke, zij het zwijgzame ik-verteller van Dodeneiland is. Bindschädler is het equivalent van een stil, diep water. Hij doorbreekt de lange monologen van zijn kameraad — zelden en enkel als het de moeite waard is — met rake beschrijvingen van de omgeving, metafysische interventies en korte, complementaire commentaar.
Baurs associatieve geest en tong draaien op volle toeren. Hij is de vleesgeworden gedachtevlucht, de ziekelijke praatvaar, de niet te stoppen logorroe-lijder. Hij verliest vaak de draad van zijn verhalen en het kleinste detail dat zijn pad kruist, leidt hem naar een ander denkspoor: ‘Ik ben afgedwaald, Bindschädler. Maar vermoedelijk is ons leven, ons denken een voortdurend afdwalen.’ Zo vertelt hij bijvoorbeeld — van de hak op de tak springend — over zijn tot mislukken gedoemde relatie met de dochter van de bakker, het te betreuren lot van oude vrienden, het routineuze leven in het stadje of over zijn drie zusters Julia, Gisela en Johanna en zijn zwager Ferdinand. Daarenboven heeft hij naast zijn obsessie met zijn jeugdjaren in Amrain een aantal stokpaardjes, waarover hij maar al te graag een serieus boompje opzet: literatuur, muziek en kunst. Het resultaat is zalig meanderend proza dat meer dan eens Samuel Becketts romantrilogie voor de geest haalt.
De titel van Meiers korte roman refereert aan het bekende symbolistische schilderij van Arnold Böcklin (1827-1901), ‘Dodeneiland’, een werk dat Baur maar niet loslaat: ‘Tegenwoordig geldt Böcklin allerwegen als een van de grootste artistieke persoonlijkheden van de late negentiende eeuw.’ Böcklin, zo vertelt Baur als een volleerd kunsthistoricus, maakte tussen 1880 en 1886 vijf versies van ‘Dodeneiland’, waarvan de derde de populairste was om reproducties van te maken. Adolf Hitler bezat de derde versie en hing het werk eerst in zijn woning in Obersalzburg en later in de Rijkskanselarij in Berlijn. Het thema van ‘Dodeneiland’ is meer dan sepulcraal te noemen, de hele scène bulkt van de mythologische verwijzingen en doods-topoi: een Charon-achtige veerman brengt een geheel in het wit gehulde figuur en een witte doodskist over donker Styx-water naar een eiland met hoge rotsen waarin statige graven zijn gehouwen en waarboven cipressen uitsteken — bomen die je traditioneel op begraafplaatsen terugvindt. Op de cover van de nieuwe vertaling van Meiers Dodeneiland prijkt overigens een mooie interpretatie in houtskool van deze bewuste cipressentoppen door illustratrice Anouk Martijn.
De dood en het geheugen
Baurs monologen zijn eveneens doordrongen van zinnebeelden over de dood. Zijn discours is er een van verderf, vergankelijkheid en mortaliteit. De overweldigende natuur die de vrienden doorkruisen werkt hierbij als een katalysator: een hele reeks bomen wandelen door Dodeneiland (de olmen op het kerkhof, de kersenbomen die Ferdinand — een cellulosekoker — in bedwang wil houden, sparrenbossen die papier voor kranten en boeken verschaffen, Julia die zich nooit het woord ‘populier’ herinnert, etc.), zij verbeelden de onverwoestbare oerkracht en overlevingsdrang van de natuur. Hoewel Baur nog op een onverwachte nazomer hoopt, razen er voortdurend donkere wolken voorbij, als schaduwen des doods, die Baur en passant doen denken aan de turbulente schilderijen van Caspar David Friedrich. Op het einde van hun wandeltocht begint het zelfs te sneeuwen, net als in The dead, het slotverhaal van James Joyce’ Dubliners waarin een ‘onverschillig’ wit tapijt zowel de doden als de levenden bedekt.
Dat het 11 november 1977, Sint-Maarten, is op de dag van hun wandeling, lijkt het doodsvuur en de morbide sfeer nog meer aan te wakkeren:
We zeiden tegen elkaar, het is nu eenmaal de tijd van de doden, strikt genomen zijn het de eerste en de tweede november waarop men de doden in het bijzonder herdenkt, ze op hun begraafplaatsen bezoekt […]
De dood primeert, net als de angst voor de dood, maar toch kan én moet het leven worden gevierd, zegt Baur: ‘De liefde zorgt voor nieuw leven, Bindschädler. De liefde is een vuur dat veel licht verspreidt… ook met de dood is veel licht gemoeid.’ Baur barst op meerdere plaatsen uit in een lyrische ode aan mest en bemesting. Mest geeft leven aan het land, aarde die ooit zal genieten van de drek van onze lijken, enzovoort en zo verder. De dood en de natuur hebben een verstandhouding en zorgen voor een cyclische orde in de dingen, een eeuwige cirkelbeweging:
‘Wat uiteindelijk op een of andere manier met ons de grond ingaat waar het oplost, vervluchtigt of opgaat in het minerale, het stoffelijke, om dan in bloemen, in lelies bijvoorbeeld, in asters, in sneeuwklokjes, vergeet-mij-nietjes weer op te duiken, als hun geur (voor zover ze die wensen af te geven) en zo weer te vervliegen,’ zei Baur.
Baur is geobsedeerd door het verleden en tracht via zijn herinneringen ‘zijn’ Amrain nieuw leven in te blazen. Hij tergt zijn geheugen, knijpt het uit en wil zich zoveel mogelijk herinneren. Angstvallig houdt hij vast aan wat hij vreest te vergeten of voorgoed te verliezen:
Waarom, Bindschädler, heeft men op zijn oude dag die krankzinnige behoefte – achterom te zien of in het verleden te leven, steeds weer die draden in de greep te krijgen die je verbinden met wat vergaan, vervlogen en onmogelijk weer terug te brengen is, wat op de een of andere manier is opgelost, maar toch aanwezig is en niet weg te poetsen?
Soms speelt Baurs geheugen hem parten. Zo herinnert hij zich een bergweide waar ‘grootmoedige, felblauwe’ vergeet-mij-nietjes op gedijen, maar dat zou wel eens een ‘vertekening’ kunnen zijn, een illusie ‘van de herinnering’, want, stelt Baur, ‘ik geloof niet dat er bijzonder grootbloemige vergeet-mij-nietjes bestaan.’ Met andere woorden, hij is vergeten dat de felblauwe variant bestaat. Ironisch genoeg is zijn lapsus gelinkt aan een bloemensoort die alleen al in zijn naam oproept tot eeuwige herinnering.
Poëzie, het zout van ons bestaan
Dat Baur specifiek ‘felblauwe’ bloemen vergeet is in het breder kader van de Duitse literatuur bovendien ook niet geheel van betekenis gespeend. In Novalis’ über-romantische Heinrich von Ofterdingen staat de blauwe bloem immers voor de scheppende verbeelding en het verlangen naar geestelijke vrijheid, en bij uitbreiding voor het dichterschap, het creëren, een interpretatie die Georg Trakl gretig overnam in zijn duistere Elis-gedichten.
Baur benadrukt een aantal keren dat hij al zijn hele leven lang eraan denkt om te gaan schrijven. Hij vergoelijkt zijn onbestaande literaire productie met sofistische excuses: ‘Bindschädler, als ik ooit tot schrijven kom, zal ik het in de geest van Picasso doen.’ en ‘Of het me zal lukken, Bindschädler, om te schrijven? Misschien is het aanmatigend. Praten is al aanmatigend. We zouden moeten zwijgen als herfstasters.’ Van de twee wandelaars-filosofen is Bindschädler — als verfijnde ik-verteller en rapporteur — de enige die een auteurschap mag én kan claimen. Voor Baur is poëzie niet meer dan het zout van ons bestaan, een specerij, een smaakmaker:
[…]als er geen poëzie aan te pas komt, al is het maar een snuifje, uit de losse pols, dan blijft de soep zouteloos. Wat poëzie is, Bindschädler, zou ik je overigens niet eens kunnen vertellen. Ik kan je niet eens vertellen wat zout is, waarom ons lichaam is ingesteld op zout en ons leven op poëzie, al fluiten de spreeuwen het waarschijnlijk van de daken. Je zou ze moeten kunnen verstaan, Bindschädler.
Maar voor Bindschädler is poëzie als een spin ‘in ons binnenste’. De dichter maakt een web, ‘uiteraard niet om bromvliegen te vangen, maar om draden te spannen – naar de dingen […].’ In dat web van dingen kunnen onder meer herinneringen worden vastgehouden, ons geheugen helpt ons met het weven:
En ik zei over de dingen dat ik had gehoord dat aan de oude niet meer zou worden gedacht, dat niemand ze zich meer zou kunnen herinneren als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zouden verschijnen.
Baur heeft nog meer vastgeroeste opvattingen over literatuur. Voor hem lijkt een roman op een tapijt, ‘met de hand geweven, waarbij tijdens het maken ervan bijzondere aandacht wordt geschonken aan de kleuren en motieven die zich herhalen […], met een welhaast hinderlijke onverschilligheid […].’ Weven — of het nu over een tapijt of een spinnenweb gaat — als zinnebeeld voor het schrijven, het scheppen is een gemeenplaats waar beide heren niet voor terugdeinzen. Zo blijken Baur en Bindschädler dan toch enigszins gelijkaardige visies over literatuur te hebben, een zienswijze die ze overigens delen met hun geestelijke vader Gerhard Meier, want ook hij ‘weeft’ een harmonisch maar ingenieus web aan details, kruisverwijzingen en motieven.
Net zoals Böcklin had Meier verschillende versies nodig om zijn verstrekkende en diepgravende metafysische thema’s uit te werken. Dit eerste deel van zijn vierluik maakt alvast meer dan nieuwsgierig naar de verdere wandelingen en elegische beschouwingen van het onvergetelijke, door ongebreidelde Wanderlust bevangen duo Baur en Bindschädler.
Verschenen op: Mappalibri, september 2019
Dodeneiland van Gerhard Meier, Koppernik 2019, vert. door Marcel Misset, ISBN 9789492313669, 120 pp.
‘Verzamelde gedichten’ van Vladimir Nabokov: geen muziek verhevener dan stilte
Huub Beurskens valt in het voorwoord van zijn vertaling van de verzamelde verzen van Vladimir Nabokov (1899-1977) meteen met de deur in huis: er staan in de bloemlezing wel degelijk minder goede gedichten. Om de succesauteur van Lolita dan maar weg te zetten als een ‘mislukt dichter’ — zoals ‘collega’ Russische balling, Nobelprijslaureaat en dichter par excellence Joseph Brodsky, Nabokov ooit noemde — is volgens Beurskens dan weer een stap te ver: ‘Deze collectie bevat heerlijke dingen.’
