Heeft de filosofie eigenlijk nog een toekomst?
Men krijgt de indruk dat de wijsbegeerte aanvankelijk een weelderige boom was die in de loop van de geschiedenis één voor één haar taken verloren heeft [...]. Niettemin duiken telkens weer problemen op waarvoor blijkbaar nog geen wetenschappelijke antwoordmethodes bestaan [...] (Johan Braeckman en Etienne Vermeersch, De rivier van Herakleitos)
Wauw, wat vliegt de tijd toch! Het is al weer anderhalve maand geleden dat ik mijn studie Moraalwetenschappen aan de UGent begon. Tot nu toe is het heel interessant gebleken, alleen een wat onfortuinlijk lesrooster, maar voor de rest, so far so good. De laatste tijd valt het mij op hoe bepaalde filosofische theorieën eigenlijk zeer sterk lijken op psychologische theorieën, en vaak bijna exact hetzelfde zijn, maar dan anders benoemd.
Het begrip Verstehen van de filosoof Martin Heidegger bijvoorbeeld, komt erop neer dat we altijd praktisch omgaan met dingen uit onze omgeving (die voorhanden zijn), zonder daar bewust over na te denken. Pas als deze voorwerpen kapot of weg zijn, worden we bewust van hun aanwezigheid. Dit valt enigszins te vergelijken met wat psychologen het procedurele geheugen noemen: fietsen of wandelen zijn procedés die in ons hoofd opgeslagen zijn en die we uitvoeren zonder bewust na te denken - in tegenstelling tot bv. het semantisch geheugen dat feiten en kennis onthoudt. Het ‘men’ (das Man) dat Heidegger zo bekritiseerde, kan, net als bv. Nietzsches “kudde-instinct” vergeleken worden met conformisme en groepsdruk in de sociale psychologie. Deze twee heren zouden zich nooit psychologen genoemd hebben, toch zijn de gelijkenissen duidelijk. Heeft het wel nog zin om hier een onderscheid te maken tussen filosofie en psychologie?
Dit doet de vraag rijzen of filosofie, als aparte discipline, eigenlijk wel nog een bestaansgrond heeft. Het is immers niet ondenkbaar dat, op een bepaald moment in de (verre) toekomst, de filosofie volledig in andere (vooral menswetenschappelijke) disciplines opgegaan zal zijn. Maar hoe waarschijnlijk is dit? Mogen we filosofie, zoals Stephen Hawking deed, dood verklaren, of zal ze altijd een speciale plek innemen?
Filosofie is... wat wetenschap nog niet kan
Vooraleer we ingaan op de vraag of filosofie als aparte discipline of vak een toekomst heeft, moeten we de vraag beantwoorden: wat is filosofie? Het zou filosofie niet zijn als de vraag naar wat filosofie is, een eenduidig antwoord had. Laten we toch even twee antwoorden op deze vraag vergelijken.
Profs Johan Braeckman en Etienne Vermeersch (UGent), in hun boek De rivier van Herakleitos: een eigenzinnige visie op de wijsbegeerte, definiëren filosofie als vragen stellen over zaken waarvoor we nog geen wetenschappelijke methode ontwikkeld hebben (p. 47). Een voorbeeld van een filosofische vraag is dan: “Kunnen wij de werkelijkheid kennen zoals ze is, los van onze ervaring?” Filosofie is volgens hen ook de zoektocht naar betrouwbare kennis (p. 9). Cruciaal in de filosofie is volgens hen dat beweringen met argumenten ondersteund worden, en nooit zomaar (dogmatisch) voor waar genomen worden. Dat heeft de filosofie gemeen met de wetenschappen.
Filosofie is echter niet hetzelfde als wetenschappen, omdat kennis niet via de wetenschappelijke methode en met experimenten verworven wordt, maar door te redeneren en te vergelijken. Het mooie aan Braeckman en Vermeersch’ definitie is dat hij helder en duidelijk is, en ik haal hem dan ook vaak aan als mensen vragen wat ik studeer en ik met ‘filosofie’ antwoord. Let op de woorden “nog geen wetenschappelijke methode” in deze definitie: hieruit zou je kunnen afleiden dat we ooit een punt zullen bereiken dat vrijwel alle vragen wel wetenschappelijk aangepakt kunnen worden, wat het einde van de filosofie zou zijn.
