Het onderste gedeelte van dezen zak is van aan elkander gezette ringen, die met roode wol overhaakt en van binnen in de openingen met zwarte kralen versierd worden. Het bovenste gedeelte van den zak wordt in een open patroon met roode wol gehaakt. Men begint den zak met den bodem. Deze wordt door 5 puntvormige gedeelten gevormd, elk gedeelte heeft 28 ringen, die met vaste steken overhaakt, dan volgens de afbeelding elk met een kruis van zwarte kralen versierd en in 7 rijen, verzet over elkander komende geschikt worden. De spits van elk gedeelte wordt door een ring (eerste rij) gevormd, de volgende rij bestaat uit 2, de daarop volgende uit 3 ringen enz. Vijf zoodanige puntvormige gedeelten worden dan zoodanig aan elkander verbonden, dat de spitsen van de punten aan elkander komen. De open gebleven middelste opening vult men met een ring. Voor het gedeelte van den zak maakt men een opzetsel, dat in de lengte met den omvang van den bodem aan den buitenrand moet overeenkomen en waarvan het getal steken door 15 deelbaar moet wezen. Het opzetsel wordt tot eene rondte gesloten, dan haakt men op deze den 1. toer: * 2 st. (stokjes), 2 kett. (kettingsteken), 2 steken van het opzetsel overslaan, 2 st., 2 kett., 2 opzetst. overslaan, 2 st., 5 kett., 5 opzetst. overslaan; van * af herhalen. De 2. en elke volgende toer als de 1. toer, doch de st. als ook de kett. springen in elken toer 2 steken meer vooruit, zoodat het patroon schuine strepen vormt. Heeft de zak de vereischte hoogte verkregen (aan ons model is hij 34 d. hoog), dan haakt men een toer st., dan een toer afwisselend 1 st., 2 kett., met deze 2 steken van den vorigen toer overslaan, daarna nogmaals een toer st.; nu volgt de kant aan den bovenrand van den zak die uit de 6 volgende toeren bestaat. 1. toer. * 1 v. st. (vasten steek), 5 kett., 3 steken overslaan, 1 st., 5 kett., 3 steken overslaan, van * af herhalen. 2. toer. * 1 v. st. op den naastbijzijnden v. st., 5 kett., 2 st. op het eene st. van den vorigen toer, 5 kett., van * af herhalen. 3. toer. * 1 v. st. op den naastbijzijnden v. st., 6 kett., 3 st. op de 2 st. van den vor. toer, 6 kett., van * af herhalen. De 4. tot 6. toer worden op dezelfde wijze gehaakt; de st. vermeerderen in elken toer met 1 st., de kettingsteekbogen in den 5. toer elk met 1 kett. Men naait den zak langs den buitenrand van den bodem er tegen en bedekt den naad door een boog van ringen volgens de afbeelding vervaardigd, die zoodanig op den zak genaaid worden, dat de bogen naar boven gericht zijn. Elke boog heeft 10 ringen. Eindelijk naait men in het midden van den bodem er een kwast van roode wol aan en rijgt door den open toer tusschen de beide stokjestoeren kruisgewijze 2 koorden van roode wol gehaakt, die aan de einden met kleine kwastjes worden voorzien.