Nabokov en de demon poëzie
In 1926 verscheen Nabokovs romandebuut Masjenka (‘Marie’), bij een Russischtalige uitgever in het bloeiende Berlijn van de migrantenliteratuur. Hij publiceerde het boek onder zijn pseudoniem V. Sirin, naar een vogelachtig fabeldier uit de Slavische mythologie. Nabokov stamde uit een oude adellijke familie: zijn vader was een advocaat, journalist en bekend liberaal politicus die lid was van de Doema; zijn moeder de erfgename van een grootvader die fortuin had gemaakt in de goudmijnindustrie. Na de Oktoberrevolutie waren de Nabokovs gevlucht, eerst naar de Krim, om zich later, begin 1919, voor korte tijd te vestigen in Engeland. Nabokov vatte toen zijn studies aan in Cambridge, zoölogie en Slavische plus Romaanse talen. In 1920 verhuisde de familie naar Berlijn, waar Nabokovs vader het émigré-tijdschrift Roel (‘Het roer’) oprichtte. In 1922, na het voltooien van zijn studies, voegde Nabokov zich bij zijn familie in Berlijn en publiceerde vanaf de start van het magazine geregeld poëzie in Roel.
Nog voor de publicatie van Masjenka had de jonge Nabokov al meerdere dichtbundels gepubliceerd. In het elfde hoofstuk van zijn autobiografie Spreek, geheugen (1967) schetst Nabokov een beeld van hoe hij als vijftienjarige in de greep raakte van ‘de doffe drift van het dichten’ in de zomer van 1914. Dankzij zijn kosmopolitische opvoeding was hij al op vroege leeftijd perfect drietalig. Bij de Nabokovs thuis sprak men Russisch, Frans en Engels. Als prozaschrijver publiceerde Nabokov in deze drie talen, maar het meest in het Engels en het Russisch. Zijn poëzie schreef hij daarentegen grotendeels in het Russisch. In 1916, toen de Nabokovs nog in Rusland leefden, verscheen een eerste bundeling, Stichi (‘Gedichten’). Twee jaar later kwam er nog een korte verzameling, Almanach: dva poeti (‘Almanak: twee wegen’), dat eveneens gedichten bevatte van Nabokovs schoolkameraad Andrei Balasjov. Grozjd (‘De tros’), een bundel met 36 gedichten, volgde in 1922 en een jaar later verscheen Gorni poet (letterlijk ‘het bergpad’, in het Engels vertaald als The Empyrean Path), met maar liefst 128 gedichten.
Nabokov schreef duizenden gedichten, maar slechts een klein deel hiervan werd ooit gepubliceerd. Dat kwam omdat de dichter Nabokov een dubbele houding had ten aanzien van zijn poëzie en de publicatie ervan afwendde of dwarsboomde. Enerzijds kon hij zijn creativiteit kwijt in zijn verzen, die hij vaak beschouwde als voorstudies of schetsen voor zijn scheppend proza; anderzijds voelde hij zich te beperkt door het genre, met zijn prosodische regels en vormelijke voorschriften. Bovendien onderhield hij zijn leven lang een zekere schroomvolle terughoudendheid ten aanzien van zijn gedichten, hij had er een soort haat-liefdeverhouding mee. Nabokov greep geregeld naar de dichtersharp, maar daalde met groeiende tegenzin van de Parnassus af.
Na Masjenka kwam de poëtische output van Nabokov op een lager pitje te staan. De belangrijkste reden hiervoor was simpelweg dat hij zich meer ging toeleggen op proza. Ten bewijze verscheen in 1929 Vozvrasjtsjenie Tsjorba (‘De terugkeer van Tsjorb’), een verzameling van 24 gedichten én 15 korte verhalen (waaronder het titelverhaal). Nadien is het wachten tot de jaren ‘50 voor nieuwe poëziebundels: in 1952 bundelde Nabokov 15 gedichten in Stichotvorenija 1929–1951 (‘Gedichten 1929–1951’), inclusief enkele langere gedichten die hij in de jaren ‘30 en ‘40 had geschreven, en in 1959, Poems, met 14 gedichten die Nabokov in het Engels schreef nadat hij zich in 1940 in de Verenigde Staten had gevestigd en waarvan het merendeel indertijd in The New Yorker was gepubliceerd.
Deze 14 gedichten werden integraal overgenomen in een volgende publicatie die Nabokov elf jaar later samenstelde, Poems and Problems (1970), een tweetalige Russisch-Engelse bloemlezing met poëzie én schaakproblemen. Naast de gedichten uit Poems vertaalde Nabokov voor deze uitgave een selectie van 39 Russische gedichten. Ten slotte, verscheen er twee jaar na Nabokovs dood op instigatie van zijn weduwe Véra en zijn laatste uitgevers — het legendarische koppel Carl en Ellendea Proffer van uitgeverij Ardis in Ann Arbor, Michigan — een ruime selectie van 222 gedichten, in het Russisch en onder dezelfde titel als de eerste bundeling van bijna zes decennia eerder, Stichi. Vertaalster Anne Stoffel maakte in 2002 voor uitgeverij Hoogland & Van Klaveren een bescheiden keuze van 47 gedichten uit deze uitgave en publiceerde haar selectie als Gedichten (bijna twee derde van de gekozen gedichten komt niet voor in de voorliggende Verzamelde gedichten).
In 2012 stelde de Britse Nabokov-scholar Thomas Karshan de Selected Poems samen (later werd dat Collected Poems), een editie die algemeen wordt aanvaard als het ‘definitieve’ verzameld werk. Alle gedichten uit Poems and Problems werden hierin integraal opgenomen en aangevuld met nieuwe vertalingen door Nabokovs zoon Dmitri (1934-2012), plus negen in het Engels geschreven gedichten die niet in Poems and Problems voorkwamen. De voorliggende vertaling van Beurskens is gebaseerd op deze Selected/Collected Poems.
Selected vs. verzameld
Het verzameld werk dat nu uitkomt bij uitgeverij Koppernik heeft logischerwijs hetzelfde aantal gedichten als Selected Poems, namelijk negentig. In zijn voorwoord geeft Huub Beurskens een verantwoording voor het opnemen van ‘mindere’ gedichten: dat die in de verzamelde verzen staan, heeft te maken met contractuele verplichtingen, opgelegd door de rechthebbenden, ‘die alleen akkoord gaan met een exclusief bepaald type uitgave.’ Verzamelde gedichten is een tweetalige editie: de oorspronkelijke Engelse tekst staat telkens op de linkerbladzijde, Beurskens’ vertaling op de rechter. Verder is de structuur van de nieuwe vertaling nagenoeg identiek aan die van Selected Poems. Verzamelde gedichten bestaat eveneens uit vier delen: gedichten die uit het Russisch naar het Engels werden vertaald door Dmitri Nabokov (28), de Russische gedichten uit Poems and Problems (39), de Engelse gedichten uit Poems and Problems (14) en de Engelse gedichten die niet zijn opgenomen in Poems and Problems (9).
Verzamelde gedichten heeft een (tweetalige) inhoudstafel, maar in tegenstelling tot Selected Poems geen index van titels noch een index van openingsverzen. Selected Poems geeft daarenboven een beknopte lijst met de details van elke eerste publicatie van de negentig gedichten. Achterin Verzamelde gedichten is er dan weer wel een beknopte bio- en bibliografie van Nabokov, in al zijn bondigheid een leerrijke toevoeging die ontbreekt in Selected Poems. Beide edities hebben eindnoten, maar bij Selected Poems zijn die een stuk uitgebreider en meer gedetailleerd (er worden bijvoorbeeld ook varianten aangehaald, of de publicatiegeschiedenis wordt uiteengezet). De aantekeningen bij Verzamelde gedichten zijn grotendeels gebaseerd op Nabokovs opmerkingen bij Poems and Problems en Karshans notenapparaat.
Aanvullingen en opmerkingen van Beurskens zelf zijn tussen vierkante haken geplaatst. En die extra informatie is vaak revelerend en voegt geregeld een onmiskenbare meerwaarde toe (bijvoorbeeld over het woord ‘caprifole’ in ‘Gevlogen is de regen’, de verbetering van een aantekening in Selected Poems bij ‘De dichters’ waar ‘aspiring’ wordt verward met ‘aspirine’ en de suggestie over Christina Rossetti omtrent een vals citaat in ‘De kamer’). Dat de aantekeningen in Verzamelde gedichten beknopter zijn dan die in Selected Poems is niet storend. Bovendien dekt Beurskens zich in door in zijn voorwoord te stellen dat het niet zijn bedoeling was ‘een academisch verantwoorde of te verantwoorden uitgave’ af te leveren.
Er zijn een aantal subtiele vormelijke verschillen tussen Verzamelde gedichten en Selected Poems. Wat de openingsverzen betreft bijvoorbeeld: voor gedichten die geen titel hebben wordt in Verzamelde gedichten het eerste vers tussen enkele aanhalingstekens in het vet en groot gedrukt, net alsof het een titel is; in Selected Poems wordt een dergelijke ‘titel’ niet apart weergegeven, maar start het gedicht gewoon iets lager met het eerste vers. In de inhoudstabel van beide edities komen de openingsverzen van de titelloze gedichten dan weer wel voor, telkens tussen enkele aanhalingstekens. De uitlijning van de gedichten is identiek bij beide edities, hoewel de marges in Verzamelde gedichten iets breder zijn dan in Selected Poems waardoor sommige verzen op één regel passen, terwijl die in de Engelse versie aan de lijn gaan en de illusie zouden kunnen wekken van een enjambement (bijvoorbeeld ‘an aged’ in ‘The glasses of St. Joseph’). Alle titels in Verzamelde gedichten staan in kapitalen (behalve in de inhoudstabel), terwijl in Selected Poems enkel de eerste letter van elk kernwoord in hoofdletters staat (zoals gebruikelijk voor titels in het Engels).
Over het al dan niet gebruiken van hoofdletters valt nog meer te zeggen. Nabokov was tegen de conventie om dichtregels te beginnen met een hoofdletter en ging er dus uitermate inconsequent mee om. Beurskens geeft aan in een aantekening de dichter niet slaafs te willen volgen wat het gebruik van beginkapitalen betreft, maar is hierin meer dan eens niet systematisch — wat dan weer erg Nabokoviaans is, uiteraard. Een voorbeeld van hoe Beurskens zich aan zijn voornemen houdt is ‘Peter in Holland’, waar de oorspronkelijke versie beginkapitalen heeft, die in de vertaling wegvallen. Net als in ‘De Ballade van Longwood Glen’. In het mooie gedicht ‘Roem’ krijgt ‘Conscience’ in het Engels een hoofdletter, maar in het Nederlands een kleine ‘g’ van ‘geweten’ (in de vertaling van Stoffel trouwens ook). Was het niet de bedoeling van Nabokov om dat woord ‘conscience’ net te benadrukken? Het is een procedé dat hij tot zeven keer toe toepaste in ‘De gek’: de woorden ‘Fame’, ‘Muse’, ‘Enemy’, ‘Failure’, ‘Envy’, ‘Neighbor’ en ‘Thought’ krijgen allemaal een hoofdletter in het Engels, maar Beurskens opteert telkens voor kleine letters. Aan de andere kant is het woord ‘Love’ in het gedicht ‘Herinnering’ met een hoofdletter geschreven en ‘Liefde’ in de vertaling eveneens; idem voor ‘Beauty’ en ‘Schoonheid’ in ‘Een onaf probeersel’.