Filosofie is... wat wetenschap nooit zal kunnen
Een ander soort definitie vinden we in prof. Bart Vandenabeeles (UGent) boeiende boek Verbijstering, veelheid, verschil: fundamentele inzichten van actuele filosofen. Ook Vandenabeele definieert filosofie in onderscheid met de wetenschap. Filosofie draait volgens hem om de menselijke betekenissen en interpretatie. Filosofie gaat niet over wetenschappelijke verklaringen achter fenomenen. Vandenabeele gebruikt de menselijke seksualiteit om dit onderscheid te verhelderen.
De betekenis die de seksuele liefde voor ons heeft, kunnen we onmogelijk vatten in wetenschappelijk onderzoek over bijvoorbeeld de fysiologie van het orgasme. Menselijke seksualiteit heeft een betekenis die elke wetenschappelijke verklaring overstijgt. Op die manier ontdoet de wetenschap de seksualiteit van haar specifiek menselijke betekenis. (p. 21)
De objectiviteit van de filosofie is niet geringer dan die van de wetenschappen, maar in tegenstelling tot deze laatste richt de filosofie zich niet op de onderliggende structuren van de werkelijkheid, maar wat zich aan de oppervlakte bevindt: de manifeste levensvorm, waar water niet - zoals in de wetenschappelijke wereld - H2O is, maar wel nat, heerlijk verfrissend bij warm weer en symbolisch zuiverend bij het doopritueel. (p. 28)
Dat geen enkel wetenschappelijk experiment ooit wat seks in iemands leven betekent kan bewijzen, lijkt me wel evident, net als het feit dat een beschrijving van de biochemie van de verliefdheid nooit kan vatten wat het betekent om op iemand verliefd te zijn. Als we van Vandenabeeles definitie uitgaan, kunnen we aannemen dat er altijd filosofie zal zijn, want de wetenschap zal de menselijke ervaring en betekenis nooit adequaat kunnen verwoorden.
Academische filosofie vs. gewoon ‘filosofie’
Vooraleer we echt ingaan op de vraag of filosofie als aparte discipline een toekomst heeft, moeten we enkele onderscheiden maken. Ten eerste maak ik een onderscheid tussen de (academische) filosofie als instituut enerzijds, en de filosofie als activiteit op zich anderzijds. Met dat eerste bedoel ik de faculteit filosofie aan universiteiten, en alle mensen en zaken die hiermee verbonden zijn (studenten, doctorandi, professoren, publicaties). Dat tweede verwijst naar de filosofie op zich, los van de universiteit. Filosofie is altijd en overal mogelijk en iedereen stelt zich wel eens een filosofische vraag. Veel belangrijke filosofen hadden trouwens niets of weinig met de universiteit te maken (René Descartes, Baruch Spinoza, Søren Kierkegaard, Karl Marx, ...).
In ieder geval is het mogelijk dat de filosofie als discipline aan de universiteit ooit verdwijnt, zonder dat het filosoferen daarmee ophoudt. In dit artikel bedoel ik met filosofie echter zowel de academische filosofie als het filosoferen op zich.
Het steeds kleinere terrein van de filosofie
Laten we eerst even de verschillende takken van de filosofie (lees: van wat heden als filosofie beschouwd wordt) (zoals beschreven door Braeckman en Vermeersch), op een rijtje zetten:
De metafysica of ontologie: dit is de studie van alles wat er bestaat, wat het betekent om te zijn, waarom is er iets en niet niets? Ook de vraag naar wat een mens nu is (wijsgerige antropologie) en de vraag of God bestaat en zo ja, hoe Hij dan is (theologie) valt onder metafysica.
De kennisleer of epistemologie: dit is de studie van wat we kunnen weten en hoe. Ook de logica (het correct redeneren) valt hieronder.
De ethiek: dit is de studie van goed en kwaad, van het goede leven. Ook politiek (de samenleving organiseren) en esthetica (de studie van het schone, de kunst) kan je hier plaatsen.
Als we de geschiedenis van de filosofie en de wetenschap bestuderen, zien we dat veel onderwerpen die oorspronkelijk in de filosofie bestudeerd werden, nu bij andere (wetenschappelijke) disciplines hoorden. Zo hielden de presocratici en filosofen zoals Archimedes of Ptolemaios zich bezig met de aard van de kosmos, met techniek, met de beweging van voorwerpen enz. Toen zag men dat als filosofische kwesties, sinds de zeventiende eeuw horen ze thuis in de natuurwetenschappen: astronomie, ingenieurswetenschappen, fysica, ...
