Het is vast het moment geweest waarop je vroeg of ik de tandenborstel terug wilde. Je had hem geleend, omdat je je anders de hele dag vies zou voelen (vies door mij? Nee, zo mag ik niet denken) en nu wilde je hem teruggeven. ‘Nee, houd maar’, zei ik, en liet je ermee weggaan.
Ik had hem voor je moeten bewaren, in zo’n oude plastic beker, en als je dan weer zou komen, zou ik zeggen: ‘Kijk, ik hem hem nog. Je tandenborstel.’ Dan zou je glimlachen.
Nu ligt de tandenborstel waarschijnlijk bij jou thuis. Je hebt hem al. Geen reden meer om bij me terug te komen.