Regelmatigheid is met andere woorden ver te zoeken. Een mooi voorbeeld is het woord ‘muze’, dat veelvuldig voorkomt in de gedichten. In ‘Het universiteitsgedicht’ en ‘Tolstoj’ komt ‘muze’ zowel in de Engelse als Nederlandse versie voor met kleine ‘m’, in ‘Aan de pompelmoes’ en ‘De muze’ schrijft Nabokov een kapitaal, maar Beurskens een kleine letter en in ‘De gek’ schrijven dichter én vertaler een hoofdletter. Een apart geval van foutief hoofdlettergebruik is te vinden in de vertaling van ‘Shakespeare’: ‘the tall inglese’ wordt vertaald als ‘de lange Inglese’, maar het Italiaans — er is een verwijzing naar het Verona van Romeo en Julia — neemt hier geen hoofdletter.
Een gelijkaardige onstelselmatigheid doet zich voor in het gebruik van leestekens. Bijvoorbeeld met uitroepingstekens: stanza 29 van ‘Het universiteitsgedicht’ sluit in het Engels af met een uitroepingsteken, in de vertaling met een punt. In stanza 59 van hetzelfde gedicht geldt het omgekeerde na ‘basta’. Soms worden gedachtestrepen komma’s (stanza 61 van ‘Het universiteitsgedicht’), puntkomma’s worden gewone komma’s (eerste vers van laatste strofe in ‘Shakespeare’), punten worden komma’s (stanza 58 van ‘Het universiteitsgedicht’ en de tweede strofe van ‘Lilith’) of drie punten worden één punt (sectie 46 van ‘Het universiteitsgedicht’ eindigt in het Engels met drie ‘zinnen’, in de vertaling zijn de drie verzen één zin geworden). Op zich doen deze onregelmatigheden weinig af aan de kwaliteit van de vertaling, maar ze springen wel in het oog precies omdat de Engelse tekst er vlak naast staat.
Verzamelde gedichten
Niet onbelangrijk om te vermelden is dat de gedichten die in het proza van Nabokov voorkomen — dat zijn er toch wel wat — niet opgenomen zijn in Selected Poems en dus ook niet voorkomen in Verzamelde gedichten. Karshan gaat hierop dieper in zijn voorwoord, maar Beurskens besteedt er geen aandacht aan. Het bekendste voorbeeld in die categorie is wellicht ‘Bleek vuur’ uit Nabokovs gelijknamige roman uit 1962, een uit 999 regels bestaand gedicht in paarsgewijs rijmende jambische vijfvoeters, geschreven door het intrigerende personage John Francis Shade. Dit ‘gedicht-in-een-roman’ doet in opzet trouwens denken aan Nabokovs eigen ‘Het universiteitsgedicht’, dat bestaat uit 63 strofes van 14 regels in jambische tetrameters (terzijde: Beurskens heeft de aantekening van Dmitri Nabokov verkeerd vertaald, want hij spreekt van 63 ‘verzen’ van 14 regels). Andere voorbeelden van gedichten in het proza zijn die van Fjodor Godoenov-Tsjerdyntsev, het dichtende hoofdpersonage in De gave (1952), Nabokovs laatste roman in het Russisch, en natuurlijk die van de onfortuinlijke Humbert Humbert, in het bijzonder het schrijnende gedicht ‘Wanted’ in hoofdstuk 25 van Lolita (1955), het boek dat Nabokov wereldberoemd maakte.
Nabokov heeft zijn poëtische carrière — die maar liefst 59 jaar omspant — treffend beschreven in zijn inleiding bij Poems and Problems (zowel Karshan als Beurskens nemen deze passage over in hun voorwoord). Hij onderscheidt in zijn ‘Europese dichtperiode’ meerdere stadia. Een eerste stadium verankert zich in lyriek (‘Sneeuw’, ‘Muziek’) en excelleert in het ‘clichématige liefdesgedicht’. Daarna volgt een periode die een diep wantrouwen tegenover de zogenaamde Oktoberrevolutie weerspiegelt (‘Aan Rusland’) en vervolgens een periode tot in de jaren ‘20 met als tweeledig doel ‘het nostalgisch achteromkijken’ en een ‘byzantijnse beeldtaal’ ontwikkelen. Dit laatste werd volgens Nabokov vaak verkeerd geïnterpreteerd, waardoor hij soms werd bestempeld als een religieuze dichter, onder andere omwille van zijn gebruik van christelijke iconografie (‘Het laatste avondmaal’, ‘Pasen’, ‘De moeder’).
Nadien volgt een decennium waarin hij gedichten schreef die een plot hebben en een verhaal vertellen, waarmee hij inging tegen ‘het suffe gedrein van de anemische “Parijse school” van émigré-poëzie’. Hij schreef een groot aantal gedichten over zijn ballingschap: bijvoorbeeld ‘Voorjaar’, ‘Het wapenschild’, ‘Ballingschap’, ‘De executie’, ‘Die zachte toon’, ‘Hoe ook’ en ‘Een avond over Russische poëzie’. Ten slotte, in de tweede helft van de jaren ‘30 en in de decennia erna, bevrijdt Nabokov zich van de ‘ketenen’ waarin hij zichzelf had geklonken, ‘wat leidde tot zowel een geringere productie als een laat gevonden robuuste stijl’. Over de 14 Engelse gedichten in Poems and Problems is hij kort:
Ze hebben op de een of andere manier een lichtere textuur dan het Russische spul, wat ongetwijfeld toe te schrijven is aan hun gebrek aan intertekstuele associaties met oude verstrengelingen en de voortdurende bekommerdheid die kenmerkend is voor gedichten die in je moedertaal geschreven zijn, terwijl je ballingschap aan de zijkant blijft murmelen en een nooit afgesloten kindertijd op je roestigste snaren blijft tokkelen.
Nabokov liet ooit optekenen dat een verhaal even belangrijk is voor een gedicht als voor een roman. Beurskens benadrukt in zijn voorwoord dat veel van Nabokovs gedichten inderdaad ‘een soort verhaallijn’ hebben en in zijn nawoord bij Gedichten treedt Kees Verheul deze aanname bij door te stellen dat het gros van Nabokovs gedichten als ‘proza in de dop’ kunnen worden beschouwd (het gedicht ‘Lilith’ bijvoorbeeld heeft een plot die doet denken aan die van Lolita). Hét hoogtepunt van de verhalende gedichten is ongetwijfeld het door Dmitri vertaalde ‘Het universiteitsgedicht’. Andere knappe voorbeelden zijn ‘De Ballade van Longwood Glen’, ‘Regels geschreven in Oregon’ en ‘Een literair diner’. In het verlengde van Nabokovs poëtisch-narratologisch principe is het gemakkelijker te begrijpen waarom een groot aantal van Nabokovs gedichten apostrofisch zijn, met andere woorden gedichten die zich richten tot iets of iemand. Enkele voorbeelden van gedichten die zich tot iets of iemand wenden, zijn ‘Aan Prins S.M. Katsjoerin’, ‘De demon’, ‘Shakespeare’, ‘Waarzeggerij’, ‘Aan Véra’ en ‘Aan de pompelmoes’.
Wat is een vertaling?
Nabokovs streven om verhaallijnen te integreren in zijn gedichten is in wezen terug te voeren naar zijn levenslange obsessie met Aleksandr Poesjkins Jevgeni Onegin. In 1964 bracht Nabokov zijn uitvoerig geannoteerde Engelse vertaling uit van Poesjkins ‘roman in verzen’, in vier volumes met in appendix onder meer zijn in academische kringen fel besproken ‘Notes on Prosody’. In het eerste deel van het gedicht ‘Over het vertalen van Jevgeni Onegin’ (1955) klinkt het:
Wat is een vertaling? Een schaal
met een starend bleek dichtershoofd,
papegaaiengekrijs, apentaal,
dat wat doden van hun eer berooft.
De parasieten die niet werden ontzien
door jou, zij vergeven, o, Poesjkin,
als jij me mijn manoeuvre vergeeft:
langs je rank die in het geheim leeft
daalde ik tot de wortel waarvan ik at;
daarna, in een nieuwe taal vervat,
liet ik een jonge scheut naar boven
komen, maakte van je sonnettige strofe
mijn welgemeend straatkantproza,
vol doornen, maar neefje van jouw rozen.
Nabokov heeft naast zijn eigen gedichten heel wat Russische poëzie vertaald: behalve Poesjkin, ook andere grootheden als Nekrasov en Lermontov. Die vertalingen zijn verzameld in Verses and Versions en zoals Beurskens opmerkt, is er een evolutie waar te nemen in Nabokovs vertaalprincipes. Voor 1950 houdt hij zich zoveel mogelijk aan vormelijke aspecten als rijm en metrum, maar na 1950 laat hij die talige obstakels varen ten voordele van de betekenis en de inhoud van de gedichten. In het voorwoord van de vertaling Eugene Onegin, zo legt Beurskens verder uit, stelt Nabokov dat iedere poging om een gedicht in een andere taal om te zetten uiteenvalt in drie categorieën: de parafrase (een vrije versie van het origineel, ‘maar geen wetenschapper zou moeten toegeven aan mode en geen lezer zou erdoor bedot mogen worden’), de lexicale of structurele aanpak (‘het overzetten van de basale betekenis van de woorden en hun schikking’) en de letterlijke vertaling, waarbij de ‘exacte contextuele betekenis van het origineel’ wordt overgezet, zo dicht mogelijk. Alleen die laatste categorie is volgens Nabokov ‘een echte vertaling’. Voor zijn vertaling van Jevgeni Onegin heeft hij dan ook veel opgeofferd ten gunste van ‘de volledigheid van de betekenis’: metrum en rijm moesten eraan geloven ‘wanneer het vasthouden eraan getrouwheid belette.’
Voor de vertalingen van zijn eigen poëzie in Poems and Problems is Nabokov uitgegaan van dezelfde opvattingen. Ook Dmitri hanteerde voor zijn vertalingen gelijke principes. Het gevolg is dat sommige van de Russische gedichten met een traditionele prosodie en vorm in de vertaling niet langer rijmen, terwijl de Engelse gedichten dat net wel doen. Beurskens volgt de Nabokovs en heeft zich op zijn beurt ‘als dichter die andermans poëzie vertaalt, zo min mogelijk de wet laten voorschrijven door de vormelijke kanten van de Engelstalige gedichten […]’ Soms bewaart de vertaler het rijm, een andere keer niet. De vertaler maakt heel vaak de juiste keuze: in een gedicht als ‘Aan Véra’ waar het rijm een belangrijke rol speelt (‘rhombi’ rijmt in het Engels op ‘aplomb, he’) wordt de prosodie gerespecteerd, maar in ‘De executie’ bijvoorbeeld is er geen rijm in de Engelse vertaling, maar wél in het oorspronkelijke Russisch (‘Расстрел’), een rijm dat Beurskens in zijn Nederlandse vertaling wél overneemt!