Braeckman en Vermeersch geven in hun boek aan dit ook voor andere disciplines geldt:
In de negentiende eeuw ontstonden mens- en cultuurwetenschappen; ook voor de problemen in verband met de mens zijn er nu specialisten. In onze eeuw verwijdert ook de logica zich van de filosofie (ze sluit meer aan bij de wiskunde) en velen menen dat alles wat vroeger onder de metafysica viel, ofwel bij de wetenschap hoort, ofwel een zinledige bezigheid is. Ook voor morele en politieke problemen bestaan nu wetenschappelijke (psychologische, sociologische) methodes, en hetzelfde geldt voor de wetenschapsfilosofie.
Het is dus niet ondenkbaar dat deze trend zich zal blijven doorzetten tot zowat elke filosofische vraag opgenomen is in (een) natuurwetenschap. Hier dienen we twee dingen op te merken.
1. Wetenschap kan toch nooit volledig betekenis in een menselijk leven beschrijven?
Deze kritiek heb ik al behandeld toen ik Bart Vandenabeeles definitie van de filosofie beschreef. Ik ben uiteraard akkoord met het feit dat wetenschappelijke experimenten en theorieën nooit specifiek menselijke betekenissen en ervaringen kunnen vervangen, of om het met Carl Sagan te zeggen:
But if by God one means the set of physical laws that govern the universe, then clearly there is such a God. This God is emotionally unsatisfying... it does not make much sense to pray to the law of gravity.
Het is echter maar de vraag of we echt een aparte discipline voor deze specifiek menselijke betekenissen nodig hebben. Kunst (met name film en literatuur) zou dit net zo goed kunnen, en misschien zelfs beter. Uiteraard, geen enkele wetenschappelijke beschrijving van wat er gebeurt wanneer het menselijk lichaam verbrandt zal ooit even veel inzicht brengen als pakweg Hannah Arendts boek On Totalitarianism. Aan de andere kant is het maar de vraag is of er ooit een filosofisch traktaat over de Shoa zal komen, dat evenveel impact heeft op het publiek als bv. de film Schindlers List. Welk filosofisch essay kan ooit even hard als die film duidelijk maken hoe onbeschrijfelijk verschrikkelijk die genocide wel was?
En hoewel Roger Scrutons boek Sexual Desire ons ongetwijfeld meer leert over wat seksualiteit voor ons als mens betekent, dan beschrijvingen van de fysiologische reacties bij seksuele opwinding, kan je je evengoed de vraag stellen of Scrutons boek ooit een even diepe indruk kan nalaten als een sterk liefdesverhaal, zoals bv. in de film Call me by your Name. Het punt is: ja, wetenschap kan filosofie nooit volledig vervangen, maar waarom heb je per se filosofie, en geen kunst (of misschien zelfs religie) nodig, daar waar filosofie tekort schiet?
2. Het maakt toch wel uit hoe je iets noemt?
Aan het begin van dit inmiddels veel te lange artikel wees ik erop hoe bepaalde filosofische concepten bijna identiek zijn aan psychologische of andere wetenschappelijke concepten. Heeft het dan wel nog zin om hetzelfde fenomeen met twee verschillende termen te benoemen? Dat maakt alles toch nodeloos ingewikkeld?
Dit lijkt op het eerste zicht logisch, maar het is niet zeker of je dit volledig kan toepassen. De filosoof (jawel!) Ludwig Wittgenstein herinnerde ons allen eraan dat taal zeer sterk afhangt van de context en de spreker (het taalspel). En het is zeer evident dat het echt uitmaakt hoe je iets noemt: er is een groot verschil tussen ‘neger’ en ‘zwarte mens’, hoewel beide begrippen verwijzen naar een mens met een donkere huidskleur.