Dit laatste brengt ons bij een belangrijk punt: in de oorspronkelijke editie van Poems and Problems staan naast de schaakproblemen ook de originele Russische gedichten. Voor de gemiddelde Amerikaanse lezer zal die Russische versie ten tijde van de publicatie van Poems and Problems weinig hebben uitgemaakt, maar Beurskens, die geen Russisch leest noch spreekt, maakte er dankbaar gebruik van en liet zich meer dan eens leiden door het ‘beeld’ van het cyrillisch schrift dat hem een blik gunde op rijmschema’s en ritmes. Voor ‘De executie’ ziet dat er als volgt uit, waar het gekruiste rijm in de eerste strofe meteen ‘visueel’ opvalt:
Бывают ночи: только лягу,
в Россию поплывёт кровать;
и вот ведут меня к оврагу,
ведут к оврагу убивать.
De gedichten, in de drie talen en dus uit de drie bronnen, zouden verplichte kost moeten zijn in iedere zichzelf respecterende vertalersopleiding. In zijn gedicht ‘The Softest of Tongues’ beklaagt Nabokov zich over hoe moeilijk het wel is om poëzie vanuit het Russisch (de ‘zachtste aller talen’) naar het Engels (‘lompe werktuigen van steen’) te vertalen:
Maar nu moet ook jij gaan, onze wegen gaan hier uiteen,
zachtste aller talen, mijn enig ware, mijn ene, vaste…
En mij rest niets anders dan naar kunst en hart te tasten
en opnieuw te beginnen met lompe werktuigen van steen.
Als lezer moet je abstractie kunnen maken van het feit dat je vertalingen van vertalingen aan het lezen bent. Voor Beurskens komt het erop neer dat Nabokov door zijn eigen gedichten te vertalen er nieuwe zelfstandige versies van heeft gemaakt. Het sleutelgedicht ‘Over het vertalen van Jevgeni Onegin’ toont volgens Beurskens aan dat Nabokov als vertaler wel degelijk ‘een (her)dichter’ wil zijn. In De kunst van het vertalen (een korte tekst die deel uitmaakt van Nabokovs Lectures on Russian Literature, in 2005 vertaald door Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet voor Hoogland & Van Klaveren) heeft Nabokov het over ‘de wondere wereld van de verbale transmigratie’. Als liefhebber van lijstjes stelt hij de voorwaarden op waaraan een vertaler volgens hem moet voldoen om in staat te zijn een ideale versie van ‘een buitenlands meesterwerk’ af te leveren. De vertaler moet ten eerste ‘evenveel talent, of in elk geval hetzelfde soort talent hebben als de auteur van zijn keuze.’ Vervolgens moet de vertaler ‘een grondige kennis hebben van de twee landen en de twee talen in kwestie’ en tot slot, moet hij ‘met zijn genie en kennis ook de gave der mimicry bezitten en als het ware de rol van de echte auteur kunnen spelen door met de hoogste graad van waarachtigheid de maniertjes van diens doen en laten en diens spreken en denken na te bootsen.’
Wat mij betreft bezit Beurskens die gave der mimicry in overvloed. Verzamelde gedichten wémelt van de mooie vondsten en elegante oplossingen, zonder enige loyauteit aan het origineel of liever de originelen te moeten inleveren. Vergelijk bijvoorbeeld de sprankelende levendigheid van Beurskens vertaling van ‘Roem’ met de gortdroge versie van Stoffel. Dat krijg je wanneer een begenadigd dichter zich stort op het oeuvre van een collega, ook als die door anderen in het verleden als ‘mislukt’ werd gezien.
Beurskens noemt zichzelf geen Nabokov-kenner, maar een groot liefhebber van ’s mans werk. Met Verzamelde gedichten is Beurskens meer dan geslaagd in zijn opzet: zo getrouw mogelijk Nabokovs poëzie in een andere taal en een andere tijd tot haar recht laten komen. ‘Deels zijns wijs, deels eigenwijs’ blaast Beurskens met zijn superieure vertalingen Nabokovs poëzie nieuw leven in en legt zo Brodsky met zijn hard ‘mislukt dichter’-oordeel definitief het zwijgen op.
Verschenen op: Mappalibri, december 2018
Verzamelde gedichten van Vladimir Nabokov, vert., inl. en aant. door Huub Beurskens, Koppernik 2018, ISBN 9789492313546, 393 pp.
‘De rover’ van Robert Walser: een weloverwogen boek waaruit absoluut niets geleerd kan worden
De rover (1926), Robert Walsers laatste en meest uitzinnige roman, is eindelijk vertaald. Uitzinnig — en buitenzinnig — is dit glorieus bevreemdend boek in vele betekenissen: het rekt met een eindeloos rijk voorstellingsvermogen het rigide romangenre op tot zijn uiterste grenzen, plooit gaandeweg slinks op zichzelf terug aan de hand van een grondige, genereuze zelfontleding en ontsnapt ondoorgrondelijkerwijs aan elke redelijke vorm van interpretatie. Je moet het lezen om het te geloven, maar De rover is evengoed een farce, als een tragisch liefdesverhaal of een existentiële pastiche, ja zelfs een postmoderne metaroman. De rover geeft, net als een Chinese puzzeldoos, zijn diepste geheimen pas prijs aan wie openstaat voor de grenzeloze verbeelding die erin vervat zit. Een ongrijpbare roman, kortom, die naar de keel vliegt, diep ontroert en ronduit perplex doet staan.
Robert Walser
Toen de Duitstalige Zwitser Robert Walser (1878-1956) in 1925 De rover schreef, woonde hij in Bern, de stad waarin de roman zich grotendeels afspeelt. In januari 1921 was hij straatarm en met psychische problemen van Biel naar Bern verhuisd omdat zijn jongere zus Fanny daar een baantje voor hem had gevonden. Dat baantje hield hij maar korte tijd aan, maar zijn financiële problemen werden al snel vanzelf opgelost doordat hij kort op elkaar twee keer erfde: hij ontving een klein legaat van zijn broer Hermann, die in 1919 zelfmoord had gepleegd, en in het voorjaar van 1922 kreeg hij een enorm bedrag van een rijke oom uit Bazel (in De rover de 'oom uit Batavia'). In de acht jaar dat Walser in Bern woonde, verhuisde hij vijftien keer. Hij leefde op zichzelf maar was geen kluizenaar. Hij ging veel op café, maakte lange wandelingen in de omgeving van de stad en was een zeer geregeld bezoeker van de bioscoop (in De rover zijn er enkele referenties aan films die hij zag).
De jaren 1924 tot 1926 waren de productiefste jaren in zijn gehele schrijverschap. Maar in 1927 begint zijn grote inzinking en verglijdt hij in een crisis die hem de rest van zijn leven zou verlammen. Walser brengt de laatste zevenentwintig jaar van zijn leven door in psychiatrische inrichtingen, de laatste drieëntwintig daarvan zonder nog een letter op papier te zetten of enige bekommernis over zijn werk te tonen. Eerst kwam hij terecht in de Waldau, een instelling aan de rand van Bern, waar ook de art brut kunstenaar Adolf Wölfli en de schrijver Friedrich Glauser resideerden. Hier schreef Walser nog en onderhield zelfs schriftelijk contact met uitgevers en redacteuren. In 1933 ging Waldau echter reorganiseren en Walser werd tegen zijn zin en onder fysieke dwang overgeplaatst naar een instelling in Herisau, ten zuiden van Sankt Gallen, ver van zijn geliefde Bern. Robert Walser weigerde hier nog te schrijven, naar eigen zeggen omdat hij niet meer vrij was. Tegen een bezoeker zou hij ooit gezegd hebben: ‘Ik ben hier niet om te schrijven, maar om gek te zijn’.
Robert Musil, Franz Kafka, Hermann Hesse, Elias Canetti en Walter Benjamin: deze grootheden waren allen vurige bewonderaars van Walser. In Logies voor een landhuis(1998), een verzameling fraaie schrijversportretten, bracht W.G.Sebald — nog een literaire reus — een indrukwekkende ode aan de auteur van De rover. En niemand minder dan Jeroen Brouwers introduceerde ‘zijn’ grote held Walser in ons taalgebied. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig vertaalde hij enkele van Walsers’ bekendste boeken. Die vertalingen zijn vandaag alleen nog antiquarisch verkrijgbaar: Frits Kocher z’n opstellen(1904), Jakob von Gunten (1909), De bediende en de bundel korte stukjes De kuise nacht (1980), in 2007 heruitgegeven door Atlas als Liefdesverhalen. In 2008 wierp zich uit het niets (en als een geschenk uit de hemel, als u het mij vraagt) een nieuwe pleitbezorger van Walsers werk op: Machteld Bokhove (1949), literair vertaalster en bezielster van de weelderige website robertwalser.nl. Op deze onuitputtelijke webstek, een heuse schatkamer voor Walserianen, staan tientallen vertalingen van korte prozastukjes en gedichten van Walser, telkens met de Duitse tekst ernaast.
Bokhove zette zich ook aan de vertaling van de langere teksten. De vroegere vertalingen van Brouwers vond ze inmiddels verouderd en ontoereikend. In 2013 publiceerde ze bij Parrèsia onder de titel De vrouw op het balkon en andere prozastukjes een knappe selectie van zesenveertig korte teksten. Nadien volgden er nog twee vertalingen bij Lebowski: de novelle De wandeling (2015), inclusief ‘Le promeneur solitaire’, het hogergenoemde essay van Sebald, en Jakob von Gunten (2016), een roman die ook bekend is omwille van de verfilming door de gebroeders Quay onder de titel Institute Benjamenta or This Dream People Call Human Life (1995). Al deze vertalingen werden in de pers unaniem (en meer dan terecht) de hemel in geprezen.
Op haar website meldt Bokhove dat ze al in 2012 De assistent, haar vertaling van Der Gehülfe (1908), afrondde. De rover voltooide Bokhove reeds eind 2013 en ook de nooit eerder vertaalde roman Geschwister Tanner (1907) heeft ze inmiddels klaar. Deze drie ongepubliceerde vertalingen worden sindsdien bewaard in het Robert Walser-Archiv in Bern. Lebowksi liet in 2017 weten dat ze niet verder gaan met het uitgeven van Walser en Bokhove moest dus noodgedwongen op zoek naar een nieuwe uitgever die het aandurfde om het even wonderlijke als moeilijk verkoopbare werk te publiceren. Wie anders dan uitgeverij Koppernik — die hun hand niet omdraaien voor een flinke brok onevenaarbare, dwarse en onalledaagse literatuur — kon zich kwijten van deze nobele taak?
De potloodmethode
Van Walser zijn vijf romans, enkele ‘Dramoletts’ (zoals hij toneelstukjes in dichtvorm noemde), meer dan tweehonderd gedichten en ongeveer duizend prozastukjes bekend. Veel van de korte stukken werden verzameld in boekdelen, maar verschenen ook geregeld in kranten en tijdschriften. Een aantal boeken kregen illustraties door Walsers één jaar oudere broer Karl, die daarenboven voor nagenoeg alle boekuitgaves het omslagontwerp maakte. Op de cover van de voorliggende vertaling prijkt Karls schitterende aquarel ‘Nach Natur’ (1894) (zie beneden), waarop een jonge Robert Walser afgebeeld staat, verkleed als Karl Moor, de idealistische rebel uit Friedrich Schillers Die Räuber (1781). In dat bekende toneelstuk dingen twee broers naar de gunsten van ene Amalia. Franz is de rationele broer, Karl is eerder het gevoelige dromerstype en sluit zich aan, nadat hij werd onterfd, bij een roversbende. Het mag geen wonder heten dat een personage als de vrijgevochten Karl tot Walsers verbeelding sprak. Op de figuur die hem als kind zo intrigeerde, baseerde hij later het hoofdpersonage van zijn meesterlijke roman De rover.
De ontstaansgeschiedenis van De rover is minstens even exceptioneel als het boek zelf. Bokhove doet in haar nawoord de verbazingwekkende kroniek omstandig uit de doeken. Het ging — in een notendop — als volgt. In de zomer van 1925 zette Walser zijn roman in zo’n zes weken op papier. Dat bewuste papier was bijzonder, want het manuscript behoort tot de zogeheten ‘Mikrogramme’. Na Walsers dood vond men een schoenendoos met daarin 526 ongelijksoortige stukjes papier — omgedoopt tot ‘Mikrogramme’. Het ging over gebruikte enveloppen, sigarettenvloeitjes, verscheurd briefpapier, tickets, kalenderblaadjes, etc., van rand tot rand volgeschreven in een minuscuul handschrift, waarvan men eerst dacht dat het een geheimschrift was. De raadselachtige papiertjes zijn door hun duizelingwekkende dichtheid en intrigerende onleesbaarheid op zich al kleine kunstwerken (ten bewijze staan enkele voorbeelden afgebeeld in Bokhoves nawoord).
Walser, die de papiertjes zelf ‘brouillons’ noemde, is waarschijnlijk rond 1918 begonnen met deze schrijfwijze. Hij had een sierlijk, bijna kunstzinnig handschrift, waar hij trots op was, maar al in zijn Berlijnse periode (1905-1913) begon hij ‘kramp’ in zijn ‘schrijfarm’ te krijgen waardoor hij de pen ging haten. Hij begon systematisch zijn eerste versies in potlood te schrijven, om die nadien ‘in het echt’ met een pen over te schrijven. Dat specifieke en tijdrovende ‘kantoorachtig overschrijfsysteem’ noemde Walser zijn ‘potloodmethode’. In het prozastuk ‘Bleistiftskizze’ (1926-1927) schrijft hij:
Als ik nu nog iets over mezelf naar voren mag brengen, dan vertel ik hoe ik op het idee kwam om mijn proza telkens eerst met potlood op papier te zetten voordat ik het met de pen zo netjes mogelijk in het echt overschreef. Ik merkte namelijk op een dag dat het mij nerveus maakte meteen met de pen aan de slag te gaan; om mij te kalmeren gaf ik er de voorkeur aan mij van de potloodmethode te bedienen, wat feitelijk een omweg, een verhoogde inspanning betekende. […] Ik had onder andere het gevoel dat ik met het potlood dromeriger, rustiger, behaaglijker, ingetogener zou kunnen werken, ik geloofde dat de beschreven werkwijze voor mij tot een bijzonder geluk zou uitgroeien.
Walser vond dat schrijven van tekenen was afgeleid en dat schrijven met een potlood hem ‘een haast aan ’t kolossale grenzende, slepende traagheid’ verleende. Eén blik op de Mikrogramme en je kan je perfect voorstellen hoe Walsers schrijflust herleefde: hypnotiserend mooi zijn ze, je kan er gebiologeerd uren op zitten kijken. Opmerkelijk is dat Walser de Räuber-Mikrogramme nooit in pen heeft overgezet. Bokhove vermoedt dat dit kwam omdat hij er vanuit ging er toch geen uitgever voor te zullen vinden.
Toen een onderzoeker in de tweede helft van de jaren zestig ontdekte dat het bijna onleesbare gekrabbel op de Mikrogramme eigenlijk een sterk verkleinde versie was van het zogeheten Kurrentschrift, een oud Duits Gotisch cursief handschrift, begon men aan de ontcijfering. Dat bleek een titanenwerk: pas in 1986 werden alle teksten verzameld in zes dikke banden en uitgegeven door Suhrkamp als Aus dem Bleistiftgebiet (‘Bleistift’ is Duits voor potlood). Dit alles maakte dat De rover (als Räuber-Roman) uiteindelijk pas in 1972, bijna vijftig jaar nadat het was geschreven, voor het eerst gepubliceerd werd. Welke koers zou de Duitse literatuur hebben gevaren indien een radicaal boek als De rover was gepubliceerd op het moment dat het werd geschreven? Het is een periode waarin nog andere invloedrijke boeken uitkwamen, zoals Ulysses (1922) of A la recherche du temps perdu (1913-1927). Het is een vraag die J.M. Coetzee zich stelt in zijn boeiend essay over Walser in The New York Review of Books.
De rover
Op ‘Mikrogram 488’ start het manuscript van De rover, dat bestaat uit vierentwintig eenzijdig beschreven vellen kunstdrukpapier, iets kleiner dan een A5. De roman zelf is opgedeeld in vijfendertig ongenummerde en ongetitelde hoofdstukken, elk ongeveer twee tot drie bladzijden lang. Walser beschouwde De rover als een ‘psychologische roman’, waarin het over essentiële levensvragen gaat. De sublimerende verdichting van De rover speelt zich inderdaad af op een dieper niveau en schuilt niet in het verhaal, want dat is er een van tien in een dozijn: een zonderlinge man bijgenaamd ‘de rover’ houdt het hoofd boven water aan de zelfkant van de Bernse samenleving, dankzij een bescheiden erfenis en de hulp van enkele vrouwen. Wanneer de roman start is hij plots gescheiden van zijn geliefde, de brutale dienster Edith, die hem pardoes heeft verlaten omdat hij weigerde haar 100 francs te lenen. De rover en Edith hebben een onduidelijke relatie achter de rug: een en ander wordt gesuggereerd door een anonieme verteller. Naar het einde van het verhaal toe moet de rover zich rechtvaardigen ten aanzien van een soort tribunaal. Tijdens zijn vurige toespraak neemt Edith het recht in eigen handen en schiet de rover neer. Wanneer de gemoederen gekalmeerd zijn, slaan de rover en ‘een erkend auteur’ de handen in elkaar om de ware toedracht van de feiten neer te schrijven.
Die schrijver dat is de anonieme verteller van De rover. Hij spreekt meestal in de eerste persoon enkelvoud, maar haalt geregeld zichzelf aan in pluralis majestatis en probeert de lezer vanalles diets te maken. Is de verteller Robert Walser zelf, wiens voornaam klinkt als het Duitse woord voor ‘rover’, ‘Räuber’? Hoe dan ook, hij poogt zijn persoonlijke verwikkelingen met de rover en wat hij van anderen over diens roekeloze leven heeft gehoord in een coherent verhaal te gieten. Sterker nog, hij wil er een roman van maken: ‘een weloverwogen boek waaruit absoluut niets geleerd kan worden’. Die roman moet niet zo getrouw mogelijk zijn, maar in de eerste plaats netjes en welopgevoed:
Wees ervan overtuigd dat ik u louter het welvoeglijke meedeel. Ik houd mezelf namelijk voor een beschaafde auteur, wat misschien heel dwaas van me is. Misschien zullen er inderdaad terloops ook onschaafdheden insluipen.
De verteller, die de lezer herhaaldelijk direct aanspreekt en voortdurend commentaar geeft op zijn eigen schrijfsels, is echter van geen kanten te vertrouwen. Hij noemt de rover ‘een Peruaan’, ‘een najager van belevenissen’, ‘een volgzaam uilskuiken’ en ‘een wegloper in roverskostuum’. Hij springt van de hak op de tak, weidt voortdurend uit en brengt zijn verhaal gefragmenteerd over. Zijn gedachtegang is puur associatief en discontinu. Het begint al in de tweede zin, ‘Hierover later meer’, waarvan creatieve varianten nog talloze keren zullen terugkeren verder in het verhaal. De verteller graaft onvermoeibaar in het persoonlijke verleden van de rover, die hij afschrijft als een vrouwengek die de ‘keizerinnen van zijn fantasie’ zielloos maar wellustig najaagt: er is sprake van een Wanda, een Julie en een Selma. Ondertussen denkt de verteller luidop: wat bij hem opkomt, schrijft hij onverbloemd neer. Hij is bijzonder kritisch voor de rover, velt het ene waardeoordeel na het andere en roept hem tot verantwoording. Aan de andere kant neemt de verteller de rover ook in bescherming (‘Hij bevindt zich onder onze hoede’) en noemt zichzelf diens ‘bewaker’.
Onderweg ontdekt de lezer dat de rover —net als de verteller — eveneens een schrijver is, die een ‘allang door zijn vrienden verwachte roman’ aan het neerpennen is. De verteller moedigt zichzelf geregeld aan (‘Kom nou eindelijk eens op met dat verhaal…’), maar waakt er ook over het mysterie hoog te houden: ‘Veel op deze pagina’s zal de lezer nog geheimzinnig voorkomen, wat wij zogezegd hopen, want als alles zo open voor begrip klaarligt, zou u boven de inhoud van deze regels gaan gapen.’ Tegelijkertijd staat de verteller als chroniqueur ook onder druk en voelt hij zich vlakaf ondergewaardeerd:
Deze omwegen die ik hier maak hebben ten doel tijd te rekken, want ik moet tot een boek van enige omvang komen omdat ik anders dieper veracht word dan ik al ben. Het kan zo onmogelijk doorgaan. Plaatselijke mannen noemen mij een dwaze jongen omdat er geen romans uit mijn zakken vallen.
De verteller en de rover hebben nog heel wat andere dingen gemeen. Gaandeweg lijken ze zelf te versmelten tot één en dezelfde persoon (vandaar het majesteitelijke meervoud?). Het schrijven van de roman zélf komt meta-literair centraal te staan. Op een bepaald moment schuift de verteller de rover naar voren als zijn assistent: ‘Vandaag ziet de rover heel bleek van al het geschrijf, want u kunt zich wel voorstellen hoe hij mij flink helpt bij het op papier zetten van dit boek.’ Edith neemt het de rover kwalijk dat hij naar ‘een erkende auteur’ is gevlucht om hun verhaal neer te schrijven. Wordt haar voormalige minnaar daarom de rover genoemd? Omdat hij hun verhaal roofde? ‘Ik moet me de schrijfsels van die bedelaar laten welgevallen terwijl hij niet eens honderd franken uit zijn portemonnee wilde laten vallen of glijden.’, verzucht ze.