Het verschil tussen deze twee termen komt neer op een subjectieve gevoelswaarde, die ook moreel geladen is. De reden waarom steeds meer mensen tegenwoordig ‘zwarte persoon’ in plaats van ‘neger’ zullen zeggen, is moreel: we doen dit uit respect voor onze zwarte medemens. Dus wellicht maakt het toch niet zoveel uit hoe je iets noemt, tenzij er ethiek en morele gevoelens aan te pas komen. En dat brengt ons bij de derde kritiek op de idee dat filosofie ooit volledig in andere disciplines zal opgaan:
3. Hoe ziet het met ethiek? Zal ook ethiek ooit ‘verwetenschappelijkt’ worden?
Als het van de neurowetenschapper Sam Harris afhangt in ieder geval wel. Hij schreef er een heel boek over, The Moral Landscape. In dat boek beargumenteert dat men via de wetenschap tot objectieve waarden van goed en kwaad kan komen. Het boek kreeg veel kritiek van filosofen over zich heen, vooral omdat het er niet in slaagt ernstig in dialoog te gaan met belangrijke filosofen en ethici.
Zelf ben ik eerder geneigd te denken dat we echter nooit uit wetenschappelijk onderzoek kunnen afleiden wat het goede handelen is en al zeker niet waarom we goed moeten handelen. Ethiek zal altijd een kwestie van menselijke afspraken zijn, die over de tijd heen verandert. Er bestaan verschillende ethische theorieën, ze hebben allen voordelen en nadelen, maar geen enkele zal ooit het laatste woord hebben. Precies daarom dat volgens mij, de ethiek, in tegenstelling tot de filosofie, wel een toekomst heeft als apart, academisch vakdomein. (David Hume wees er als eerste op dat we uit hoe de situatie is niet kunnen afleiden hoe de situatie zou moeten zijn - dit is de is-ought-distinction of wet van Hume.)
Tenslotte moet ik vermelden dat de ethiek in feite nog nooit zo belangrijk was. Door de secularisering van de maatschappij zitten steeds meer mensen met vragen over hoe ze nu moeten leven, en de vraag naar het goede leven is een ethische vraag bij uitstek, met filosofen als Epicurus (epicuristen) en Marcus Aurelius (stoïcijnen) als vroege voorbeelden. Er is een explosie aan zelfhulpboeken, en mensen zoals Dirk De Wachter, die blijven herhalen dat het goede leven bestaat uit een aanvaarding van een beetje lijden en het helpen van anderen, zijn nog nooit zo populair geweest.
(illustratie Jeroen Murré)
De louter ‘metafysische’ filosofische vragen, die toch nooit beantwoord kunnen worden, vormen volgens mij niet genoeg inhoud om er een volledig aparte academische discipline aan te wijden. Nu is het in principe wel mogelijk om ethiek als onderdeel van de filosofie te zien, maar dat is zinloos, want dan zou filosofie een verzameling zijn met slechts één onderdeel, namelijk de ethiek. Dan hou je het beter simpel en spreek je gewoon van ethiek.
Conclusie
In de geschiedenis van de mensheid zijn steeds meer filosofische vragen opgenomen in de wetenschappen: eerst de natuurwetenschappen (fysica, chemie, biologie, techniek, astronomie, ...), later de menswetenschappen (psychologie, sociologie, antropologie, politicologie, ...). De resterende, onbeantwoordbare metafysische vragen zijn te ‘leeg’ om er een aparte discipline aan te wijden. Vraag is dan wat er nog overblijft van de filosofie. Volgens mij is het antwoord: de ethiek.
Ethiek kan immers nooit (volledig) vervangen worden door wetenschap, en de vraag naar het goede leven zal altijd relevant blijven. In de toekomst zal het belang van ethiek tegenover andere takken van de filosofie wellicht zodanig toenemen, dat we enkel nog over ethiek en niet over filosofie zullen spreken, of toch minder.
Disclaimer!
Dit artikel is absoluut geen oproep om filosofieopleidingen op te schorten, of om niet meer geïnteresseerd te zijn in wat historische filosofen gezegd hebben. Integendeel, een vak over de geschiedenis van de filosofie in elke hogere opleiding, dat zou ik fantastisch vinden. Door de geschiedenis van de filosofie te bestuderen merk je dat zaken waar je zelf mee bezig was ook mensen van 2500 jaar geleden boeiden.
Ik uit met dit artikel enkel het vermoeden dat er te weinig van de filosofie overblijft om het als een aparte discipline te zien (in de zin van ‘Ik ben filosoof van opleiding’), terwijl dat niet van ethiek gezegd kan worden.