De rover is een maanziek personage, ‘een ware titaan in het aarzelen’. Hij is geen dromer, noch een flierefluiter of vagebond, want ‘voorbeeldig zijn is toch immers gigantisch saai.’ De rover weerstaat simpelweg elke wijze van classificatie, geen enkel hokje past hem. In een smartelijk fragment vraagt de rover zich tijdens een doktersbezoek af of hij vroeger misschien een meisje is geweest. Maar uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat hij niet zozeer ooit een ander geslacht had, maar dat hij eerder een eeuwig kinderlijke zijde heeft (‘Ik heb misschien een iets te vrolijk innerlijk, waaruit natuurlijk van alles valt op te maken’), een zijde die hij nooit van zich af heeft kunnen werpen. De verteller stelt zichzelf ergens de vraag: ‘Werd hij vanwege zijn kinderlijkheid vervolgd?’. Bovendien verklaart de rover aan de arts dat hij pas echt gelukkig is wanneer hij iemand kan bedienen (Walser had een korte carrière als bediende achter de rug, zie onder andere De assistent en Jakob von Gunten). Dat kinderlijke doet in één beweging onvermijdelijk denken aan het schilderij dat zijn broer Karl maakte van de jonge Robert Walser, aandoenlijk verkleed als rover, starend met een lege blik in het niets.
Tot besluit nog wat lof voor de deskundige en zwierige vertaling van Bokhove. Woorden als ‘friederietselen’, ‘fier-vooruit-kijkerij’, ‘Edith-gelui’, ‘genoegelen’ of ‘bakvisselen’ mogen wat mij betreft meteen opgenomen worden in het ultieme lexicon van creatieve vertaaloplossingen. De elegantie van deze vertaling is gewoonweg buitenproportioneel. De meanderende, wemelende taal van Walser is geweldig weergegeven en een immens plezier om te lezen: ‘Zijn ogen waren kleine, rondhollende windhonden’, ‘Ondertussen nam hij les in de kunst niet aan vrolijkheid in te boeten’, ‘Zijn handen zijn net hooggeheven en neergezonken koningen. Imponeert deze mooie zin u?’ of ‘Natuurlijk maakte de tijd van minuut tot minuut vorderingen. Dat die nooit op het idee komt eindelijk eens stil te staan, treft menig intelligent mens als iets eigenaardigs.’ Het krioelt van dergelijke afgemeten, poëtische zinnen, ik herhaal: het is één groot, langgerekt taalfestijn.
In zijn essay vermeldt Coetzee een mooie uitspraak van Walter Benjamin over de kenmerken van de Walser-types: zij zijn als sprookjesfiguren die — wanneer het sprookje eenmaal voorbij is — beseffen dat ze nu in de realiteit zullen moeten leven. Het sprookje van de rover is eveneens voorbij en nu dwaalt hij rond in een realiteit die hem niet verdragen kan, hem uitstoot en zelfs vervolgt. Hij is een saltimbanco, een verworpene, de eeuwige buitenstaander, verpauperd en geslagen, maar steeds met een grootmoedige glimlach op het gelaat en een mateloze vrijheid in de geest, de vrijheid van de kunstenaar en de schepper.
Als er een boek onklasseerbaar is, dan dit wel. De rover lijkt een nobel wild en vrij bestaan te willen rechtvaardigen en uitdragen. Dit krasse boek toont wat er gebeurt met eenieder die zich afzet tegen de troosteloze toerekeningsvatbaarheid waar de gevestigde orde op rekent en steeds klakkeloos van uitgaat. Iedereen die het lichtend pad volgt, is een beetje een rover: voorbeeldig zijn is immers ‘gigantisch saai’ en buiten de lijntjes kleuren is zoveel méér leven. De rover is een fenomenale Walser, een labyrintisch boek dat heerlijk buiten zijn oevers treedt en in milde extase overloopt van bravoure, brille en warme, emotionele geladenheid. Walser lezen is ook hier nog maar eens een ervaring die je achtervolgt en niet meer loslaat.
Verschenen op: Mappalibri, oktober 2018
De rover van Robert Walser, Koppernik 2018, vert. en naw. door Machteld Bokhove, ISBN 9789492313492, 196 pp.
‘Het zakboekje van het pijnboombos’ van Francis Ponge: de grootse poëzie van een anti-poëtica
Francis Ponge (1899-1988) schreef met Het zakboekje van het pijnboombos (1947) een van de meest fascinerende teksten binnen zijn omvangrijk en veelzijdig oeuvre. Het is een soort logboek, ‘onderweg naar een gedicht’, waarin Ponge zijn moeizame arbeid om het wezen van een pijnboombos in poëzie te vatten minutieus uit de doeken doet. Zijn ambitie is groot: hij wil de essentie, de crux van het bos ‘uit de onopgemerktheid’ halen en ‘de wereld van het woord’ binnenloodsen. Het zakboekje van het pijnboombos biedt een unieke inkijk in het creatieve schrijfproces van de man die met tegenzin bekend stond als ‘de dichter van de dingen’.
De publicatie van Het zakboekje van het pijnboombos had heel wat voeten in de aarde. Ponge werkte zijn carnet af in 1940 en wilde het zo snel mogelijk publiceren. Veertien jaar eerder, in 1926, had een jeugdige Ponge dankzij de hulp van Jean Paulhan — een vriend van de familie en toen de grote man bij La Nouvelle Revue française en Gallimard — een kleine dichtbundel gepubliceerd, Douze petits écrits (1926). Na jaren stilzwijgen liet Ponge in 1937 aan Paulhan weten dat hij een nieuw boek bijna af had, La parti pris des choses, een bijzonder originele dichtbundel die Ponges naam zou vestigen en hem de dubieuze eretitel ‘dichter van de dingen’ zou opleveren.
Tot Ponges ergernis bleef Paulhan deze keer de boot maar afhouden en de publicatie van die nieuwe gedichten uitstellen. In oktober 1941 was er bovendien het vermoeden dat het definitieve manuscript van La parti pris des choses bij Gallimard verloren was gegaan. Ponge stelde voor om eerst zijn Zakboekje te publiceren, maar Paulhan weigerde en publiceerde in 1942 dan toch eerst La parti pris des choses. Ponge bleef echter aandringen op de publicatie van het Zakboekje en haalde er in 1943 zelfs zijn nieuwe vriend Albert Camus bij om te bemiddelen, zij het tevergeefs. Uiteindelijk verscheen Het zakboekje van het pijnboombos pas in 1947, bij de Zwitserse uitgeverij Mermod. Vanaf 1952 nam Gallimard desalniettemin de tekst definitief op als een onderdeel van de bundeling La rage de l’expression. Ook in de Pléiade-editie van Ponges œuvres complètes behoort het tot die reeks.
Toen de Duitse bezetting eind juni 1940 een feit was, bereikte Ponge na een fiets- en voettocht van bijna zes weken, eindelijk zijn familie in la Zone Libre, meer bepaald in Le Chambon-sur-Lignon, een stadje in het departement Haute-Loire. Hij was acht maanden lang gemobiliseerd geweest in Rouen, waar hij werkte als secretaris van een hooggeplaatste officier (later, in de herfst van 1942, sloot hij zich aan bij het verzet). Schrijven was in die oorlogsomstandigheden vrijwel onmogelijk. Eenmaal in de Haute-Loire besloot hij dan ook zonder dralen zijn herwonnen vrijheid te vieren met het exhaustief beschrijven van een naaldboombos in het nabijgelegen La Suchère (en niet ‘La Sougère’ zoals er in deze vertaling verkeerdelijk staat in de voorlaatste notitie van 31 augustus 1940). In die zomer leek Ponge zijn schade in te halen en gaf zich gewillig over aan een uiterst vruchtbare schrijfroes. Op nog geen jaar tijd schreef hij nagenoeg alle teksten uit La rage de l’expression. Het Zakboekje schreef hij tussen juli en september 1940, met beperkte middelen, zonder te beschikken over zijn geliefde ‘Littré’ (het bekende Franse woordenboek uit de negentiende eeuw van Emile Littré) en in een klein notitieboekje, ‘dat overigens zijn hele papiervoorraad uitmaakte.’
Het zakboekje van het pijnboombos is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel heeft als titel ‘Het genot van de pijnboombossen’ en bestaat uit een opeenvolging van dagboeknotities, gedateerd van 7 tot 21 augustus 1940. In korte, welluidende zinnen beschrijft Ponge enkele kenmerken van het bos waarin hij rondwandelt. Hij noteert een aantal geobjectiveerde indrukken en observaties. Hij gebruikt telkens dezelfde reeks kernwoorden (‘wanorde’, ‘lianen’, ‘korstmos’, ‘brons’, etc.), om zo exact en precies mogelijk tot de essentie van het bos door te dringen, maar varieert op speelse wijze door bij elke paragraaf de woordvolgorde te wijzigen of nieuwe elementen toe te voegen. De stammen van de pijnbomen zijn ‘hoge schachten’, ‘creoolse masten’ of ‘achtenswaardige zuilen’, ‘strak als brons, buigzaam als rubber’.
Meteen voegt Ponge metacommentaar toe (een beproefde techniek die doorheen zijn hele oeuvre opduikt) aan zijn eerste pogingen om het bos te beschrijven: ‘Ik gebruikte niet robuust, want dat adjectief is toepasselijker voor een andere boomsoort.’ Of roept zichzelf tot de orde: ‘Nee! Ik moet beslist op het genot van het pijnboombos terugkomen’ of ‘Wat ik belangrijk vind is de ernst waarmee ik het onderwerp benader, en van de andere kant de zeer grote trefzekerheid van de uitdrukking.’ Zijn conclusie is dat het bos een ‘tempel van de bouwvalligheid’ is, een ‘kathedraal’ — ‘gelukkig zonder kansel’ — en ‘een fabriek van dood hout’. Hier wordt ‘langzaam hout gemaakt’, besluit hij, ‘met majesteitelijke traagheid’, een mooie metafoor voor het schrijfproces. Hij maant het bos aan zich over te geven aan zijn talige wil: ‘Kom tevoorschijn, pijnboombossen, kom tevoorschijn in de taal. […] Jullie zijn F. Ponge niet voor niets opgevallen…’ Maar het genot van het bos leren kennen is onvoldoende voor de dichter:
Wanneer we zijn binnengetreden in de vertrouwelijkheid van die bijzondere ruimten van de natuur, wanneer ze de mogelijkheid hebben gekregen om notie te worden in het woord, dan gaat het er niet slechts om dat we het op antropomorfe wijze over dat sensuele behagen hebben, dan gaat het erom een meer sprekende con-notatie te bereiken.
Deze slotparagraaf van het eerste deel illustreert meteen de moeilijkheid om Ponge te vertalen: ‘notie te worden in het woord’ is de door Christian Hendrikx voorgestelde vertaling van het oorspronkelijke ‘naître dans la parole’. ‘Une co-naissance plus sérieuse’ vertaalde hij met ‘een meer sprekende con-notatie’. Het woordspel tussen naître en co-naissance (‘co-geboorte’ maar natuurlijk ook connaissance of ‘kennis’) is verdwenen uit de vertaling. De opties ‘notie’ en ‘con-notatie’ zijn verdienstelijke pogingen maar missen de onderliggende betekenis die Ponge beoogde. Het gaat hem wel degelijk om kennis: ‘Maar wij zijn wat anders dan een dichter en we hebben iets anders te zeggen.’
In het tweede deel, ‘Vorming van een poëtisch gezwel’, gaan de dagboeknotities van 22 augustus tot 2 september 1940. Hier bereiken de variaties een hoogtepunt en worden geregeld aan de hand van een tussentitel ook dusdanig benoemd (‘Variant’). Het ‘poëtische gezwel’ groeit gestaag aan, zonder dat een definitieve versie van het ‘pijnboomgedicht’ wordt voorgesteld: eerst werkt Ponge vijf variaties uit in de vorm van prozagedichten (zijn mentor Paulhan had hem eerder nochtans dit genre afgeraden), die hij dan laat volgen door zestien geversificeerde alternatieven, in alexandrijnen of tienlettergrepige verzen, met — zo lijkt het wel — voor elke boom een ander versschema.
Ponge gebruikt opnieuw dezelfde kernwoorden en frasen, gedistilleerd uit het eerste deel en varieert erop los. Het metatechnisch commentaar uit het eerste deel blijft achterwege. Hoewel, in de slotnotitie reduceert Ponge zijn pijnboomgedicht tot vijf genummerde ‘niet te wijzigen elementen’, die ‘ad libitum’ koppelbaar zijn en dus, net zoals in Cent mille milliards de poèmes (1961) van Raymond Queneau, een schier eindeloze reeks gedichten oplevert (in de voorliggende vertaling staan eigenaardig genoeg minder mogelijkheden dan in de Franse editie die ik consulteerde; er staat ook geen ‘etc.’ om af te sluiten, maar wel twee beletseltekens). Op dit punt is de lezer terechtgekomen in de woest draaiende spiraal die Ponge omschreef als ‘la rage de l’expression’. Met louter vormelijkheden zal de dichter echter niet doordringen tot de essentie van wat hij wil beschrijven, zo blijkt althans uit de eerste zinnen van het volgende deel.
In dat derde deel, ‘Dit is allemaal niet wat het zijn moet’ (de vertaling van Tout cela n’est pas sérieux), spat het poëtisch gezwel onverbiddelijk uit elkaar: ‘Als ik met tien dagen ononderbroken en hardnekkig (zo mag ik het wel noemen) werk niet meer heb bereikt dan dit, dan heb ik mijn tijd verknoeid.’ Ponge beseft in een epifanisch moment dat het niet enkel zijn bedoeling is een gedicht te schrijven. Nee, hij wil in eerste instantie verder komen met ‘de kennis en de uitdrukking van het pijnboombos’. Kennis is voor hem ‘het waarmaken van het specifieke karakter van dat bos’ en daaruit wil hij tegelijkertijd ‘de lering’ opdiepen.
Voor de communist Ponge is het bos ‘een levend monument, een architectonische gemeenschap’, waar alle bomen samenwerken om meer voordelen dan beperkingen te bekomen. Bomen die aan de rand van het bos staan, functioneren anders dan die in het midden: de ene verlichten, de andere verduisteren. Ponge sluit dit deel af met enerzijds nog maar eens een lijst met woorden die hij achteraf wil opzoeken in zijn Littré en anderzijds door ‘zijn’ pijnboombos te categoriseren als ‘laag hoogstammig met hakhout’, een bos dat volgens de opsomming van diverse bosleeftijden die hij oplijst, veertig jaar oud is (Ponge was eenenveertig toen hij het Zakboekje schreef). In kapitalen kondigt hij pompeus het einde van zijn zoektocht af: ‘EINDE VAN HET PIJNBOOMBOS / ERUIT NU, HET LAND OP’.
Hierna volgt nog een kort ‘Aanhangsel’, opgesplitst in twee beknopte delen: ‘Overige bladzijden’ (Pages bis, in het Frans) en een fragmentarische ‘Briefwisseling’. De ‘Overige bladzijden’ bestaan uit drie bondige, maar revelerende notities. Een eerste notitie dateert van 6 augustus 1940, de dag voor de start van het Zakboekje dus. ‘Wat ik zou willen lezen’, stelt Ponge, ‘dat zou de titel, de definitie kunnen zijn van wat ik zal schrijven.’ De auteur Ponge plaatst zich zo in de positie van de lezer. Hij onderstreept in die positie ook het belang dat hij hecht aan de receptie van zijn boek: hij wil in geen geval misbegrepen worden. In een volgende notitie, gedateerd 20 augustus 1940, verantwoordt hij zich voor het feit dat hij in zijn carnet enkel aandacht heeft voor het bos en niet voor de mensen om hem heen of de toenmalige politieke situatie in Frankrijk. ‘Een soort onvermogen’ houdt hem tegen:
Ik heb de indruk dat ik, zo gauw ik me op een van die onderwerpen zou richten, prompt het gevoel zou krijgen dat het niet essentieel was, dat ik mijn tijd aan het verdoen was. En ‘het pijnboombos’ is dat waar ik instinctief telkens weer op terugkom, op het onderwerp dat mijn totale belangstelling heeft, dat heel mijn wezen in beslag neemt, dat me helemaal aan het spelen brengt.
De dichter is een homo ludens, een alchemist, een geleerde die al scheppend de diepste geheimen van het universum wil doorgronden. Het pijnboombos bombardeert hij tot een eindeloos uitdijende schrijfruimte, de ultieme topos van zijn bevrijd schrijverschap. Ponge verliest zich helemaal tussen de bomen, ‘een beetje als een onderzoeker bij zijn specialistische onderzoek.’ Er is geen plaats voor historische of politieke bekommernissen: ‘Niet om het relaas , verhaal, beschrijving gaat het, maar om de verovering.’ En toch, in de laatste notitie heeft Ponge het over zijn gesprek met de lokale pastoor. Tijdens dat onderhoud beschreef hij ‘de nieuwe mens’ (lees: marxistische) uit zijn dromen, die vrijer kan omgaan met de ‘essentiële vraagstukken’ en het mysterie dat ons omringt. Het gesprek betekent ‘een nieuwe stap’ in zijn ‘gedachteleven’, waardoor hij zichzelf een nieuw poëtisch en politiek doel durft voorop te stellen: ‘een nieuwe wereld, waarin de mensen en de andere wezens harmonisch met elkaar in betrekking staan.’
Om het aanhangsel af te sluiten, volgen nog vier brieven. Een korte inleiding geeft meer uitleg bij de epistels: Ponge vertrouwde begin 1941 het manuscript van het Zakboekje toe aan zijn vriend ‘M.P.’ Deze initialen staan voor Michel Pontremoli, aan wie het Zakboekje is opgedragen (volgens Ponge omdat hij zo goed was de integrale tekst over te typen). Pontremoli was een belezen jood die na 1940 antisemitische maatregelen ontvluchtte en zich in Marseille aansloot bij het verzet. Ponge had Pontremoli in 1936 leren kennen toen die optrad als onderhandelaar tijdens vakbondsproblemen bij Hachette, waar de dichter indertijd werkte. Pontremoli werd gefusilleerd in 1944. Korte tijd nadat Pontremoli het Zakboekje in zijn bezit kreeg, kwam een kopie terecht bij een andere vriend, ‘G.A.’, wat staat voor Gabriel Audisio, een schrijver met veel literaire contacten die Ponge al in 1917 in Strasbourg had leren kennen.
In een eerste brief stelt Audisio voor aan Ponge om zijn Zakboekje te publiceren in een magazine. Wat hem het meest aansprak in Ponges tekst was ‘de getuigenis van de methode’, de gedetailleerde werkwijze die de dichter uiteenzet om (uiteindelijk niet) tot zijn pijnboomgedicht te komen. Audisio haalt de voorbeelden aan van André Gide, Dante Alighieri en Edgar Allen Poe. Die deden allemaal iets gelijkaardigs. De eerste hield een dagboek bij over het schrijven van zijn roman Les Faux-monnayeurs (1925), de tweede becommentarieerde zijn eigen sonnetten in Vita nuova (1292) en de laatste beschreef in zijn essay The philosophy of composition (1846) hoe zijn gedicht The raven tot stand was gekomen. Een ander bekend voorbeeld in de Franse literatuur is Raymond Roussels Comment j’ai écrit certains de mes livres (1935). Ponge zou later trouwens met My creative method (1948) en Pochades en prose (1947) nog twee teksten afleveren waarin hij zijn creatieve werkwijze uitgebreid beschrijft.
In een volgende brief aan Pontremoli reageert Ponge verbolgen op Audisio’s voorstel: ‘Nee! G.A. heeft (overduidelijk) niet begrepen dat het bij dat bosstuk veel minder gaat om het ontstaan van een gedicht dan om een (verre van geslaagde) poging tot de vernietiging van een gedicht door zijn onderwerp.’ Ponge gaat nog een stap verder in zijn antwoord aan Audisio zelf. Hij poneert zelfs dat hij geen dichter wil zijn. Een schrijver die deze benaming verdient ‘moet schrijven tegen alles in wat vóór hem geschreven is […] — vooral tegen de bestaande regels in.’ Hij bekent passioneel begaan te zijn met techniek, maar wel ‘per gedicht’ en telkens bepaald door het onderwerp (bijvoorbeeld een pijnboombos). Het Zakboekje gaat niet over de geboorte van een gedicht. Neen, het is veeleer ‘een streven tegen de poëzie.’ Met gevoel voor dramatiek eindigt Ponge met: ‘Ik heb poëtisch magma nodig, maar om er mij van te ontdoen.’ En zo wordt het Zakboekje waarschijnlijk de enige poëtica in de wereldliteratuur die zichzelf teniet doet door juist te stellen dat het geen poëtica is noch er een wil zijn.
Om af te sluiten nog enkele bedenkingen bij de vertaling. Die is algemeen beschouwd zeker prijzenswaardig. De Nederlandse tekst leest vlot en geeft Ponge een hedendaagse stem. Hendrikx, die voor Koppernik eerder Een regicide van Alain Robbe-Grillet vertaalde, verdient lof alleen al omwille van zijn moed zich aan Ponge te wagen. Ponge vertalen is immers geen lachtertje. Piet Meeuse stelde in zijn nawoord van Namens de dingen dat de vertaler van Ponge het steeds zal moeten afleggen tegen ‘de fonkeling van het origineel’. Ponges Frans is stug, gelaagd en onorthodox. Het is de doorwrochte taal van oeroude, religieuze teksten. Ponge geeft op z’n eentje een geheel nieuwe betekenis aan het begrip hermeneutiek. Geen enkel woord, leesteken of cursivering staat er zomaar. Zijn teksten bulken van de woordspelletjes, achterliggende etymologische betekenissen, dubbele bodems en allusies. Kortom, een ware nachtmerrie voor de vertaler: ten bewijze de vierkante haken die de vertaler noodgedwongen moet gebruiken voor de Franse woorden die vanaf deel twee ongewijzigd uit de Littré worden overgenomen.
Hendrikx vertaalt Ponge soms erg vrij (‘tint’ voor apparence, ‘vlechtwerk’ voor serpentement) en zijn geboden oplossingen zijn bijna altijd raak, vindingrijk of muzikaal. Maar naar mijn gevoel is de tekst net iets te veel naar de smaak van de hedendaagse lezer gebracht en is de vertaling hier en daar té vrij, wordt er te veel nuance toegevoegd. Het statige, de verhevenheid van Ponges Frans komt niet altijd even duidelijk naar boven. Ik herlas de Franse tekst meteen na de vertaling te hebben gelezen en legde verschillende passages naast elkaar. Grotendeels klonk het prima, maar het botste toch behoorlijk vaak.
Hendrikx verheldert in zijn bondig nawoord een aantal van zijn keuzes. Hij geeft een paar voorbeelden die gebaseerd lijken op persoonlijke smaak (‘kapmantel’ voor peignoir of ‘de stof’ voor tissu) en een soort intuïtie (‘pijnboom’ in de plaats van ‘den’, ‘afgetakelde takken’ voor branches caduques). Die opties zijn gegrond en worden geduid, maar bij andere moet de lezer het zelf uitzoeken. Bij ‘tempel van de bouwvalligheid’ voor temple de la caducité kon er bijvoorbeeld best wat toelichting komen (caduc wordt elders vertaald als ‘bedenkelijk’, en caducité als ‘krakkemikkigheid’). Of hampe is de ene keer ‘staak’ en de andere keer ‘stam’. Of een enkelvoud in het Frans wordt een meervoud in het Nederlands: ‘Sans planche lisse au sol wordt ‘Zonder gladde planken op de grond’. Een aantal woordspelletjes gaan in vertaling de mist in (zie hoger) — het trieste lot van elke vertaalpoging —, andere problemen worden dan weer wel elegant opgelost (het duo ‘stam’ en ‘mast’ bijvoorbeeld, ‘resten korstmos’ voor gangue de lichens).
Een uitgebreider notenapparaat en meer duiding bij sommige vertaalkeuzes zou de Nederlandstalige lezer een diepere lectuur van deze rijke, omvattende en veellagige tekst kunnen bieden. En een betere waardering van de lovenswaardige inspanning van de vertaler. Jammer dat die paar extra bladzijden ontbreken in de voorliggende editie. Ter verdediging haalt de vertaler er Ponge zelf bij: een pijnboombos is nooit ‘af’, een tekst over een dergelijk bos al zeker niet. Laat staan de vertaling van die tekst.
Hoe het zij, Het zakboekje van het pijnboombos is een niet te versmaden unicum én voor niet-ingewijden een mooie introductie tot de haast mystieke wereld van de grote Francis Ponge. In zijn bos staat de lezer als het ware op hetzelfde niveau als de auteur: samen zijn ze de exclusieve getuigen van de non-genese van een gedicht. Samen kijken ze sprakeloos toe hoe het gedicht tenonder gaat aan wat het een stem probeerde te geven. De grondtoon van het bos is bestendig lyrisch, ondanks de steeds weerkerende anti-poëticale oprispingen. De constante wisselwerking tussen zo juist mogelijk willen beschrijven en zo effectief mogelijk willen uitdrukken — het eeuwige spel tussen de woorden en de dingen — geeft deze tekst een direct invoelbare intensiteit en verheft hem tot iets onwerelds. Met zijn uitgekiende en radicale mythologie van de dingen maakt Ponge de grenzeloze complexiteit van de werkelijkheid zo tastbaar dat het angstwekkend wordt. Grandioze literatuur.
Verschenen op: Mappalibri, juli 2018
Het zakboekje van het pijnboombos van Francis Ponge, Koppernik 2018, vert. en naw. door Christian Hendrikx, ISBN 9789492313454, 76 pp.
‘De weergekeerde bloem’ van Wessel te Gussinklo: de opperste vrijheid van de leegte
Voor een roman van Wessel te Gussinklo (Utrecht, 1941) zit de literaire kritiek op het vinkentouw. Nieuw werk is alleen al door de zeldzaamheid ervan een gebeuren van formaat, zeker als het een roman betreft. In de 20ste eeuw publiceerde te Gussinklo slechts twee romans: zijn debuut De verboden tuin in 1986 en de roman die hem in literaire kringen bekend maakte, het veelvuldig bekroonde De opdracht in 1995. In deze eeuw verraste hij vriend en vijand door in 2013 na bijna 20 jaar stilzwijgen op de proppen te komen met de roman Zeer helder licht, een van de eerste uitgaves van de toen gloednieuwe uitgeverij Koppernik. Te Gussinklo heeft duidelijk de smaak te pakken want nu, amper 3 jaar later, is er het uitstekende De weergekeerde bloem. Als toemaatje gooit Koppernik daar een herdruk van De opdracht bovenop.
De titel van zijn nieuwe roman haalde te Gussinklo bij Harry Mulisch, meer bepaald uit Hoogste tijd (1985). Een citaat uit deze roman over het tragische noodlot van een tweederangsacteur fungeert tevens als motto:
Maar in het hoogste stadium, dat van de Weergekeerde Bloem, wist hij in zekere zin helemaal niet meer wat hij deed: daar heerste de opperste vrijheid van de leegte.
Deze metafoor voor het schrijfproces, ‘het zichtbaar maken van het raadsel door de kieren van het alledaagse’ is een leidmotief: ‘Niet denken of begrip of inzicht, maar een zekerheid die daar ver bovenuit gaat, een noodzaak die opgelegd wordt en die toch tegelijk totale vrijheid inhoudt. Dat heet de Weergekeerde Bloem of hoe je het ook noemen wilt’. Sinds Aangeraakt door goden (2003) - een ‘ontwikkelingsroman’ opgebouwd uit essays over Sartre en Mulisch - kennen we te Gussinklo’s ongebreidelde liefde voor het werk van de auteur van De aanslag, De ontdekking van de hemel en Het stenen bruidsbed.
De geest van Mulisch waart ook doorheen De Weergekeerde Bloem, zowel gevoelsmatig als aan de hand van subtiele verwijzingen. Het is het verhaal van de ‘symbiotische’ vriendschap tussen twee jonge, beginnende schrijvers. Een hechte verbintenis die doet denken aan de beruchte kameraadschap tussen Mulisch en schaakwonder-schrijver J.H. Donner (het model voor Onno Quist in De ontdekking van de hemel). H.J. Gerritsen, de ik-verteller in De Weergekeerde Bloem, heeft als roepnaam Hajé, de fonetische spelling van de initialen van ‘Hendrik Johannes’, niet toevallig het omgekeerde van Donners ‘Johannes Hendrikus’. Hajé is deels gebaseerd op Donner, maar is overduidelijk ook een alter ego van te Gussinklo zelf. Die schreef als 22-jarige de roman De expeditie, waarvan enkele hoofdstukken verschenen in onder meer het literaire magazine Maatstaf, maar die nooit in zijn geheel werd gepubliceerd. Zijn volgende roman De verboden tuin probeerde hij ruim tien jaar lang vruchteloos gepubliceerd te krijgen (we herkennen hierin de fragmenten waarin Hajé hoofdstukken van zijn roman aan een redacteur wil slijten).
Hajé is een 28-jarige klaploper, een grootsprakerige kroegtijger, die iedereen die het horen wil vertelt over het meesterwerk dat hij aan het schrijven is, maar in werkelijkheid met een knoert van een writer’s block heeft te kampen. Hij publiceerde in het verleden al één roman en enkele verhalen in literaire tijdschriften, maar die werden stuk voor stuk afgeserveerd door de kritiek. Op een dag ontmoet hij tijdens een scootertochtje de lispelende, zwijgzame en fatterig geklede Marcel van Beek, eveneens een ploeterende schrijver, die het met zijn ‘onderwijzersproza’ in de trant van Reve en Hermans probeert te maken. De twee worden bloedbroeders. Hajé, een heuse spraakwaterval (als het maar niet op papier hoeft) vertelt Marcel uitgebreid over het boek waaraan hij werkt. Kort nadien maakt Marcel zijn succesvolle entree in de literaire wereld met een roman (‘Gewaand bezit’) die exact dezelfde verhaallijn heeft. Voeg daar nog een door de schrijvers lustig gedeelde vriendin (Lisette) bij en het spel zit helemaal op de wagen.
Tijdens een recent televisie-interview in VPRO Boeken verklaarde te Gussinklo dat De weergekeerde bloem net als zijn andere romans sterk autobiografisch is. De vriendschap tussen Donner en Mulisch komt ter sprake, maar de auteur legt uit dat de eerste aanzet tot het duo Hajé-Marcel gebaseerd is op zijn jeugdvriendschap met de grote dichter Kees Ouwens. Te Gussinklo nuanceert in het interview ook de binnenflaptekst waarin sprake is van een ‘symbiotische vriendschap’. Die is volgens hem meer ‘vampirisch’ of ‘parasitair’ van aard. Twee teksten stonden te Gussinklo voor ogen als model voor dergelijke naargeestige relaties: Dostojevski’s De eeuwige echtgenoot (1870) en Nescio’s Boven het dal (1961). Deze referenties mogen niet verbazen. De weergekeerde bloem heeft een bestendige klassieke ondertoon en draagt een oerdegelijk meesterschap uit. Bovendien doen de vergaande psychologische verdieping van de personages, de vele dialogen en de wijsgerige uitweidingen inderdaad denken aan de meester uit Sint-Petersburg. Te Gussinklo hanteert een benijdenswaardige, expressionistische stijl waarin de gevoelswaarde van de hoofdpersonages de boventoon voert. Wie een dergelijke roman kan schrijven zonder ouderwets over te komen, is een vakman.
De weergekeerde bloem slingert ons terug naar een verloren tijd. Een klassieke, antieke wereld, grofweg eind jaren ‘60, begin jaren ‘70, toen te Gussinklo leurde met De verboden tuin, zeg maar. Telefoneren doe je in een telefooncel en bij de hoeren of op café betaal je gewoon nog in guldens. Het is de tijd dat schrijvers zuipen, roken en bordelen bezoeken. En als vanouds elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Het groenogige monster dat jaloezie heet, zaait tweespalt en drijft de vrienden uiteen. Toch is De weergekeerde bloem geen nostalgisch of voorspelbaar boek. Te Gussinklo trapt niet in de val van clichés en behoudt schijnbaar achteloos - tot op het verrassende einde - de controle over zijn verhaallijnen en personages. Deze knappe roman is in de eerste plaats een begeesterende ode aan het schrijverschap, geschreven door een meesterlijk stilist. Kinnesinne van Bijbelse proporties brengt nog maar eens weergaloze literatuur voort.
Verschenen op: Mappalibri, april 2017
De weergekeerde bloem van Wessel te Gussinklo, Koppernik 2017, ISBN 9789492313256, 373 pp.